Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH3884

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
200.011.033/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen door ex-echtgenoot door ten behoeve van andere echtgenoot aangeschafte aangepaste auto, buiten medeweten en zonder toesteming van die echtgenoot, te verkopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 3 februari 2009

Zaaknummer 200.011.033/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 10 juni 2008 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen, hierna te noemen: de voorzieningenrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 7 juli 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis. De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

bij arrest te vernietigen het vonnis in Kort Geding van de Voorzieningenrechter bij de Rechtbank Assen d.d. 10 juni 2008 tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende het in eerste aanleg door thans geïntimeerde gevorderde af te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten in beide instanties één en ander voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

Bij herstelexploot van 15 juli 2008 is [geïntimeerde] opgeroepen tegen de zitting van 6 augustus 2008.

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen waarvan de conclusie luidt:

dat de beslissing van de Voorzieningenrechter door Uw Hof dient te worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellant] alsnog dient te worden afgewezen dan wel dient [geïntimeerde] in haar vordering jegens [appellant] alsnog niet ontvankelijk te worden verklaard. Kosten rechtens.

Bij memorie van antwoord - waarin hier en daar delen van de tekst lijken te zijn weggevallen - is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

dat het Hof zal bekrachtigen het tussen partijen gewezen vonnis d.d. 10 juni 2008 van de Voorzieningenrechter van de rechtbank te Assen met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest en te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de ...

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Er zijn geen grieven geformuleerd tegen de weergave van de feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Tussen partijen staat het volgende vast.

1.1 Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Hun huwelijk is in 1989 door echtscheiding ontbonden. Na de echtscheiding hebben partijen nog geruime tijd een gezamenlijke huishouding gevoerd. Op 6 november 2007 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan.

1.2 [geïntimeerde] is als gevolg van een spierziekte gehandicapt en ontvangt een WAZ-uitkering.

1.3 Op 16 januari 2003 is een auto, merk Chrysler Grand Voyager met kenteken

[kenteken], bouwjaar 1996, aangeschaft voor een bedrag van € 8.200,--.

De aanschaf is ten dele bekostigd middels een daartoe door [geïntimeerde] van het Beatrixfonds ontvangen subsidie. Het kenteken van de auto is bij de aankoop op naam van [geïntimeerde] gesteld.

1.4 De auto heeft een grijs kenteken en is geschikt om de scootmobiel van [geïntimeerde] te vervoeren. Tevens heeft de auto een hoge instap en een extra grote contactsleutel, waarmee [geïntimeerde] de auto zelfstandig kan starten.

1.5 Na het uiteengaan van partijen heeft [appellant] de auto onder zich gehouden. Hij heeft geweigerd de auto aan [geïntimeerde] af te geven, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. [appellant] heeft de auto op 17 april 2008 aan een derde verkocht en de opbrengst onder zich gehouden.

Het geding in eerste aanleg

2. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de bodemrechter later zal oordelen dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door het kenteken van de auto zonder haar toestemming op zijn naam te zetten en de auto aan een derde te verkopen. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade lijdt als gevolg van de handelwijze van [appellant] aangezien zij tegen een hoge koopsom een andere geschikte auto zal moeten aanschaffen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter [appellant] veroordeeld om als voorschot op de vergoeding van [geïntimeerde]' schade een bedrag van € 4.100,-- te voldoen.

Ten aanzien van de grieven

3. Het hof zal de grieven I en II, die zich richten tegen het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] dientengevolge schade lijdt, gezamenlijk bespreken.

4. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat de auto in geen enkel opzicht was aangepast en dat het enige bijzondere daaraan was het grijze kenteken, waardoor er maar twee zitplaatsen beschikbaar waren, gaat het hof daaraan voorbij.

Als onweersproken staat immers vast dat [geïntimeerde] als gevolg van een spierziekte gehandicapt is en dat zij ten behoeve van de aanschaf van de auto - die over een hoge instap en een grote contactsleutel beschikt en ruimte biedt voor het vervoer van haar scootmobiel - een subsidie heeft ontvangen van het Beatrixfonds.

Daarmee staat genoegzaam vast dat de auto met het oog op de handicap van [geïntimeerde] is aangeschaft.

5. [appellant] heeft in voorts aangevoerd dat de auto deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en mitsdien aan beide partijen in eigendom toebehoorde.

