Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH8128

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
24-000279-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde is in hoger beroep ter zake van overtreding van artikel 2, onder B, van de Opiumwet veroordeeld tot een straf. De veroordeelde heeft uit het bewezenverklaarde handelen voordeel verkregen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 2.038,50. De betalingsverplichting wordt op € 1.698,60 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000279-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-630293-07

Arrest van 27 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 7 juli 2008, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

bij de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven te [woonplaats], [adres],

verblijvende te [verblijfplaats],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J.E. van Haarst, advocaat te Winschoten.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 7 juli 2008 van voormelde rechtbank Groningen in de strafzaak met parketnummer 18-630293-07, het door veroordeelde door middel van het door hem gepleegde strafbare feit wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 3.394,74 en hem de verplichting opgelegd € 3.054,84 aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

Gebruik van het rechtsmiddel

De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op € 1.720,60 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof (parketnummer 24-001785-08) ter zake van het meermalen opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een straf.

Er zijn voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van en/of uit baten van het bewezenverklaarde feit, te weten de verkoop van de heroïne en cocaïne.

Berekening van het voordeel

Op grond van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt door

[verbalisant], hoofdagent te [plaats], D'antar [plaats], [nummer] d.d. 3 maart 2008, en het proces-verbaal in de strafzaak, komt het hof tot de volgende berekening.

Verkoop heroïne en cocaïne

De veroordeelde heeft zich in 2007 schuldig gemaakt aan de verkoop van heroïne en cocaïne. Voor het bepalen van de verkochte hoeveelheden gaat het hof uit van de verklaringen van de afnemers en een hoeveelheid van 0,1 gram heroïne of cocaïne per bolletje. Het hof komt op basis van de verklaringen van de afnemers tot de volgende bruto opbrengst uit de verkoop van de heroïne en cocaïne door veroordeelde:

[getuige 2]

[getuige 2] heeft verklaard dat hij in de periode van juni 2007 tot december 2007 (een periode van 25 weken) twee à drie bolletjes cocaïne per week kocht. Hij betaalde hiervoor € 10,- per bolletje en betaalde derhalve per week gemiddeld € 25,-.

Het hof komt op basis van het bovenstaande tot de volgende bruto inkomsten van veroordeelde behaald door de verkoop van cocaïne aan [getuige 2]:

25 weken x € 25,- = € 625,-.

[getuige 1]

[getuige 1] heeft verklaard dat zij in de periode van mei 2007 tot december 2007 (een periode van 30 weken) twee à drie keer per week één à twee bolletjes cocaïne kocht. Zij betaalde hiervoor € 10,- per bolletje en betaalde derhalve per week gemiddeld € 37,50.

Het hof komt op basis van het bovenstaande tot de volgende bruto inkomsten van veroordeelde behaald door de verkoop van cocaïne aan [getuige 1]:

30 weken x € 37,50 = € 1.125,-.

[getuige 5]

[getuige 5] heeft verklaard dat hij ongeveer € 400,- à € 500,- aan veroordeelde heeft betaald voor de aankoop van bolletjes heroïne.

Het hof komt op basis van het bovenstaande tot de € 450,- aan bruto inkomsten van veroordeelde behaald door de verkoop van heroïne aan [getuige 5].

[getuige 3]

[getuige 3] heeft verklaard dat hij vanaf het voorjaar van 2007 (het hof gaat uit van maart) tot december 2007 (een periode van 40 weken) één à twee keer per week een bolletje cocaïne bolletje kocht. Hij betaalde hiervoor € 10,- per bolletje en betaalde derhalve per week gemiddeld € 15,-. Het hof komt op basis van het bovenstaande tot de volgende bruto inkomsten van veroordeelde behaald door de verkoop van cocaïne aan [getuige 3]:

40 weken x € 15,- = € 600,-.

[getuige 6]

[getuige 6] heeft verklaard dat hij vanaf het voorjaar 2007 tot half juli 2007 en in de periode van oktober 2007 tot december 2007 (een periode van in totaal 23 weken) twee à drie bolletjes cocaïne per week kocht. Hij betaalde hiervoor € 10,- per bolletje en betaalde derhalve per week gemiddeld € 25,-.

Het hof komt op basis van het bovenstaande tot de volgende bruto inkomsten van veroordeelde behaald door de verkoop van cocaïne aan [getuige 6]:

23 weken x € 25,- = € 575,-.

De totale bruto opbrengst uit de verkoop van heroïne en cocaïne door veroordeelde bedraagt aldus € 3.375,-.

Kosten

Inkoopkosten

Bij de berekening van de inkoopkosten gaat het hof uit van een inkoopprijs van € 24,- per gram heroïne. Blijkens het bovengenoemde rapport wederrechtelijk verkregen voordeel was de inkoopprijs van een gram heroïne € 24,44 en het hof heeft dit bedrag naar beneden afgerond. Bij de berekening van de inkoopkosten gaat het hof uit van een inkoopprijs van € 42,- per gram cocaïne. Blijkens het bovengenoemde rapport wederrechtelijk verkregen voordeel was de inkoopprijs van een gram cocaïne € 42,80 en het hof heeft dit bedrag naar beneden afgerond.

De totale inkoopkosten bedroegen derhalve:

45 bolletjes heroïne x 0,1 gram x € 24,- = € 108,-

292,5 bolletjes cocaïne x 0,1 gram x € 42,- = € 1.228,50

------------------

€ 1.336,50

Overige kosten

De raadsman van veroordeelde heeft gesteld dat de inkomsten die zijn behaald met de verkoop van cocaïne aan [getuige 2] niet mogen worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel nu [getuige 2] regelmatig voor veroordeelde als chauffeur fungeerde en hiervoor een geldelijke vergoeding kreeg.

Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken komt naar het oordeel van het hof onvoldoende vast te staan dat veroordeelde kosten heeft gemaakt voor zijn vervoer naar de afnemers van de heroïne en cocaïne. Het hof zal deze kosten dan ook buiten beschouwing laten.

De totale kosten bedragen derhalve € 1.336,50.

De slotsom

Op grond van het vorenstaande schat het hof het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 3.375,- - € 1.336,50 = € 2.038,50.

De betalingsverplichting

Bij het vaststellen van de betalingsverplichting houdt het hof rekening met het feit dat in de strafzaak van veroordeelde een bedrag van € 339,90 verbeurd is verklaard als zijnde inkomsten uit het strafbare feit. Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen om € 1.698,60 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [verdachte] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van

€ 2.038,50, zijnde tweeduizendachtendertig euro en vijftig cent;

legt de veroordeelde [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 1.698,60, zijnde zestienhonderdachtennegentig euro en zestig cent ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. A. Dijkstra en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier.