Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH6987

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
24-001986-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mishandeling

- PR.: 40 uren werkstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis

vordering benadeelde partij deels toegewezen

oplegging van een schadevergoedingsmaatregel

- appel verdachte;

- AG: cfm. politierechter

- Hof: € 200,=, subsidiair 4 dagen hechtenis (hof acht, in tegenstelling tot de PR. en de AG,

het ten laste gelegde letsel (ribkneuzing) niet bewezen)

benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering

aanhoudingsverzoek om aangeefster i.v.m. het ten laste gelegde letsel als getuige te

horen, afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001986-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-753895-08

Arrest van 20 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 4 augustus 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel opgelegd en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en de vordering van de benadeelde partij ad € 450,= zal toewijzen tot een bedrag van € 200,= en ter zake van dat bedrag tevens een schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 4 dagen hechtenis, zal opleggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 9 december 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend zijn levensgezellin, althans een persoon (te weten [slachtoffer]), een kerstboompje in een bloempot, althans een (hard) voorwerp, tegen/op de ribben, althans het lichaam, van [slachtoffer] heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof leest de woorden "de [slachtoffer]" in de vierde regel van het ten laste gelegde verbeterd in "die [slachtoffer]", zijnde hier sprake van een kennelijke misslag, door verbeterde lezing waarvan verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande, dat:

hij op 9 december 2007, te [plaats], opzettelijk mishandelend [slachtoffer] een kerstboompje in een bloempot tegen het lichaam van die

[slachtoffer] heeft gegooid, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Beslissing op gedaan verzoek

Verdachte heeft ter zitting van het hof verzocht aangeefster [slachtoffer] op een nog nader te bepalen terechtzitting van het hof als getuige te horen. Als reden heeft hij opgegeven, dat hij door zijn handelen niet een ribkneuzing bij aangeefster kan hebben veroorzaakt en dat zij die ribkneuzing op andere wijze, mogelijk als gevolg van een auto-ongeluk, heeft opgelopen.

Het hof acht niet bewezen, dat aangeefster [slachtoffer] door de handelwijze van verdachte, zoals hiervoor bewezen verklaard, enig letsel heeft bekomen. Derhalve ontbreekt de noodzaak om haar dienaangaande als getuige te horen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte heeft [slachtoffer] mishandeld, door een kerstboompje in een bloempot tegen haar lichaam te gooien. Hierdoor heeft die [slachtoffer] pijn ondervonden. Verdachte heeft door het plegen van dit feit de lichamelijke integriteit van die [slachtoffer] geschonden.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2009 blijkt, dat verdachte vóór het plegen van het bewezen verklaarde feit meermalen ter zake van het plegen van - andersoortige - strafbare feiten is veroordeeld.

Op grond van het vorenstaande en mede te voorkomen dat verdachte zich opnieuw aan een (soortgelijk) strafbaar feit zal schuldig maken, acht het hof de oplegging van een geldboete van € 200,=, subsidiair 4 dagen hechtenis, passend en geboden.

Deze straf is minder zwaar dan de door de politierechter opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, welke werkstraf eveneens door de advocaat-generaal is gevorderd. De reden daarvan is dat het hof, in tegenstelling tot de politierechter en de advocaat-generaal, het ten laste gelegde letsel (ribkneuzing) niet bewezen heeft geacht.

Het hof heeft bij de vaststelling van de geldboete rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin het dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.

Benadeelde partij

Gebleken is, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 (oud), 24 (oud), 24c (oud), 63 (oud) en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vier dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Dam, voorzitter, mr. Beswerda en mr. Den Ottolander, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Den Ottolander voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.