Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH3062

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
24-000582-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

feit 1 primair: poging tot doodslag

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

feit 2: opzettelijk 2675 gram hennep aanwezig hebben

feit 3: een gaswapenstok (cat. II) voorhanden hebben

- PR.: t.z.v. de feiten 1 primair, 2 en 3: 7 maanden gevangenisstraf;

- appel verdachte;

- AG: t.z.v. de feiten 1 primair, 2 en 3: 15 maanden gevangenisstraf;

- Hof:

- vrijspraak van de feiten 1 primair en subsidiair (overtuiging ontbreekt);

- veroordeling t.z.v. de feiten 2 en 3: 80 uren werkstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis;

- overschrijding van de redelijke termijn met ruim 11 maanden in de fase van berechting

in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000582-06

Parketnummer eerste aanleg: 17-786094-05

Arrest van 17 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de

rechtbank Leeuwarden van 10 maart 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 12 september 2006, 13 maart 2007, 16 augustus 2007, 20 november 2007 en 3 februari 2009, alsmede op het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 15 maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2004, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, een persoon genaamd [naam], van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen (meermalen) een kogel heeft geschoten in de richting van het hoofd en/of lichaam van die (in een auto zittende) [naam] en/of (daarbij) die [naam] een kogel in diens been heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 12 augustus 2004, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een vuurwapen (meermalen) een kogel heeft geschoten in de richting van het hoofd en/of lichaam van die (in een auto zittende) [naam] en/of (daarbij) die [naam] een kogel in diens been heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 31 mei 2005, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2675 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 31 mei 2005, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], een gaswapenstok, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6º, voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak

Het hof acht niet overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 31 mei 2005, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad 2675 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 31 mei 2005, te [plaats], in de gemeente [gemeente], een gaswapenstok, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6º, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

onder 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte heeft henneptoppen aanwezig gehad. Na weging bleken deze 2675 gram hennep te bevatten. Het gebruik van deze drugs is bedreigend voor de volksgezondheid. Voorts heeft verdachte een gaswapenstok voorhanden gehad. Het bezit van een dergelijk wapen is verboden, omdat zij een onaanvaardbaar risico voor de samenleving oplevert.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de oplegging van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, niet alleen gerechtvaardigd, maar ook passend en geboden. Het hof zal die straf dan ook aan verdachte opleggen.

De redelijke termijn van berechting van het onder 2 en 3 ten laste gelegde ving aan op 31 mei 2005 (eerste verhoor van verdachte). Het eindvonnis in eerste aanleg is gewezen op 10 maart 2006. Op 10 maart 2006 is het rechtsmiddel van hoger beroep ingesteld. Nu het hof in deze zaak op 17 februari 2009 arrest wijst, is de berechting in hoger beroep niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld afgerond met een einduitspraak. De behandeling van de zaak in hoger beroep is een aantal keren aangehouden teneinde getuigen ter terechtzitting te kunnen horen. Ter terechtzitting van 20 november 2007 is de behandeling aangehouden teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen naar meineed. Gelet op het tijdsverloop heeft het hof het openbaar ministerie ter terechtzitting van 20 november 2007 verzocht de onderzoeken in de meineedprocedures met voortvarendheid ter hand te nemen en op korte termijn een nieuwe zittingsdatum voor de nadere behandeling van de aangehouden strafzaak te plannen. Het hof constateert dat de onderzoeken in de meineedprocedures niet voortvarend ter hand zijn genomen en de behandeling van de zaak in hoger beroep daardoor langer heeft geduurd dan wenselijk is. Nu het hof een taakstraf in de vorm van een werkstraf zal opleggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel minder beloopt dan 100 uren, volstaat het hof met de constatering van de onwenselijk lange duur van behandeling van de zaak in hoger beroep.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c (oud), 22d, 57 (oud) en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 (oud) van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Dam, voorzitter, mr. Hielkema en mr. Van Haastert, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Van Haastert voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.