Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH3107

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
107.001.700/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding; geen gedeeltelijke ontbinding; ongedaanmakingsverbintenissen over en weer; gevolg vergelijkbaar met gedeeltelijke ontbinding. Ambtelijke aanvulling rechtsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 januari 2009

Zaaknummer 107.001.700/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Stichting Down's Syndroom,

gevestigd te Meppel,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: SDS,

advocaat: mr. I.P.M. Boelens, kantoorhoudende te Zeist,

tegen

Hey-Day Nederland BV,

wonende te Oegstgeest,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Hey-Day,

advocaat: mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr P.A. Koningh, advocaat te Maarsen.

Het verdere procesverloop

De inhoud van het tussenarrest d.d. 4 juni 2008 wordt hier overgenomen.

Na het tussenarrest heeft Hey-Day een akte uitlating genomen, tevens houdende wijziging van eis, waarop SDS bij akte heeft geantwoord. Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Naamgeving Hey Day

Het hof gaat voorbij aan de vermelding van 'Corinthe Executive Interim Management B.V. (voorheen Hey Day B.V.)' in de kop van de akte van 9 september 2008, nu niet wordt toegelicht of hier sprake is van naamswijziging of rechtsopvolging.

Uitgangspunten

1. In zijn tussenarrest van 4 juni 2008 heeft het hof geconcludeerd dat slechts de werkzaamheden die [betrokkene] tot 15 juni 2004 heeft verricht aan de overeenkomst hebben beantwoord en dat de vordering van SDS strekkende tot ongedaanmaking in beginsel kan worden verrekend met een vordering van Hey-Day tot ongedaanmaking. De zaak is naar de rol verwezen teneinde partijen alsnog in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

Het beroep op verrekening (vergoeding over de periode tot 15 juni 2004)

2. Hey-Day heeft zich thans (deels) beroepen op verrekening van de hiervoor bedoelde ongedaanmakingsverbintenissen en heeft (voor het overige) veroordeling tot nakoming daarvan gevorderd. SDS heeft zich daartegen verweerd door te betogen dat het hof is uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Volgens haar dient de vergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 6:272 lid 2 BW te worden beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor haar werkelijk heeft gehad. Zulks ten onrechte: het hof heeft reeds overwogen - en handhaaft dat oordeel - dat de prestatie tot 15 juni 2004 wel aan de verbintenis heeft beantwoord. In dat geval geldt de maatstaf van het eerste lid van het genoemde artikel. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dan de waarde moet worden vergoed die normaal in het economische leven aan de prestatie wordt toegekend (zie parlementaire geschiedenis, blz. 818-819 en 1031). Deze objectieve waarde komt veelal overeen met de contractsprijs. SDS betoogt dat daarvan in haar geval niet kan worden uitgegaan omdat de kern van de prestatie van Hey-Day was gelegen in het veranderingsproces. De prestatie van [betrokkene] zou daaraan volgens haar over de gehele periode getoetst moeten worden. In haar redenering zou dat tot de conclusie leiden dat de verbintenis nimmer aan de overeenkomst heeft voldaan. Het hof kan SDS in die redenering niet volgen en kan slechts herhalen wat het hieromtrent in het tussenarrest al heeft overwogen. Kort gezegd kwamen die overwegingen erop neer dat de wijze van optreden van [betrokkene], die bij zijn aantreden een ernstige crisistoestand aantrof, aanvankelijk voldeed. Dat gold niet alleen voor de wijze waarop hij tot medio juni 2004 met de individuele bestuursleden is omgegaan, maar ook voor de wijze waarop hij heeft gepoogd aan de door het gehele bestuur aanvankelijk ondersteunde plannen tot transformatie van SDS vorm te geven. Het bestuur heeft unaniem ingestemd met het door [betrokkene] opgestelde plan van aanpak, waarin de transformatie van SDS centraal stond. De wijze waarop hij daar invulling aan heeft gegeven, is voor de bestuurders telkens aanleiding geweest tot verlenging van de opdracht. Daarbij dient te worden bedacht dat zich in de loop van de tijd andere prioriteiten hebben aangediend dan in eerste instantie voorzienbaar was.

3. Voorts voert SDS aan dat het door Hey-Day gehanteerde tarief niet tot maatstaf moet dienen, maar het salaris dat thans door de bureaumanager wordt verdiend voor de werkzaamheden die [betrokkene] voordien verrichtte, althans 80% van het door hem ([betrokkene]) gehanteerde tarief (zoals Hey-Day ook voor de periode na 15 juni 2004 tot uitgangspunt neemt). Opnieuw ziet het hof niet in dat thans moet worden uitgegaan van een andere financiële afweging dan die welke partijen indertijd zelf hebben gemaakt; met Hey-Day is overeengekomen dat [betrokkene] zijn werkzaamheden op uurbasis zou declareren. Anders dan de huidige medewerker van SDS is [betrokkene] niet bij haar in dienst getreden, maar heeft hij - telkens voor beperkte periodes, met de bijbehorende risico's en de afwezigheid van aan een dienstverband verbonden zekerheden - in opdracht gewerkt. Ook het door SDS opgevoerde percentage (80%) heeft in dit verband geen enkele betekenis; het is ontleend aan hetgeen Hey-Day heeft opgemerkt ten aanzien van de na 15 juni 2004 verrichte werkzaamheden, die het hof wel als ondeugdelijk heeft gekwalificeerd.

