Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH5428

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
24-000425--08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren, waarvan 25 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000425-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-622059-07

Arrest van 10 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 11 februari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.F. Dirkzwager, advocaat te Meppel.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis waarvan 25 uren, subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

verdachte op of omstreeks 24 november 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat verdachte bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat verdachte die bevoegdheid was ontzegd, op de weg de [straat] een motorrijtuig heeft bestuurd, de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Overweging omtrent het bewijs

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op de hoogte was van de rijontzegging. Verdachte heeft zelfs uitgerekend - met behulp van de wijkagent - wanneer hij weer mocht autorijden. Voorts heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij zijn rijbewijs niet heeft kunnen inleveren, aangezien hij dit kwijt was. De raadsman heeft ter zitting van het hof - zakelijk weergegeven - het volgende bepleit. Verdachte heeft geïnformeerd bij bevoegd gezag - te weten de politie - omtrent de einddatum van de rijontzegging. Verdachte heeft gedwaald. Deze rechtsdwaling kan hem niet worden aangerekend. Dit brengt mede dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In het dossier bevindt zich een kennisgeving ingang ontzegging rijbevoegdheid d.d. 1 februari 2006. In deze kennisgeving staat vermeld dat de ontzegging is opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 23 mei 2005 (parketnummer 09/225968-04) en zal ingaan op de 21e dag na betekening van dit schrijven. Deze kennisgeving is door brigadier [naam] op 2 mei 2007 aan verdachte in persoon uitgereikt. In deze kennisgeving staat vermeld dat veroordeelde verplicht is het rijbewijs in te leveren. Daarnaast staat in de aangehechte bijsluiter uitdrukkelijk vermeld dat veroordeelde het rijbewijs dient in te leveren en dat niet tijdige inlevering meebrengt dat de duur van de ontzegging automatisch wordt verlengd met het aantal dagen die liggen tussen de dag waarop veroordeelde het rijbewijs had moeten inleveren en de dag waarop hij het feitelijk inlevert.

Het hof overweegt omtrent het verweer op rechtsdwaling als volgt.

Uit de stukken blijkt derhalve genoegzaam dat verdachte kennis heeft gekregen van de hem opgelegde ontzegging. Daarnaast blijkt uit de stukken expliciet dat het niet inleveren van het rijbewijs meebrengt dat de termijn van de ontzegging wordt verlengd.

Het hof is van mening dat het inwinnen van inlichtingen bij de wijkagent verdachte niet verontschuldigt. De wijkagent is immers afhankelijk van de hem geboden informatie. De door de wijkagent samen met verdachte uitgerekende datum is gebaseerd op door verdachte verstrekte gegevens. Bij het uitrekenen van de datum is klaarblijkelijk uitgegaan van een ingeleverd rijbewijs. Immers, in het geval het rijbewijs niet is ingeleverd kan ook niet tot een einddatum worden gekomen. Het hof leidt hieruit af dat de wijkagent niet op de hoogte was van deze informatie.

Verdachte mocht, nu de mededeling uitspraak in persoon aan hem is betekend en gelet op de uitgereikte kennisgeving ingang ontzegging rijbevoegdheid met de daaraan gehechte bijsluiter, er naar het oordeel van het hof niet van uitgaan dat de aan hem opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid ten einde was en dat hij toen op dat moment in een auto mocht rijden. Het inwinnen van informatie bij een wijkagent verontschuldigt verdachte niet. Het hof verwerpt aldus het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

verdachte op 24 november 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat verdachte bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat verdachte die bevoegdheid was ontzegd, op de [straat] een motorrijtuig heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 24 november 2007 heeft verdachte een motorrijtuig (personenauto) bestuurd, terwijl de bevoegdheid daartoe hem was ontzegd. Verdachte heeft daarmee een vonnis genegeerd, dat is gewezen om de verkeersveiligheid te beschermen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 4 december 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof, evenals de advocaat-generaal en de rechter in eerste aanleg, van oordeel van de aan verdachte een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 (oud) en 176 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van vijftig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot vijfentwintig uren, subsidiair dertien dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. Pennink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.