Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH7359

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
24-0002103-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van art. 225 en 227b veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur. Zij ontving een bijstandsuitkering en heeft aan de gemeente jarenlang doorgegeven dat zij een kostganger had, terwijl zij feitelijk een economische eenheid vormde met deze man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002103-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-630632-06

Arrest van 23 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 13 augustus 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1951] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks het tijdvak van 24 januari 2002 tot en met 24 november 2006, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer geschrift(en), zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen te weten (een) formulier(en) (rechtmatigheidsonderzoeksformulier Abw en/of rechtmatigheidsonderzoeksformulier WWB) van of vanwege (de dienst Sociale Zaken van of vanwege) de gemeente [gemeente], waarop (telkens) opgave moest worden gedaan (onder meer) van (een) wijziging(en) in de samenstelling van het gezin van verdachte, over de periode waarop dat/doe formulier(en) betrekking had(den), (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar (telkens) valselijk op dat/die formulier(en) niet vermeld of doen vermelden, dat verdachte, in de periode waarop dat/die formulier(en) betrekking had(den), samenwoonde en/of een economische eenheid vormde met een man, genaamd [naam], en/of dat/die formulier(en) van een handtekening, althans een ondertekening, heeft voorzien, met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

EN/OF

zij in of omstreeks het tijdvak 13 juli 1998 tot en met 16 november 2006, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, (telkens) in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand en/of artikel 65 Algemene Bijstandswet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering volgens de Wet werk en bijstand en/of de Algemene Bijstandswet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, (telkens) in voornoemde periode op geen enkele wijze melding gemaakt van het samenwonen en/of het vormen van een economische eenheid met een man, te weten [naam], althans van een of meer wijziging(en) in de samenstelling van het gezin van verdachte.

Het hof beschouwt het in de tiende regel opgenomen woord 'doe' als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als 'die'. Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft aangevoerd dat zij haar rechtmatigheidsonderzoeksformulieren op de juiste wijze heeft ingevuld, nu zij op de door een medewerkster van de gemeente voorgedane manier heeft ingevuld dat zij een kostganger had, de heer [naam]. De gemeente was hiervan al jaren op de hoogte en heeft dit goedgekeurd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte heeft op genoemde formulieren ingevuld dat zij een kostganger had en dat deze kostgeld betaalde. Er bevinden zich elementen van kostgangerschap in de relatie tussen verdachte en [naam] - zo betaalde [naam] kostgeld aan verdachte, aten zij samen en deed verdachte de was voor [naam] - maar die relatie was veelomvattender en aan te merken als een economische eenheid. Uit het dossier blijkt namelijk dat [naam] hun gezamenlijke verhuizing heeft betaald, alsmede de eerste huur van de woning. Daarnaast betaalde [naam] de kosten voor de inboedelverzekering en de telefoonrekening. Ook was het grootste deel van het meubilair in de woning van [naam] en deden [naam] en verdachte beurtelings de boodschappen. De uitkering van [naam] werd gestort op de rekening van verdachte en [naam] was ook voor deze rekening gemachtigd. Verdachte en [naam] gebruikten de woonkamer bovendien als gezamenlijke woonkamer.

Verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze omstandigheden van belang waren voor het vaststellen van haar recht op een uitkering of de hoogte daarvan en derhalve had zij deze moeten melden aan de sociale dienst, opdat de sociale dienst de feitelijke situatie kon beoordelen. Nu verdachte dit heeft nagelaten, acht het hof haar schuldig aan het ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart ten laste van verdachte bewezen dat

zij in het tijdvak van 24 januari 2002 tot en met 24 november 2006, te [plaats], meermalen, telkens geschriften, zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen te weten formulieren (rechtmatigheidsonderzoeksformulier Abw en/of rechtmatigheidsonderzoeksformulier WWB) van (de dienst Sociale Zaken van) de gemeente [gemeente], waarop telkens opgave moest worden gedaan (onder meer) van wijzigingen in de samenstelling van het gezin van verdachte, over de periode waarop die formulieren betrekking hadden, telkens valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar telkens valselijk op die formulieren niet vermeld of doen vermelden, dat verdachte, in de periode waarop die formulieren betrekking hadden, een economische eenheid vormde met een man, genaamd [naam], en die formulieren van een handtekening, althans een ondertekening, heeft voorzien, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken;

EN

zij in het tijdvak 13 juli 1998 tot en met 16 november 2006, te [plaats], meermalen, telkens in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand en artikel 65 Algemene Bijstandswet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering volgens de Wet werk en bijstand en de Algemene Bijstandswet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, telkens in voornoemde periode op geen enkele wijze melding gemaakt van het vormen van een economische eenheid met een man, te weten [naam].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

en

in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen.

Verdachte, die een uitkering ontving aanvankelijk op grond van de Algemene bijstandswet en later op grond van de Wet werk en bijstand, heeft vanaf juli 1998 aan de sociale dienst van de gemeente [gemeente] doorgegeven dat zij een kostganger had, te weten [naam], terwijl zij in feite een economische eenheid vormde met deze [naam]. Verdachte heeft door haar handelen misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Zij heeft daardoor het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland mede is gebaseerd, geschaad.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door haar en haar raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 februari 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

De door verdachte gepleegde feiten zijn zodanig ernstig dat in beginsel een gevangenisstraf passend en geboden is. Hierbij acht het hof mede van belang dat de feiten gedurende een vrij lange periode zijn gepleegd, waardoor er sprake is van een hoog benadelingsbedrag. Het hof acht echter ook van belang dat verdachte wel aan de gemeente heeft doorgegeven dat zij een kostganger had, wat voor de gemeente reden had kunnen zijn verdachtes situatie reeds eerder te onderzoeken. Gelet op deze omstandigheid alsmede op de persoonlijke omstandigheden van verdachte - waaronder haar slechte gezondheidssituatie - , acht het hof in de onderhavige zaak een werkstraf van na te melden duur, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd en door de politierechter is opgelegd, passend en geboden. Het hof ziet echter, in tegenstelling tot de advocaat-generaal en de politierechter, geen aanleiding verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu het hof de kans op recidive laag inschat.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c (oud), 22d, 22d (oud), 57 (oud), 225, 225 (oud), en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. W.P.M. ter Berg en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.