Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH4538

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
24-003074-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen. Documentatie op het gebied van brandstichting en andere delicten. Actueel voorlichtingsrapport bevat aanwijzingen voor positieve ontwikkelingen op tal van levensgebieden. Voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003074-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-885107-07

Arrest van 3 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 23 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2008 en 17 februari 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, waaraan de bijzondere voorwaarde dient te worden verbonden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen en voorschriften, te geven door de reclassering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte daarnaast een werkstraf zal opleggen van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2007 te [plaats], opzettelijk brand heeft gesticht op het trottoir van een flatgebouw gelegen aldaar aan de [straat], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk kunststofgedeelten die als steun dienen voor waarschuwingsborden en/of een rieten stoel in de brand gestoken althans een rieten stoel op een al brandende stapel gegooid, in elk geval opzettelijk(open) vuur in aanraking gebracht met kunststofgedeelten die als steun dienen voor waarschuwingsborden en/of een rieten stoel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die kunststofgedeelten en/of die rieten stoel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de nabijheid van de brandende stapel bevindende personenauto en/of vuilcontainers in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 23 mei 2007 te [plaats], op het trottoir van een flatgebouw gelegen aldaar aan de [straat], opzettelijk en wederrechtelijk kunststofgedeelten die als steun dienen voor waarschuwingsborden en/of een rieten stoel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Het hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat

hij op 23 mei 2007 te [plaats], opzettelijk brand heeft gesticht op het trottoir van een flatgebouw gelegen aldaar aan de [straat], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk kunststofgedeelten die als steun dienen voor waarschuwingsborden en een rieten stoel op een al brandende stapel gegooid, ten gevolge waarvan die kunststofgedeelten en die rieten stoel gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de nabijheid van de brandende stapel bevindende personenauto en vuilcontainers te duchten was;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting, met dien verstande dat hij een kennelijk reeds bestaande (kleine) brandhaard heeft aangewakkerd door daarop goederen te gooien. Uit het proces-verbaal van aanhouding komt naar voren dat de brandstapel nadien een omvang had van 2 bij 2,5 meter, dat de vlammen hoog zijn opgelaaid en zwarte rookwolken hebben veroorzaakt. Een en ander vond plaats op een trottoir in een woonwijk en in de directe nabijheid van een personenauto en een aantal vuilcontainers. Naast de aantasting van de openbare orde, was er sprake van een concreet gevaar voor die goederen.

Uit het de verdachte betreffend Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 17 december 2008 blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld, waarbij het met name ging om al dan niet gekwalificeerde vermogensdelicten. Verdachte heeft zich echter ook eenmaal eerder, in 2007, brandstichting. De politierechter heeft hem daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.

Naar het oordeel van het hof dient op grond van het vorenstaande in beginsel opnieuw een gevangenisstraf te worden opgelegd, conform het vonnis in eerste aanleg. De persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ontwikkelingen daarin, zoals naar voren gekomen ter terechtzitting van het hof van 8 oktober 2008, zijn voor het hof aanleiding geweest een actueel voorlichtingsrapport op te doen maken over de persoon van de verdachte en het onderzoek in afwachting daarvan te schorsen. Het hof beschikt thans over een door de reclassering van het Leger des Heils op 26 januari 2009 opgemaakt rapport. Daaruit komt onder meer naar voren dat verdachte een jeugd heeft gehad, die werd gekenmerkt door langdurige instabiliteit, mishandeling en onveiligheid. Deze problematische achtergrond heeft bij verdachte geleid tot middelengebruik, schulden, criminaliteit en weerstand tegen gezag. Uit de rapportage en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen leidt het hof af dat verdachte sinds september 2008 professionele hulp aanvaardt en verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Verdachte bewoont sedertdien - met begeleiding - een eigen woning. Voorts heeft hij een daginvulling in de vorm van vrijwilligerswerk bij een kringloopwinkel, waarbij uitzicht bestaat op een betaalde baan. Er is een bewindvoerder aangesteld, die verdachtes schulden saneert en hem een weekgeld verstrekt van € 35,-. Sinds het onderhavige feit is niet gebleken van nieuwe justitiecontacten. Naar het oordeel van het hof dienen deze positieve ontwikkelingen niet te worden doorkruist door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal het hof aan verdachte deze straf dan ook in voorwaardelijke vorm opleggen. Gelet op het ook door de reclassering geconstateerde recidivegevaar zal daaraan de bijzondere voorwaarde worden verbonden dat verdachte zijn hulpverleningscontacten voortzet, thans in een verplicht justitieel kader, en zich houdt aan de aanwijzigen en voorschriften zoals die zijn neergelegd in de hiervoor genoemde rapportage van het Leger des Heils.

Conform de vordering van de advocaat-generaal zal het hof verdachte daarnaast een werkstraf opleggen van na te melden duur.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c (oud), 22d en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. S.J. van der Woude en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mrs. Lahuis en Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.