Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH4568

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
24-000122-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen vonnis van 10 maart 2003. De gebreken die kleven aan de formaliteiten rond het instellen van het hoger beroep behoren niet voor rekening van verdachte te komen. Nu voorts niet is gebleken dat verdachte vóór 16 januari 2008 bekend was met de einduitspraak van de politierechter, moet het hoger beroep geacht worden tijdig te zijn ingesteld. Hof acht bewezen dat verdachte, die een bijstandsuitkering ontving, meer uren werkte en meer inkomsten genoot dan hij opgaf aan de Sociale Dienst. Oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf omdat het om een zeer oud feit gaat en verdachte overigens geen documentatie heeft. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie de redelijke termijn voor wat betreft de betekening van het vonnis in eerste aanleg heeft overschreden, maar verbindt daaraan geen consequenties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000122-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-054105-02

Arrest van 3 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 10 maart 2003 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], van [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.

De beslissing op het hoger beroep

Van de terechtzitting in eerste aanleg is geen proces-verbaal opgemaakt. Daarom kan het hof niet beoordelen of het onderzoek in eerste aanleg overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden en of het vonnis aan de wettelijke eisen voldoet. Het vonnis zal reeds om deze reden worden vernietigd en het hof zal opnieuw recht doen.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte werd op 10 maart 2003 door de politierechter te Groningen bij verstek veroordeeld. De dagvaarding om te verschijnen op die terechtzitting werd niet in persoon, doch op de wettelijk voorgeschreven wijze uitgereikt. Namens verdachte werd op 16 januari 2008 hoger beroep ingesteld door middel van een akte rechtsmiddel, die door een griffiemedewerker van de rechtbank Groningen is opgemaakt. Aan de akte is gehecht een brief van 16 januari 2008 aan de griffie, afkomstig van de heer [naam], schoonvader van verdachte. Deze brief is ten onrechte aangemerkt als een bijzondere schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450, eerste lid, (oud) van het Wetboek van Strafvordering, nu uit de brief niet blijkt van enige van de verdachte afkomstige volmacht.

In het dossier bevindt zich voorts een faxbericht van verdachte zelf van 7 februari 2008, gericht aan de griffie van de rechtbank Groningen, inhoudende dat in de brief van 16 januari 2008 terecht is gevraagd om namens hem hoger beroep in te stellen, omdat dat in opdracht van verdachte is gebeurd.

Uit het dossier noch uit het besprokene ter terechtzitting van het hof zijn omstandigheden naar voren gekomen waaruit blijkt dat de - veelal in het buitenland verblijvende - verdachte vóór 16 januari 2008 bekend was met de einduitspraak van de politierechter van 10 maart 2003.

Het hof is van oordeel dat de gebreken die kleven aan de formaliteiten rond de instelling van het hoger beroep voor rekening van de griffie in de rechtbank Groningen komen en niet voor die van verdachte. Nu voorts niet is gebleken dat verdachte vóór 16 januari 2008 bekend was met de einduitspraak van de politierechter, moet het hoger beroep geacht worden tijdig te zijn ingesteld.

Het hof verklaart verdachte daarom ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 mei 2001, in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een formulier (Maandelijkse verklaring Loaw/Loaz, Maandelijkse verklaring Abw, Maandelijkse verklaring Abw 2001 en/of Inlichtingen heronderzoek) van of vanwege de gemeente [gemeente], waarop (telkens) opgave moest worden gedaan (onder meer) van de leef- en woonomstandigheden en/of de inkomsten uit arbeid van verdachte en/of zijn partner en/of van de overige inkomsten van verdachte en/of zijn partner over de periode waarop dat formulier betrekking had, (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn mededader, toen en daar (telkens) valselijk vermeld of doen vermelden (zakelijk weergegeven), dat verdachte en/of zijn partner in de periode waarop dat formulier betrekking had lagere en/of andere inkomsten had(den) genoten dan verdachte en/of zijn partner in werkelijkheid had(den) genoten, en/of verdachte en/of zijn partner minder en/of andere uren had(den) gewerkt dan verdachte en/of zijn partner in werkelijkheid had(den) gewerkt en dat formulier (telkens) van een handtekening, althans ondertekening, heeft/hebben voorzien, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Overwegingen omtrent het bewijs

Verdachte en zijn echtgenote ontvingen in de ten laste gelegde periode een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet naar de voor gehuwden geldende norm. Verdachte verrichtte in die periode werkzaamheden voor pizzeria "[naam]" te [plaats]. In de verklaringen, die verdachte maandelijks diende in te vullen ten behoeve van de vaststelling van zijn recht op uitkering en de hoogte daarvan, maakte hij melding van gewerkte uren en daarbij behorende inkomsten. Verdachte heeft verklaard, zowel door ondertekening van de formulieren, als ten overstaan van de Sociale Recherche als ter terechtzitting van het hof, dat hij deze uren en inkomsten naar waarheid invulde. Uit een onderzoek van de Sociale Recherche, in eerste instantie gericht op mogelijke premiefraude door zijn werkgever, kwam evenwel naar voren dat verdachte meer uren werkte en dat hij dientengevolge meer inkomsten genoot dan hij opgaf.

