Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2982

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2009
Datum publicatie
16-02-2009
Zaaknummer
24-001478-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een werkstraf van honderd uren, waarvan zestig uren voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001478-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-081037-02

Arrest van 16 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 3 juni 2004 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 augustus 2002, in de [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 augustus 2002, in de [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen heeft geslagen en geschopt en getrapt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 7 augustus 2002 schuldig gemaakt aan het opzettelijk mishandelen van zijn vriendin [slachtoffer]. Verdachte heeft zijn vriendin meerdere malen met geschoeide voet getrapt, geschopt en geslagen. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer].

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 2 december 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Het hof acht gelet op deze feiten en omstandigheden de opgelegde straf in eerste aanleg en de eis van de advocaat-generaal, inhoudende de oplegging van een werkstraf van 100 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk, passend en geboden.

Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM overweegt het hof het volgende. De politierechter heeft op 3 juni 2004 vonnis gewezen. Op 27 juli 2004 is getracht het afschrift aan verdachte in persoon uit te reiken. Het afschrift is echter uitgereikt aan de vriendin van verdachte, te weten [slachtoffer]. Vervolgens is pas op 24 mei 2008 het afschrift van dat vonnis aan verdachte in persoon uitgereikt. Uit het dossier blijkt niet dat er tussen 27 juli 2004 en 24 mei 2008 door het openbaar ministerie nadere pogingen zijn ondernomen om de mededeling uitspraak aan verdachte in persoon te betekenen, terwijl het adres van verdachte gedurende deze periode bij de gemeentelijke basisadministratie bekend was.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat onvoldoende voortvarendheid is betracht bij het betekenen van de mededeling van de uitspraak aan de verdachte. Immers, het openbaar ministerie heeft niet tenminste éénmaal per jaar geprobeerd de mededeling uitspraak te betekenen, zodat er sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358). Nu de op te leggen (onvoorwaardelijke) taakstraf minder dan 100 uren beloopt, is de geconstateerde verdragsschending echter voldoende gecompenseerd door de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. Een vermindering van de op te leggen straf blijft daarom achterwege.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 22c (oud), 22d, 63 (oud) en 300 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot zestig uren, subsidiair dertig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. L.T. Wemes en

mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.