Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2402

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
24-002509-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Door de verdediging is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu er diverse onderzoekshandelingen, die verdachte hadden kunnen ontlasten achterwege zijn gebleven en ook niet meer kunnen worden verricht. Het hof verwerpt dit beroep, overwegende dat de officier van justitie belast is met de leiding over het onderzoek en daarbij keuzes maakt. De door de raadsvrouw bedoelde onderzoeken waren onder de gegeven omstandigheden niet dringend vereist. Voorts had de verdediging daarin zelf het initiatief kunnen nemen, hetzij via de weg van een mini-instructie, hetzij door middel van een daartoe strekkend verzoek aan de met de zaak belaste officier van justitie.

Naar het oordeel van het hof heeft enige omstandigheid als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering zich niet voorgedaan en er kan aldus geen sprake zijn van de door de raadsvrouw verzochte sanctie.

2. Poging tot doodslag. Verdachte ontkent elke betrokkenheid. Bewijsverweren door het hof verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002509-07

Parketnummer eerste aanleg: 18-670547-06

Arrest van 10 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 2 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en voor het onder 2 primair ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot straffen, beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard, geen hoger beroep te hebben willen instellen tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof zal het hoger beroep aldus beperkt opvatten, in die zin dat verdachte in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dat geldt evenzeer voor de vordering tot tenuitvoerlegging van de verdachte op 26 april 2004 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van twee maanden, nu deze vordering in eerste aanleg werd afgewezen en verdachte heeft verklaard dat zijn hoger beroep niet tegen die afwijzing is gericht.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het onder 2 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 223 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal oplegging van 240 uren werkstraf, subsidiair 120 dagen gevangenisstraf, gevorderd, alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 719,93, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van deze benadeelde partij in het overige deel van zijn vordering. Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, nu verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de raadsvrouw van verdachte is betoogd dat in het voorbereidend onderzoek op een tweetal punten zodanig onzorgvuldig is gehandeld, dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsvrouw heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte tijdens zijn verhoren namen heeft genoemd van een drietal personen, die zouden kunnen bevestigen dat hij zich ten tijde van de verweten gedragingen op de [straat 1] elders bevond en hij derhalve beschikte over een alibi. De politie heeft echter verzuimd deze personen te horen. Toen zij in mei 2007, een half jaar na het incident, alsnog door de rechter-commissaris werden gehoord, was cruciale - ontlastende - informatie voor een groot deel door tijdsverloop verloren gegaan.

In de tweede plaats heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat er weliswaar een fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden, maar niet een waarbij (ook) een foto van verdachte werd getoond. Kennelijk was de politie zodanig overtuigd van de betrokkenheid van verdachte dat dit achterwege is gebleven. Dit verzuim kon bij de rechter-commissaris niet meer worden hersteld. De beide aangevers hebben toen aangegeven niet meer in staat te zijn, eveneens door tijdsverloop, tot persoonsherkenning. Door het vorenstaande zijn vormen verzuimd, die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken. Mede gelet op het daardoor voor verdachte ontstane nadeel, dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Verdachte werd op 25 oktober 2006 aangehouden en in verzekering gesteld. Hij had van meet af aan de beschikking over rechtsbijstand. Vóór 2 november 2006 is verdachte drie keer (uitvoerig) gehoord. Eerst tijdens zijn verhoor op 2 november 2006 heeft verdachte expliciet de naam en het adres van zijn ex-vriendin genoemd, die zou kunnen bevestigen dat hij zich op één van de relevante tijdstippen in de nacht van 7 op 8 oktober 2006 in coffeeshop [naam 1] bevond. Hij heeft tijdens dat verhoor, ruim een week na zijn inverzekeringstelling, ook voor het eerst melding gemaakt van het feit dat zijn vriendin in de garderobe van [naam 2] werkt, een horecagelegenheid, waarnaar hij zich na zijn bezoek aan [naam 1] zou hebben begeven.

De officier van justitie is belast met de leiding over het opsporingsonderzoek en maakt daarbij keuzes. De officier van justitie heeft niet de verplichting al hetgeen zich daarbij voordoet eigener beweging na te trekken. Indien de verdediging de mening was toegedaan dat ondersteunende informatie voor het door verdachte gestelde alibi nader onderzocht diende te worden, dan had de toenmalige raadsman en vervolgens de huidige raadsvrouw daartoe een verzoek kunnen doen, hetzij via de weg van een mini-instructie, hetzij door middel van een daartoe strekkend verzoek aan de met de zaak belaste officier van justitie.