Op grond van verklaringen van voormalige collega's van verdachte, die het hof ter terechtzitting aan verdachte heeft voorgehouden, acht het hof bewezen dat dat inderdaad het geval is geweest. Het hof heeft daarbij met name gelet op de verklaring van getuige [getuige 1]. Zij was gedurende een groot deel van de ten laste gelegde periode werkzaam voor de pizzeria. Deze getuige verklaart, zakelijk weergegeven: "[verdachte] (het hof begrijpt dat verdachte zo werd genoemd) verdiende ongeveer 15 gulden netto per uur. Dat weet ik, omdat ik heb gezien wat hij uitbetaald kreeg. Dit heb ik toen omgerekend naar het bedrag van 15 gulden. [verdachte] werkte zeker zes dagen per week van 13.00 tot 23.00 uur." Voorts verklaart getuige [getuige 2]: [verdachte] was de enige die heel vroeg begon en heel laat ophield. Hij werkte niet op maandag." De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, als zou hij slechts in het begin van de middag enkele uren aanwezig zijn om de zaak openen en 's avonds - onbetaald en slechts om koffie te drinken - weer terugkomen, vindt geen steun in ander bewijs en het hof acht deze dan ook in het licht van voornoemde getuigenverklaringen niet geloofwaardig. Het hof heeft daarbij ook gelet op de eveneens ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij de rechterhand was van [plaats], de exploitant van de pizzeria, en de zaak "runde" bij diens afwezigheid.

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat niet is gebleken van enige wetenschap bij de echtgenote van verdachte omtrent de wijze waarop verdachte de inlichtingenformulieren invulde en de ten laste gelegde deelnemingsvorm daarom niet kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 mei 2001, in de gemeente [gemeente], meermalen een geschrift, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten telkens een formulier (Maandelijkse verklaring Loaw/Loaz, Maandelijkse verklaring Abw en Maandelijkse verklaring Abw 2001) van of vanwege de gemeente [gemeente], waarop telkens opgave moest worden gedaan (onder meer) van de leef- en woonomstandigheden en de inkomsten uit arbeid van verdachte en zijn partner en van de overige inkomsten van verdachte en zijn partner over de periode waarop dat formulier betrekking had, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte toen en daar telkens valselijk vermeld (zakelijk weergegeven), dat verdachte in de periode waarop dat formulier betrekking had, lagere inkomsten had genoten dan verdachte in werkelijkheid had genoten en verdachte minder uren had gewerkt dan verdachte in werkelijkheid had gewerkt en dat formulier telkens van een handtekening heeft voorzien, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende een periode van 22 maanden vrijwel dagelijks werkzaamheden verricht voor een restaurant en daaruit inkomsten verkregen. Verdachte ontving gedurende diezelfde periode een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet. De inkomsten die hij uit zijn werkzaamheden verkreeg heeft hij slechts ten dele opgegeven aan de hem die uitkering verstrekkende instantie. Nu verdachte opzettelijk heeft nagelaten de omvang van zijn betaalde activiteiten naar waarheid te vermelden op de formulieren die hij maandelijks diende in te vullen ten behoeve van de beoordeling van zijn recht op uitkering en de vaststelling van de hoogte daarvan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. De door hem verrichte werkzaamheden en verkregen inkomsten zouden, indien wèl vermeld, van invloed zijn geweest op de voortzetting van zijn uitkering dan wel op de hoogte daarvan. Verdachte heeft op die wijze een oneigenlijk gebruik gemaakt van het voorzieningenstelsel, dat een vangnet beoogt te zijn voor diegenen die niet (volledig) in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien.

Het hof heeft daarnaast gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 17 december 2008, waaruit blijkt dat verdachte, behoudens een met een geringe boete afgedaan economisch delict in 1998, niet eerder is veroordeeld. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat het bewezen verklaarde acht tot tien jaar geleden heeft plaatsgevonden en er derhalve sprake is van een zeer oud feit. Nadien is niet gebleken van enige veroordeling.

Gelet op het hiervoor overwogene, acht het hof het niet in de rede liggend om de advocaat-generaal te volgen in haar eis om verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Het hof is van oordeel dat volstaan kan worden met oplegging van een werkstraf van na te melden omvang, waarvan de tenuitvoerlegging thans in redelijkheid geen doel meer dient. Het hof zal de werkstraf daarom in voorwaardelijke vorm opleggen, daarbij mede in aanmerking nemend dat verdachtes financiële omstandigheden nog steeds tot zorg stemmen en het gevaar voor herhaling in dat licht niet denkbeeldig is.

Met betrekking tot de op te leggen voorwaardelijke werkstraf overweegt het hof het volgende. De inleidende dagvaarding tegen verdachte is uitgebracht vóór de invoering van de werkstraf als zelfstandige hoofdstraf. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij bereid is een werkstraf te verrichten. Aan de vereisten voor het opleggen van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte (OATAN) is derhalve voldaan. Aangezien de praktische uitvoering van deze straf niet meer aansluit bij de huidige praktijk, zal het hof de onbetaalde arbeid opleggen in de vorm van de huidige werkstraf. Verdachte is hierdoor niet in enig belang geschaad.

Ten slotte stelt het hof vast dat in deze zaak kan worden gesproken van een aan het openbaar ministerie te verwijten overschrijding van de redelijke termijn waar het gaat om de betekening van het vonnis aan verdachte. Uit het dossier blijkt niet dat het openbaar ministerie enige activiteit daartoe heeft ondernomen tussen de maand maart 2003 en november 2007, terwijl verdachte sinds februari 2005 beschikte over een GBA-adres in Nederland. Het hof volstaat met de constatering van deze schending, nu het reeds vergaande consequenties heeft verbonden aan de met de schending samenhangende ouderdom van de bewezen verklaarde feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 22c (oud), 22d, 57 (oud) en 225 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. S.J. van der Woude, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mrs. Lahuis en Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.