Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2572

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
107.002.553/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP6588, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP6588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over grafrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 10 februari 2009

Zaaknummer 107.002.553/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.H. van der Meulen, kantoorhoudende te Joure,

tegen

1. Parochie van de Heilige Nicolaas,

gevestigd te Sint Nicolaasga,

hierna te noemen: de Parochie,

2. Beheers- en Participatiemaatschappij Haska B.V.,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen: Haska,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

advocaat: mr. S.A. Roodhof, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. R.C.J.E. de Nereé tot Babberich, advocaat te Arnhem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 19 december 2007 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 12 maart 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van geïntimeerden tegen de zitting van 9 april 2008.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"het vonnis, gewezen door de rechtbank Leeuwarden op 19 december 2007 in de procedure tussen appellant als eiser en geïntimeerden als gedaagden (zaak-/rolnummer: 78530/HA ZA 06-781) te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

PETITUM IN HOGER BEROEP:

1. Te verklaren voor recht dat Beheers- en Participatiemaatschappij Haska BV onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellant, [appellant], door buiten hem, [appellant], om de overeenkomst, bedoeld in het fundamentum petendi van de inleidende dagvaarding d.d. 20 september 2006, sub 10, met de Parochie van de Heilige Nicolaas aan te gaan.

2. Te verklaren voor recht dat geïntimeerde sub 1, de Parochie van de Heilige Nicolaas, onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellant, [appellant], door de overeenkomst, bedoeld in het fundamentum petendi van de inleidende dagvaarding d.d. 20 september 2006, sub 10, met Beheers- en Participatiemaatschappij Haska BV aan te gaan.

Subsidiair

Te verklaren voor recht dat de Parochie van de Heilige Nicolaas onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellant, [appellant], door in of omstreeks oktober 2005 ten onrechte aan geïntimeerde sub 2, Beheers- en Participatiemaatschappij Haska BV, voor te spiegelen dat de moeder van [appellant] niet begraven kon worden in lijn [letter 1 ], naast het graf van de vader van [appellant], en dusdoende Beheers- en Participatiemaatschappij Haska BV te bewegen tot het aangaan van de overeenkomst als bedoeld in het fundamentum petendi van de inleidende dagvaarding, sub 10.

3. Zowel geïntimeerde sub 1 als geïntimeerde sub 2 te verbieden uitvoering te geven aan de door hen op of omstreeks 5 oktober 2005 gesloten overeenkomst, en mitsdien zowel geïntimeerde sub 1 als geïntimeerde sub 2 te verbieden de voorgenomen opgraving en herbegraving van de stoffelijke resten van [vader van appellant] (overleden [datum 1] 1986) en van [zusje van appellant] (overleden [datum 2] 1948) uit te voeren of te doen uitvoeren.

4. Geïntimeerde sub 1 te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere overtreding van het verbod onder sub 3 bedoeld.

5. Geïntimeerde sub 2 te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere overtreding van het verbod onder sub 3 bedoeld.

6. Geïntimeerde sub 1 en geïntimeerde sub 2 te veroordelen om, met inachtneming van een termijn van grafrust van tien jaren, derhalve (niet eerder dan) ultimo februari 2016, de burgemeester van de gemeente Skarsterlân, althans de ingevolge de Wet op de Lijkbezorging (alsdan) bevoegde autoriteit, vergunning te vragen als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging, tot opgraving van de stoffelijke resten van mevrouw [de moeder van appellant] (overleden [datum 3] 2006), en herbegraving van die stoffelijke resten in lijn [letter 1 ] noord [nummer 1 ] op de begraafplaats van de Parochie van de Heilige Nicolaas, derhalve naast het graf van de heer [de vader van appellant] (overleden [datum 1] 1986) en geïntimeerden sub 1 en sub 2 te veroordelen tot het verlenen van toestemming, als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging, tot voormelde opgraving en herbegraving, onmiddellijk nadat voormelde vergunning onherroepelijk zal zijn geworden en gedaagde sub 1 en 2 te veroordelen tot het uitvoeren of doen uitvoeren van deze opgraving en herbegraving onmiddellijk nadat zij voormelde toestemming gegeven hebben.

7. Geïntimeerde sub 1 te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag dat geïntimeerde sub 1 nalatig is het gebod sub 6 uit te voeren.