Naar het oordeel van het hof geldt dit evenzeer voor hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht met betrekking tot de fotoconfrontatie. Het had wellicht de volledigheid gediend, indien ook een foto van verdachte aan aangevers was getoond. Een dergelijk onderzoek was echter onder de gegeven omstandigheden - de expliciete verklaringen van onder meer de aangevers over de betrokkenheid van verdachte - niet dwingend vereist. Ook hier geldt dat de verdediging in die fase van het onderzoek geen gebruik heeft gemaakt van de ter beschikking staande mogelijkheden om de gewenste fotoherkenning te bewerkstelligen.

Vorenstaande brengt met zich dat het hof van oordeel is dat enige omstandigheid als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering zich niet heeft voorgedaan en er aldus geen sprake kan zijn van de door de raadsvrouw verzochte sanctie.

Tenlastelegging

2.

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (plotseling en/of onverhoeds en/of met kracht)

- met een of meer (kapotte) flessen, althans een hard(e) en/of puntige/scherpe voorwerp(en),

meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of in/tegen

het gezicht en/of het lichaam heeft gestompt, geslagen, getrapt en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgekomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (plotseling en/of onverhoeds en/of met kracht)

- met een of meer (kapotte) flessen, althans een hard(e) en/of puntig(e)/scherpe voorwerp(en),

meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of in/tegen het

gezicht en/of het lichaam heeft gestompt, geslagen, getrapt en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 07 oktober 2006 in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, aan of nabij de [straat 1], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het (plotseling en/of onverhoeds en/of met kracht)

- meermalen, althans eenmaal, met een of meer (kapotte) flessen, althans (een) hard(e) en/of

puntige/scherpe voorwerp(en), slaan op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] en/of

- meermalen, althans eenmaal, stompen, slaan, trappen en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of

in/tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1];

Overwegingen omtrent het bewijs van het onder 2 primair ten laste gelegde

Verdachte ontkent het ten laste gelegde te hebben begaan.

Uit de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen kan het navolgende verloop van de gebeurtenissen worden afgeleid.

Op 8 oktober 2006, omstreeks 3.00 uur, ontstaat bij de Febo op de [straat 2] te [plaats] onenigheid tussen verdachte en een hem onbekend meisje. Zij verwijten elkaar over en weer - kort gezegd - voorkruipen in de rij wachtenden. Verdachte slaat het meisje, althans, er ontstaat tussen beiden een handgemeen. Aangever [slachtoffer 1] mengt zich in de ruzie. Er vallen, al dan niet over en weer, klappen. Ook een tweetal personen, dat zich in het gezelschap van verdachte bevindt, en mede-aangever [slachtoffer 2], zijn daarbij op enigerlei wijze betrokken. Vermoedelijk door toedoen van [slachtoffer 1] raakt het - dure - merkshirt van verdachte (onherstelbaar) beschadigd. De politie arriveert ter plaatse, na een om 3.06 uur ontvangen melding, scheidt de partijen en stuurt iedereen weg. Er worden enkele namen, waaronder die van verdachte, genoteerd.

Even later vindt voor een verderop gelegen horeca-etablissement, [naam 3], opnieuw een - ditmaal enkel verbale - confrontatie plaats tussen (nagenoeg) dezelfde personen. Het groepje rondom verdachte is inmiddels enigszins uitgebreid. Men verwijt elkaar over en weer provocerend gedrag. De politie komt opnieuw tussenbeide en vordert van de betrokkenen dat zij zich verwijderen.

