Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH3768

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
24-001794-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, nu verdachte in één van de in eerste aanleg gevoegde zaken niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof de straf in deze zaak bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Verdachte is voorts ter zake van overtreding van de artikelen 8, tweede lid, aanhef en onder a, en 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met name gezien verdachtes justitiële verleden, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001794-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-620809-07 en 19-621531-07

Arrest van 20 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 12 november 2007 in de oorspronkelijk onder de parketnummers

19-620809-07 en 19-621531-07 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. E.J.P. Cats, advocaat te Emmen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft een beslissing gegeven op het beslag, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel en ontvankelijkheid

Het hof stelt vast dat de inleidende dagvaarding in zaak A op de wettelijk voorgeschreven wijze, doch niet in persoon, aan verdachte is uitgereikt, terwijl de inleidende dagvaarding in zaak B aan verdachte in persoon is betekend. Verdachte is op 12 november 2007 - na voeging van beide strafzaken - bij verstek door de politierechter veroordeeld. De 'mededeling uitspraak' is op 7 juli 2008 aan verdachte in persoon betekend. Op 8 juli 2008 is verdachte in hoger beroep gekomen van het gehele vonnis.

Het hof is van oordeel dat verdachte in zijn hoger beroep moet worden ontvangen voor zover dit betrekking heeft op zaak A.

Het hof zal verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op zaak B, nu het vonnis van de politierechter voor wat betreft dit deel - gelet op de betekening in persoon van de inleidende dagvaarding - reeds op 26 november 2007 onherroepelijk is geworden en het hoger beroep daarom te laat is ingesteld.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen zaak B en dat het hof de straf in deze zaak zal bepalen op één maand gevangenisstraf, alsmede dat het hof de in beslag genomen auto zal verbeurd verklaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte ter zake het hem in zaak A ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A- als voor dit hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 mei 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 470 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op of omstreeks 8 mei 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], terwijl

hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten de daarin onder a,b,c,d en/of e vermelde categorie(en), ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [weg], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 mei 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 470 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op 8 mei 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor categorieën van motorrijtuigen, te weten de daarin onder a en b vermelde categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, de [weg], als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1: overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994;

onder 2: overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 8 mei 2007 schuldig gemaakt aan overtreding van

artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 door in een personenauto door [plaats] te rijden, terwijl hij (veel) meer alcohol had genuttigd dan voor de bestuurder van een dergelijk voertuig is toegestaan. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 door een personenauto te besturen, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Door aldus te handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 8 december 2008, waaruit blijkt dat verdachte reeds vele malen is veroordeeld ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten.

De ernst van de feiten, in samenhang bezien met verdachtes justitiële verleden, rechtvaardigen een gevangenisstraf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Met betrekking tot de door de politierechter in zaak B bewezen verklaarde feiten wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de straf bepaald zoals in het dictum vermeld.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9 (oud) en 176 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit gericht is tegen zaak B;

bepaalt de straf, aan verdachte bij voormeld vonnis opgelegd ter zake van de hem bij inleidende dagvaarding in zaak B ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten op:

een gevangenisstraf voor de duur van één maand;

verklaart verbeurd de inbeslaggenomen auto;

verklaart het verdachte in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. K. Lahuis, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Lahuis en mr. Keekstra voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.