8. Geïntimeerde sub 2 te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag dat geïntimeerde sub 2 nalatig is het gebod sub 6 uit te voeren.

9. Het arrest sub 3 t/m 8 uitvoerbaar bij voorraad te veklaren.

10. Geïntimeerde sub 1 en 2 te veroordelen (hoofdelijk) tot betaling aan appellant van de aan appellants zijde gevallen kosten van de procedure in beide instantiën, waaronder begrepen de kosten van executie en deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren."

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door geïntimeerden verweer gevoerd met als conclusie:

"Het Gerechtshof de door appellant tegen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 19 december 2007 aangevoerde grieven dient te verwerpen en dat vonnis in zijn geheel in stand behoort te laten onder afwijzing van al hetgeen door appellant in hoger beroep is gevorderd met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van appellant in de kosten van de procedure in beide instanties, daaronder begrepen de kosten van executie."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Tenslotte hebben geïntimeerden de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

Eiswijziging

1. De eis in hoger beroep is gewijzig ten opzichte van de eis in eerste aanleg. Tegen deze eiswijziging hebben Haska en de Parochie geen bezwaar gemaakt, terwijl het hof de eiswijziging ook niet strijdig oordeelt met de beginselen van een goede procesorde. Derhalve zal recht gedaan worden op de gewijzigde eis, zoals hiervoor weergegeven onder "Het geding in hoger beroep".

De vaststaande feiten

2. De rechtbank heeft in het vonnis van 19 december 2007 onder 2 (2.1 tot en met 2.7) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, behoudens voor zover met grief I bezwaar is gemaakt tegen de laatste volzin van rechtsoverweging 2.1. Haska en de Parochie hebben naar aanleiding daarvan erkend dat het graf van [de vader van appellant] niet langer is voorzien van een liggende steen. Met in achtneming daarvan staan, voorzover van belang, tussen partijen thans de navolgende feiten vast.

2.1. [de vader van appellant] (hierna: de vader), overleden in maart 1986, is begraven op de RK Begraafplaats te Sint Nicolaasga (hierna: de begraafplaats), naast zijn dochter [zusje van appellant] (hierna: het zusje) die op [datum 2 ] 1948 is overleden. Hun graven bevinden zich op lijn [letter 1 ] noord van de begraafplaats, grafnummers [nummer 2 ] en [nummer 3 ].

2.2. De echtgenote van de vader, mevrouw [de moeder van appellant] (hierna: de moeder), is overleden op [datum 3] 2006 en is begraven op de begraafplaats op lijn [letter 2 ] noord, grafnummer [nummer 4 ].

2.3. De moeder heeft voor haar overlijden te kennen gegeven dat zij naast de vader begraven wil liggen.

2.4. Op de begraafplaats liggen nog verschillende andere leden van de familie [achternaam appellant] begraven.

2.5. Haska is een participatiemaatschappij waarin de nalatenschap van de vader is ondergebracht en die voor de broers en zusters van [appellant] onder meer de belangen beheert uit de verkoop van de Douwe-Egberts bedrijven. Haska heeft zich gedragen als rechthebbende op de grafrechten van de familie [achternaam appellant] op de begraafplaats. Beide bestuurders van Haska, [naam 1 ] en [naam 2 ], zijn broers van [appellant].

2.6. De Parochie heeft in 2004 en 2005 met Haska gecorrespondeerd over de verlenging van de grafrechten van de leden van de familie [achternaam appellant ], die op de begraafplaats begraven liggen.

2.7. Haska (vertegenwoordigd door [naam 1 ]) is met de Parochie op 5 oktober 2005 een overeenkomst aangegaan (hierna: de overeenkomst) waarin, naast de vastlegging van een aantal andere afspraken inzake de graven ten behoeve van de familie [achternaam appellant], onder meer de volgende clausule is opgenomen:

- De heer [naam 1] geeft toestemming voor het verplaatsen van de graven van [zusje van appellant ] en [de vader van appellant]. Het graf van [zusje van appellant ] wordt achter het graf van [naam 3 ] geplaatst (naast het pad). Daarnaast komt het dubbele graf waarnaartoe het graf van de heer [de vader van appellant] wordt verplaatst en waarin t.z.t. bijzetting van zijn echtgenote zal plaatsvinden. Vervolgens resteert er aansluitend nog één graf in de lijn, welke door familie [achternaam appellant] wordt gereserveerd (conform het kerkhofreglement per 01-01-2006).