De beide aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lopen, na een kort bezoek aan het[naam 4], via de [straat 4], het [straat 5], en de [straat 6] naar de [straat 1]. [slachtoffer 2] wil nog iets te eten kopen bij een aldaar gevestigde cafetaria. Beiden verkeren in de veronderstelling dat de incidenten zijn beëindigd. [slachtoffer 2] staat bij het bedieningsloket, met zijn rug naar de straat; [slachtoffer 1] bevindt zich bij hem in de buurt. [slachtoffer 1] verklaart: "Ik stond met mijn gezicht in de richting van de videotheek, toen ik ineens een enorme klap op mijn hoofd voelde. Deze klap was zo hard dat ik meteen door mijn knieën zakte. Ik kreeg, toen ik op de grond lag, meteen nog een paar klappen op mijn hoofd met een hard voorwerp. Ik voelde me gelijk "dizzy". Ik kon nog wel opstaan en keek toen achterom. Ik zag dat de jongen met het zwart-witte shirt op mij toeliep met in zijn hand een wijnfles of iets dergelijks. (...) Ik was niet meer in staat om hem te slaan, maar kon klappen nog wel afweren. Een voorbijganger heeft de politie gebeld, die toen ter plaatse kwam. (De melding kwam om 4.11 uur). Ik zat helemaal onder het bloed. Ik ben toen per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en mijn hoofd is daar gehecht."

Verdachte verklaart dat hij, na de hiervoor genoemde incidenten bij De Febo en [naam 3], naar de [straat 3] loopt. Daar gooit hij zijn dure kapotte t-shirt weg. Hij is daarna gekleed in een donker shirt met lange mouwen. Hij is boos en overstuur, over het shirt en hetgeen overigens is voorgevallen. Daarna brengt hij een bezoek aan coffeeshop [naam 1], waar hij even na sluitingstijd (3.00 uur) weer vertrekt. Vervolgens bezoekt hij rond 3.30 uur [naam 2]. Hij is niet op de [straat 1] geweest.

Het hof stelt vast dat wettig bewijs voorhanden is dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan. Het hof heeft daarbij in de eerste plaats gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 1]. Deze verklaart onder meer (pag. 48 e.v.) dat hij bij [naam 3] werd aangesproken door dezelfde jongen als degene die bij de Febo met het meisje in gevecht raakte. Deze jongen zou aangever bij [naam 3] meermalen uitgenodigd hebben om te vechten. Hij zou daarbij hebben gezegd: "Weet je wel wie ik ben?" Aangever beschrijft het signalement van de jongen en noemt daarbij ook het zwart-witte Dolce & Gabbana truitje. Als aangever op de [straat 1] achterom kijkt, nadat hij is geslagen, ziet hij dezelfde jongen, gekleed in het betreffende shirt, met een fles in de hand. Deze jongen zou toen hebben geschreeuwd: "Ik zei toch dat je niet wist, wie ik was."

Het hof heeft voorts gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 2] (pag. 76 e.v.). Hij noemt de jongen die het meisje in de Febo sloeg "no. 1". Dezelfde jongen zocht, tezamen met twee anderen, even daarna bij [naam 3] ruzie met [slachtoffer 1]. Over het ten laste gelegde incident op de [straat 1] verklaart hij: "Ik zag [slachtoffer 1] (de [slachtoffer 1]) op de grond liggen. Over hem heengebogen zag ik no. 1. Ik zag dat hij een doorzichtige fles in zijn hand had. Ik zag ook dat [slachtoffer 1] onder het bloed zat. (...) Ik hielp [slachtoffer 1] iets overeind en we zijn toen achteruit gelopen. No. 1 liep maar door naar ons toe. Hij zwaaide alsmaar met de fles voor zich uit. Hij was ook het meest agressief."

In een proces-verbaal, op 26 oktober 2006 op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant], wordt onder meer gerelateerd: "Beide aangevers verklaarden nogmaals nadrukkelijk dat zij voor 100% zeker wisten dat de twee jongens, met wie zij eerder die avond ruzie hadden bij de Febo en die hen iets later opzochten bij de ingang van café [naam 3], dezelfde jongens waren als die hen hadden geslagen."

