Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH4974

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
24-002073-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is wegens het aanwezig hebben van cocaïne en MDMA, het dealen in cocaïne en diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een taakstraf van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002073-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-885025-08

Arrest van 5 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 2 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het onder 1 (alleen de cocaine en de XTC), 2 (uitgezonderd de XTC-pillen) en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 december 2007, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 2,19 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 0,62 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (te weten 5, althans een aantal zogenoemde XTC-pillen)

zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (elk) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 5 februari 2007, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, opzettelijk (meermalen) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(ongeveer) 10 (dan wel 16) gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

(ongeveer) 110 XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of methylfenidaat, zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of methylfenidaat, (althans) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

en/of

(op of omstreeks 5 februari 2007) (in elk geval) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 0,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methylfenidaat, zijnde methylfenidaat, (althans) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2007 tot en met 19 maart 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto heeft weggenomen een navigatiesysteem en/of een radio/cdspeler ((/)Mfd navigatie tbv vw passat, incl radio/cd speler) en/of een climatronic (airconditioning), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 1 december 2007, te [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 2,19 gram cocaïne en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (te weten 5 XTC-pillen)

zijnde cocaïne en MDMA elk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 5 februari 2007, te [plaats], opzettelijk meermalen heeft verkocht en/of verstrekt, (in totaal ongeveer) 10 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

3.

hij in de periode van 16 maart 2007 tot en met 19 maart 2007 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto heeft weggenomen een navigatiesysteem en een climatronic (airconditioning), toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

onder 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

onder 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

onder 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 1 december 2007 schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne en XTC. In de periode van 1 augustus 2006 tot en met 5 februari 2007 heeft hij zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Verdachte heeft door zijn handelwijze de volksgezondheid in gevaar gebracht. Cocaïne en XTC zijn voor de gezondheid van gebruikers zeer schadelijke stoffen. Bovendien is de handel in, en het gebruik van deze drugs bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee vaak gepaard gaande door gebruikers gepleegde criminaliteit.

In de periode van 16 maart 2007 tot en met 19 maart 2007 heeft verdachte zich met een ander schuldig gemaakt aan diefstal uit een auto. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [benadeelde]. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor veel schade en overlast voor betrokkenen. Verdachte heeft de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten kennelijk gepleegd ten behoeve van eigen financieel gewin.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 8 december 2008 - eerder is veroordeeld ter zake van de Opiumwet.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een werkstraf - zoals door de advocaat generaal gevorderd - van 120 uren dient te worden opgelegd. Daarnaast legt het hof in verband met de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken op. Deze straf is mede bedoeld om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. De door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken doet - mede in het licht van verdachtes strafrechtelijke verleden - onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. In de straf is tevens verdisconteerd dat het hof tot een andere, verdergaande bewezenverklaring is gekomen dan de rechter in eerste aanleg.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 (oud) en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 57 (oud), 63 (oud), 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. D.J. Keur en mr. W.F. van Zant, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier, zijnde mr. Van Zant en mr. Keur beiden voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.