4. Het hof ziet dan ook geen reden in het voorliggende geval van het hiervoor geschetste uitgangspunt af te wijken.

De vordering van Hey-Day (vergoeding over de periode na 15 juni 2004)

5. De oorspronkelijk conventionele vordering van Hey-Day strekte tot nakoming. Na het tussenarrest heeft Hey-Day de grondslag van haar vordering aangevuld. Zij vordert nu (subsidiair) bij wijze van ongedaanmaking van de door haar na 15 juni 2004 verrichte werkzaamheden € 42.483,= (80% van de gefactureerde bedragen).

6. Ook hier handhaaft het hof hetgeen in het tussenarrest al werd overwogen. Kort gezegd: gegeven haar taak de overeenkomst naar de eisen van goed vakmanschap uit te voeren, is Hey-Day in ieder geval vanaf medio juni 2004 niet op een juiste wijze omgegaan met de innerlijke verdeeldheid die het tweede kwartaal van 2004 in verhevigde mate de kop opstak en voortwoekerde. In het licht van al hetgeen in dat verband is overwogen en door Hey-Day is aangevoerd, en gelet ook op artikel 6:272-2 BW, kan aan de na 15 juni 2004 door [betrokkene] verrichte werkzaamheden voor SDS geen waarde worden toegekend. Ten overvloede voegt het hof daar het volgende aan toe.

7. Indien Hey-Day al gevolgd zou worden in haar redenering dat - ondanks de door het hof vastgestelde gebrekkigheid van essentiële aspecten van de geleverde prestatie - toch waarde dient te worden toegekend aan niet essentiële aspecten daarvan, zou moeten worden geconcludeerd dat zij onvoldoende concreet heeft aangevoerd welke tijdsbesteding daarmee gemoeid is geweest, en welke bedragen aldus aan die werkzaamheden kunnen worden toegerekend. Het had in deze stand van de procedure op de weg van Hey-Day gelegen om het hof hierin enig inzicht te verschaffen.

8. De conclusie luidt dat Hey-Day per saldo niet (bij wijze van ongedaanmaking) hoeft te restitueren hetgeen SDS reeds voor de aanvang van de procedure had voldaan (de facturen tot 8 juni 2004); dat (bij wijze van ongedaanmaking) de vordering van Hey-Day tot voldoening van zijn onbetaalde facturen toewijsbaar is voor zover die zien op werkzaamheden tot 15 juni 2004, en dat de vordering van Hey-Day wordt afgewezen voor zover die betrekking heeft op werkzaamheden die nadien zijn verricht. Een en ander is in overeenstemming met het beroepen vonnis van 13 april 2005, zodat dat onder verbetering van gronden overwegend zal worden bekrachtigd.

De door Hey-Day gevorderde buitengerechtelijke kosten

9. Incidentele grief 4 heeft geen bijzondere betekenis, behoudens voor zover deze is gericht tegen de afwijzing in reconventie van de vordering van Hey-Day ter zake van de buitengerechtelijke kosten. Het hof leest in deze grief en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt dat over. Incidentele grief 3 behoeft in het licht van al het voorgaande evenmin nog nadere bespreking.

Bewijsaanbod

10. SDS heeft het eerder gedane bewijsaanbod herhaald zonder dat nader te specificeren. Het hof gaat daaraan voorbij op grond van de in het tussenarrest al gegeven overwegingen.

De slotsom

11. Het vonnis waarvan beroep dient met verbetering van de gronden te worden bekrachtigd voor zover dat in conventie is gewezen, de proceskostenveroordeling inbegrepen. De tegen dat laatste gerichte principale grief VI faalt op grond van hetgeen de rechtbank omtrent de proceskosten reeds heeft overwogen. De beslissing ten aanzien van de oorspronkelijk reconventionele vordering dient slechts te worden vernietigd voor zover de managementovereenkomst met ingang van 15 juni 2004 is ontbonden. Voor het overige dient ook die beslissing te worden bekrachtigd, de compensatie van de proceskosten inbegrepen. De restitutievordering van SDS wordt afgewezen. Nu partijen in hoger beroep over en weer in ongeveer gelijke mate (respectievelijk in het principaal en in het incidenteel appel) in het ongelijk zullen worden gesteld, dient iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep te dragen.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal en in het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van 13 april 2005 waarvan beroep voor zover daarin in reconventie de managementovereenkomst tussen partijen d.d. 5 november 2003 met ingang van 15 juni 2004 is ontbonden, en opnieuw rechtdoende:

ontbindt de managementovereenkomst tussen partijen zoals die is overeengekomen op 5 november 2003 en daarna drie maal is verlengd;

bekrachtigt het vonnis van 13 april 2005 waarvan beroep voor het overige;

wijst af de vordering van SDS tot terugbetaling van hetgeen zij krachtens het veroordelende vonnis van de rechtbank Assen heeft betaald, de nevenvorderingen inbegrepen;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep zal dragen.

Aldus gewezen door mrs. Zandbergen, voorzitter, Janse en Schepen, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 27 januari 2009 in bijzijn van de griffier.