Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH8097

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
24-000474-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het meermalen overtreden van artikel 2, onder B, van de Opiumwet veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en een werkstraf voor de duur van 120 uren. Voorts wordt er een beslissing genomen op het beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000474-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-652481-07

Arrest van 27 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 20 februari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. G. Meijer, advocaat te Veendam.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair te vervangen door 60 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen geld en de inbeslaggenomen telefoon verbeurd zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 16 februari 2007, in de gemeente [gemeente], meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 februari 2007, in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2007 tot en met 3 april 2007, in de gemeente [gemeente], meerdere malen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 april 2007, in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat er ten tijde van de aanhouding van verdachte geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld nu verdachte niet bekend stond als drugsdealer. De aanhouding van verdachte is daarmee onrechtmatig, zodat al het daaruit voortvloeiende bewijs niet kan meewerken aan een bewezenverklaring. Als gevolg daarvan moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Op 3 april 2007 wordt verdachte op straat staande gehouden door een tweetal verbalisanten. Omdat het verbalisanten bekend is dat verdachte regelmatig harddrugs gebruikt en dealt vragen zij hem of hij ook drugs bij zich heeft. Verdachte antwoordt hierop dat hij een klein beetje drugs bij zich heeft voor eigen gebruik. Verbalisanten vragen verdachte vervolgens of zij in zijn zakken mogen kijken, waarop verdachte bevestigend antwoordt. Op het moment dat verbalisanten uit de auto stappen rent verdachte echter weg. Verbalisanten houden verdachte vervolgens aan. Naar het oordeel van het hof was er op dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld, te weten van overtreding van de Opiumwet, en was de aanhouding derhalve rechtmatig. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2006 tot en met 16 februari 2007, in de gemeente [gemeente], meerdere malen telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 17 februari 2007 tot en met 3 april 2007, in de gemeente [gemeente], meerdere malen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1 primair en onder 2 primair telkens:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het dealen van harddrugs. Uit de stukken blijkt dat verdachte in de bewezenverklaarde perioden diverse personen van heroïne heeft voorzien. Door het plegen van deze feiten heeft verdachte het gebruik van heroïne, een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid, bevorderd en de gezondheid van de gebruikers in gevaar gebracht.

Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden is. Het hof houdt echter rekening met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof zijn geschetst.

Verdachte neemt vrijwillig deel aan een leerproject van de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) en heeft hierin een zinvolle dagbesteding gevonden. Ter onderbouwing hiervan is door de raadsman van verdachte ter terechtzitting van het hof een rapport van de VNN d.d. 10 februari 2009 overgelegd. Daarnaast is verdachte sinds het onderhavige feit niet meer in contact geweest met justitie.

Gelet op het voorgaande zal het hof, conform de vordering van de advocaat-generaal, volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur en een werkstraf van na te noemen omvang.

Verbeurdverklaring

De door het hof verbeurd te verklaren mobiele telefoon is daarvoor vatbaar nu met behulp van die mobiele telefoon het hiervoor onder 1 primair bewezenverklaarde feit is begaan dan wel is voorbereid. Het door het hof verbeurd te verklaren geldbedrag is daarvoor eveneens vatbaar nu dat geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het hiervoor onder 1 primair bewezenverklaarde feit is verkregen. Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de mobiele telefoon en het geldbedrag aan verdachte toebehoren. Het hof heeft gelet op de draagkracht van verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken.

Onttrekking aan het verkeer

De door het hof aan het verkeer te onttrekken witte papieren verpakkingen met daarin 79 kleine hoeveelheden heroïne zijn daarvoor vatbaar, omdat zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en zij bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane hiervoor onder 1 bewezenverklaarde feit zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 (oud) en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 33, 33a, 36b (oud), 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart verbeurd:

1 blauwe mobiele telefoon van het merk Nokia en een geldbedrag van € 260,-;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

79 witte papieren verpakkingen met daarin 79 kleine hoeveelheden heroïne.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. J.J. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier.