Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH8083

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
24-002504-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts wordt de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de vordering tenuitvoerlegging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002504-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-651443-08

Arrest van 27 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 26 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, beslist op de vordering van een benadeelde partij, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 595,25 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van eenzelfde bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de verdachte, bij vonnis van de meervoudige strafkamer Groningen d.d. 12 april 2007, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal afwijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2008, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [benadeelde], tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 26 februari 2008, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [benadeelde], tegen het hoofd heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 26 februari 2008 een medewerker van de [bedrijf], [benadeelde], mishandeld omdat hij niet tevreden was over de wijze waarop [benadeelde] hem te woord stond. Verdachte heeft [benadeelde] tegen het hoofd gestompt, waardoor er een stuk van zijn boventand is afgebroken. Door zo te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.

Het hof heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 januari 2009, waaruit is gebleken dat verdachte eerder wegens (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op verdachtes justitiële verleden en de ernst van het feit acht het hof de door de eerste rechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en gebonden.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte niet voldoende weersproken. Derhalve kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 595,25, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens na te noemen bedrag toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Groningen d.d. 12 april 2007, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft op 15 mei 2008 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde straf, aangezien verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de mededeling voorwaardelijke veroordeling conform artikel 366a, derde lid, van het wetboek van Strafvordering aan de verdachte is betekend zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfhonderdvijfennegentig euro en vijfentwintig cent, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schade veroorzakende feit;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt

- tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfhonderdvijfennegentig euro en vijfentwintig cent, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schade veroorzakende feit, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van elf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van zes maanden de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Groningen van 12 april 2007.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. J.J. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier.