Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH6001

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
24-002060-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer met een vuist ter hoogte van de wenkbrauw te stompen. Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 200, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis. De vordering van de benadeelde partij is deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest van 13 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 14 augustus 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J. Skála, advocaat te Haren.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte (impliciet) zal vrijspreken van het trappen/schoppen van [benadeelde], het verdachte voor het overige ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 200,00 subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis. Hij heeft voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 57,95 gevorderd, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Hieronder is opgenomen het verdachte ten laste gelegde, zoals vermeld op de inleidende dagvaarding.

Verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 december 2007, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), heeft gestompt en/of geslagen, en/of (vervolgens) toen die [benadeelde] op de grond lag, die [benadeelde] heeft getrapt en/of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 3 december 2007, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]) heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft tevens gelet op de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter zitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte heeft zich op 3 december 2007 schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde] door haar met een vuist ter hoogte van haar wenkbrauw te stompen. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde].

Verdachte is, zo blijkt uit een uittreksel uit het algemeen justitieel documentatieregister van 10 december 2008, vóór het plegen van het onderhavige feit niet eerder door de rechter veroordeeld wegens strafbare feiten.

Het hof ziet in vorenstaande geen aanleiding van de door de advocaat-generaal gevorderde en in eerste aanleg opgelegde straf af te wijken. Het hof zal die straf dan ook aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering is, ten aanzien van de materiële schade (oorbellen ad. € 5,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade) van de zijde van verdachte niet voldoende weersproken. Derhalve kan deze worden toegewezen zoals na te melden.

De benadeelde partij heeft, onder verwijzing naar een uitspraak uit de ANWB Smartengeldgids 2006, nr. 803, de immateriële schade begroot op € 52,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De vordering is van de zijde van verdachte in zoverre weersproken dat de uitspraak uit de Smartengeldgids volgens de raadsman een uitspraak betreft die niet vergelijkbaar is met de onderhavige situatie.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:101 BW is het hof van oordeel dat zowel het gedrag van de benadeelde partij als het gedrag van verdachte hebben bijgedragen tot het ontstaan van de door de benadeelde partij gestelde immateriële schade. Voorts is het hof van oordeel dat - gelet op de omstandigheden van het geval, in het bijzonder op het feit dat de benadeelde partij vergezeld van haar moeder de confrontatie met (de familie van) verdachte heeft gezocht - uit een oogpunt van billijkheid geen vergoeding van deze schade door verdachte dient plaats te vinden. De vordering van de benadeelde partij dient in zoverre te worden afgewezen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 (oud), 24 (oud), 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vier dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijf euro en vijfennegentig cent, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. A. Dijkstra en mr. H. Elzinga, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde mr. Elzinga voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.