Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH7598

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
24-001428-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het aanwezig hebben van een gebruikershoeveelheid cocaïne. Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht wegens gelijktijdige maar niet gevoegde behandeling met een strafzaak waarbij verdachte tot zestien maanden gevangenisstraf werd veroordeeld. Toepassing van artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht brengt naar het oordeel van het hof in dit geval mee dat verdachte in de onderhavige zaak schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, omdat in het geval van een gevoegde behandeling de totale straf voor de beide zaken niet hoger geweest zou zijn dan de in de andere zaak opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001428-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-753127-08

Arrest van 24 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 26 mei 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van een week voor het aanwezig hebben van cocaïne.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegde dat:

hij op of omstreeks 05 juni 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 0,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of

(ongeveer) 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet.

Overweging omtrent het bewijs van het ten laste gelegde

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte cocaïne aanwezig had en dat ook wist. Het hof heeft daarbij gelet op de eigen verklaring van verdachte, op 5 juni 2007 afgelegd ten overstaan van verbalisanten, en als volgt luidende, zakelijk weergegeven: "De politie trof zeven witte bolletjes en vijf bruine bolletjes aan in mijn broekzak. Ik wist dat vijf van de witte bolletjes nep zijn. Er zat papier in. Ik ben hiermee geflest. Volgens mij waren de bruine bolletjes ook nep en zat daar stophoest in. Ik had slechts twee bolletjes echte cocaïne in mijn bezit." Laatstgenoemde constatering van verdachte, een ervaren gebruiker van cocaïne, wordt bevestigd door de uitkomst van de zogeheten Narcotest. Het hof acht geen wettig bewijs voorhanden dat verdachte ook heroïne aanwezig had, nu verdachte de inhoud van de bruine bolletjes niet als zodanig benoemt en enkel de uitgevoerde Narcotest onvoldoende is voor het bewijs van dat deel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 5 juni 2007 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0.2 gram van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Motivering toepassing artikel 9a Wetboek van Strafrecht

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een gebruikershoeveelheid cocaïne. Dergelijke stoffen vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en bevorderen ook onder de gebruikers de (vermogens)criminaliteit, hetgeen schade en onrust in de samenleving veroorzaakt. Dat ook verdachte zich veelvuldig aan dergelijke criminaliteit heeft schuldig gemaakt, leidt het hof af uit het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 3 februari 2009.

Bij de strafrechtelijke afdoening van de onderhavige zaak heeft het hof gelet op het feit dat ter terechtzitting van 10 maart 2009 een tweede strafzaak tegen verdachte in hoger beroep aan de orde is geweest. Het betreft de zaak met het parketnummer 24-002366-08. Het hof heeft de beide zaken op genoemde datum gezamenlijk doch niet gevoegd behandeld. Bij arrest van 24 maart 2009, derhalve dezelfde datum als waarop het onderhavige arrest is gewezen, is verdachte voor deze tweede zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden. De toepassing van artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht brengt naar het oordeel van het hof in dit geval mee dat verdachte voor het bewezen verklaarde in deze zaak schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, nu in het geval van een gevoegde behandeling van de beide zaken de totale straf niet hoger geweest zou zijn dan de straf die het hof thans in de zaak met het parketnummer 24-002366-08 heeft opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat aan [verdachte] geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. S.H. Wachter, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Foppen voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.