6. Het hof acht die stelling onbegrijpelijk. Vast staat immers dat partijen reeds in 1989 zijn gescheiden, waardoor hun huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden. De auto, die in 2003 is aangeschaft, kan derhalve niet in de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen. Partijen zijn na de echtscheiding weliswaar blijven samenwonen, maar gesteld noch gebleken is dat er in die periode uit hoofde van bijvoorbeeld een samenlevingsovereenkomst sprake was van een gemeenschappelijk vermogen.

7. Vast staat dat de aankoopnota op naam van [geïntimeerde] was gesteld en dat de aanschaf van de auto te dele is bekostigd met een door het Beatrixfonds aan [geïntimeerde] verstrekte subsidie. Ook het kenteken van de auto was op naam van [geïntimeerde] gesteld. Het moet er daarom - in het kader van dit kort geding - vooralsnog voor worden gehouden dat de auto in eigendom aan [geïntimeerde] toebehoorde.

8. De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat hij een deel van de aankoopsom contant aan de garage heeft voldaan leidt niet tot een andere conclusie.

In het geval [appellant] een deel van de aankoopsom heeft betaald - hetgeen [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist - heeft [appellant] een vordering op [geïntimeerde] ter hoogte van dat bedrag. [appellant] heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de contante betaling waarover de heer Berkley van Winter Autocentrum BV Groningen in zijn verklaring van 1 september 2008 (productie 1 bij memorie van grieven) spreekt, afkomstig was uit het eigen vermogen van [appellant]. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt anderszins in de bekostiging van de aanschaf van de auto te hebben bijgedragen, zodat het hof verder aan die stelling voorbij zal gaan.

9. Het hof is met de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door de aan haar in eigendom toebehorende auto zonder haar toestemming te verkopen en de opbrengst onder zich te houden.

10. Het hof verwerpt het verweer van [appellant] dat hij tot verkoop genoodzaakt was om het negatieve saldo van de huwelijksgemeenschap te verkleinen en dat [geïntimeerde] dientengevolge geen schade heeft geleden.

Zoals hiervoor is overwogen, maakte de auto geen deel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Bovendien heeft [appellant] ook in hoger beroep nagelaten aan te geven welke huwelijksschulden hij - bijna 20 jaar na ontbinding van het huwelijk - zou hebben afgelost. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij andere gezamenlijke schulden heeft afgelost.

[geïntimeerde] heeft op haar beurt betwist dat er in 2008 nog sprake was van huwelijksschulden. Zij heeft voorts benadrukt dat de schulden die in de nahuwelijkse periode zijn ontstaan alle te hare laste zijn gekomen.

Daar komt bij dat [geïntimeerde] gezien haar handicap een bijzonder belang bij afgifte van de auto had, welk belang [appellant], die herhaaldelijk om afgifte was verzocht, willens en wetens heeft gefrustreerd, waardoor [geïntimeerde] genoodzaakt is een vervangende auto aan te schaffen.

11. Het hof onderschrijft dan ook het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellant] schade heeft geleden.

12. De grieven I en II falen.

13. Grief III richt zich tegen de toekenning door de voorzieningenrechter van een voorschot aan [geïntimeerde].

14. Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde], gezien haar handicap en gelet op haar bescheiden inkomen uit haar WAZ-uitkering, een spoedeisend belang heeft bij toekenning van een voorschot op de schadevergoeding. Het hof acht de hoogte van het toegekende voorschot redelijk en stelt vast dat [appellant] daartegen ook geen bezwaren heeft geformuleerd.

15. Ook grief III faalt.

Slotsom

16. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

Hoewel partijen gewezen echtelieden zijn, ziet het hof aanleiding in dit specifieke geval de kosten van het hoger beroep voor rekening van [appellant] te brengen. Het hof verwijst in dit verband nog naar hetgeen hiervoor is overwogen in r.o. 10.

De kosten van het hoger beroep worden wat het salaris voor de advocaat betreft begroot op € 632,-- (1 punt tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 10 juni 2008;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 300,-- aan verschotten en € 632,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

€ 227,25 aan verschotten en € 632,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. De Bock, voorzitter, Breemhaar en Onnes-Wind, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 3 februari 2009 in bijzijn van de griffier.