2.8. Alle nog levende broers en zusters van [appellant] hebben een verklaring ondertekend waarin zij instemmen met herbegraving van de vader en het zusje naast de moeder.

De bespreking van de vorderingen

3. De hierboven weergegeven vorderingen 3 tot en met 8 strekken ertoe Haska en de Parochie op straffe van verbeurte van dwangsommen te gebieden om vanaf eind februari 2016 de stoffelijke resten van de moeder te herbegraven in lijn [letter 1 ] noord [nummer 1 ] naast die van de vader en om Haska en de Parochie te verbieden conform de overeenkomst de stoffelijke resten van de vader en die van het zusje te herbegraven naast het graf van de moeder.

4. Deze vorderingen zijn gebaseerd op de stelling van [appellant] dat Haska en de Parochie door het aangaan van de overeenkomst onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld.

5. Het hof stelt voorop dat zeven van de acht in leven zijnde kinderen als hun wens te kennen hebben gegeven dat de vader en het zusje naast de moeder worden herbegraven. Tevens staat vast dat de wens van de moeder om naast de vader begraven te liggen daarmee in zoverre wordt gerespecteerd. Onder die omstandigheden ziet het hof niet in hoe de onderhavige vorderingen toewijsbaar zouden kunnen zijn, ongeacht hoe het antwoord luidt op de vraag of Haska ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en thans de rechthebbende was en is op de in het geding zijnde grafrechten. De door [appellant] verdedigde stelling dat Haska en de Parochie bij het aangaan van de overeenkomst onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld vormt, wat er zij van de juistheid van die stelling, thans geen rechtvaardiging om de voorkeur van de grootst denkbare meerderheid van de kinderen te laten wijken voor de persoonlijke voorkeur van [appellant]. Voor zover [appellant] heeft doen betogen dat zijn broers en zusters mogelijk in 2005 anders hadden geoordeeld indien zij toentertijd waren betrokken geweest bij de te maken keuzes en hadden geweten dat - zoals door [appellant] is gesteld en door Haska en de Parochie betwist - Haska jegens de Parochie aanspraak had kunnen maken op de grafruimte in lijn [letter 1 ] noord, grafnummer [nummer 1 ] ten behoeve van de moeder, volgt het hof dit betoog niet. Bedoeld betoog gaat er immers aan voorbij dat ná het sluiten van de overeenkomst een nieuwe feitelijke toestand is ingetreden doordat de moeder is overleden en is begraven op de plaats waar zij thans rust en dat zeven van de acht kinderen, uitgaande van díe feitelijke constellatie, er thans de voorkeur aan geven de vader en het zusje te herbegraven naast de moeder. Het vorenstaande klemt temeer nu [appellant] zelf telkens heeft benadrukt dat kwesties als de onderhavige door de familieleden in de eerste graad beslist moeten worden (vergelijk pleinota mr. van der Meulen sub 6.4).

6. Ten aanzien van de hierboven weergegeven onder 1 en 2 gevorderde verklaringen voor recht overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft, afgezien van zijn hiervoor niet toewijsbaar gebleken gebods- en verbodsactie, niet aangegeven welke (rechts)gevolgen hij verbonden wenst te zien aan deze verklaringen voor recht. Zo is gesteld noch gebleken dat [appellant] schade in de zin van artikel 6: 95 BW heeft geleden als gevolg van het gestelde onrechtmatige handelen. Evenmin is anderszins gesteld of aannemelijk geworden dat [appellant] bij deze vorderingen, afzonderlijk bezien, een voldoende belang heeft in de zin van artikel 3: 303 BW. Mitsdien zijn ook deze vorderingen niet toewijsbaar.

7. De vorderingen onder 9 en 10 delen het lot van de overige vorderingen.

8. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen belang bij verdere bespreking van de grieven. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt als niet ter zake dienende gepasseerd.

9. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep (wat betreft het te liquideren salaris van de advocaat aan de zijde van Haska en de Parochie: 3 punten in tarief II), waarbij het hof aantekent dat voor Haska en de Parochie dezelfde advocaat is opgetreden, hun memories elkaar overlappen en namens hen één pleitnota is overgelegd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Haska en de Parochie op € 303,-- aan verschotten en

€ 2.682,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Janse en Willems, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 februari 2009 in bijzijn van de griffier.