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Deze verklaringen zijn op hoofdlijnen - daar waar het gaat om het achtervolgen van de beide aangevers naar de [straat 1] en de betrokkenheid van zowel hemzelf als verdachte [verdachte] bij de aldaar gepleegde geweldshandelingen - consistent. Zij zijn slechts enigszins wisselend waar het gaat om het eigen aandeel van [medeverdachte 1] daarin. [medeverdachte 1] verklaart onder meer (pag. 105): "Ik zag die kale kerel ([slachtoffer 1]) bebloed liggen. Ik heb [verdachte] (verdachte [verdachte]) bij die kale kerel weggehouden. Ik zag namelijk dat hij boven die kerel stond en tegen hem schreeuwde." En (pag. 107): "Ik zag dat [verdachte] met een fles heeft geslagen op het hoofd van die kale man. Ik zag dat [verdachte] hem van achteren sloeg. Ik zag dat die man vervolgens neerviel." En (pag. 111): "[verdachte] is normaal helemaal niet zo. Ik weet niet wat hem bezielde. Hij was wel een beetje dronken en nadat hij die klappen van dat meisje had gehad, sloeg hij helemaal om." Dat [medeverdachte 1] maanden nadien om hem moverende redenen bij de rechter-commissaris terugkomt op zijn verklaringen en stelt door de politie onder druk te zijn gezet, maakt de reeds ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaringen niet alsnog ongeloofwaardig of onbruikbaar voor het bewijs. Uit de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring blijkt tevens dat er mogelijk sprake is van druk op [medeverdachte 1] van de zijde van (de familie van) verdachte om zijn voor verdachte belastende verklaringen in te trekken.

Het hof heeft voorts gelet op de verklaringen van de eveneens op de [straat 1] aanwezige medeverdachte [medeverdachte 2] (pag. 61 e.v.): "De vriend van [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]), wiens shirt was gescheurd, ging echt helemaal uit zijn bol. Ik zag hem met van alles en nog wat slaan en schoppen."

Medeverdachte [medeverdachte 3] verklaart ten overstaan van de rechter-commissaris: "De jongens hadden flessen in de hand. Een fles was zelfs van mij geweest. Het was een Blue Curaçao fles. Ik had hem op een fiets gezet. [verdachte] heeft die fles vervolgens gepakt." (...) "Ik ging naar binnen in de shoarmazaak en bestelde een broodje. Toen hoorde ik het gerinkel van glas en het vallen van een fiets. Ik heb gezien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] met een fles sloegen op het hoofd van de jongens. Toen ik buiten kwam, zag ik dat [verdachte] een man sloeg die voorover stond."

Ter terechtzitting van het hof van 27 januari 2009 verklaart verdachte over zijn gemoedstoestand na het incident bij de Febo en gedurende het incident bij [naam 3]: "Hij (aangever) gedroeg zich provocerend. Hij was naar mij aan het wijzen en lachte daarbij. Na drie keer was ik het zat en vroeg ik: Wil je vechten? Ik was wel boos, ook op de politie, maar ik was zeker niet 'over de rooie'". In dit verband wijst het hof op de inhoud van een door verbalisant [verbalisant] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (pag. 82), waarin deze relateert: "Aldaar (bij de ingang van café [naam 3] aan de [straat 2] te [plaats]) zag ik onder andere [verdachte] uitdagende bewegingen maken in de richting van [slachtoffer 1]. Aangezien [verdachte] op dat moment de enige was die ruzie zocht, heb ik hem gevorderd zich te verwijderen uit de [straat 3]. Nadat ik zag dat hij samen met anderen de [straat 3] uitliep, ben ik weer weggegaan."

Met betrekking tot de twee shirts die verdachte die nacht droeg, heeft de raadsvrouw betoogd dat aangever heeft verklaard dat zijn aanvaller een zwart-wit shirt droeg. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij dat shirt eerder die nacht in de [straat 3] had weggegooid en daarna gekleed was in een donker shirt met lange mouwen. Zulks zou ook worden bevestigd in het proces-verbaal van bevindingen op pag. 82 en 83. Het hof stelt met betrekking tot dit verweer vast dat verbalisant [verbalisant], die het betreffende proces-verbaal heeft opgemaakt, verdachte omstreeks 5.35 uur aantrof. Hij relateert: "Ik zag dat [verdachte] inmiddels een ander shirt aan had. Eerst had hij namelijk een zwart met wit gestreept shirt aan en nu had hij een zwart shirt met lange mouwen aan." Naar het oordeel van het hof laat deze constatering onverlet dat verdachte ten tijde van het incident op de [straat 1], rond 4.00 uur, nog het zwart-witte shirt kan hebben gedragen.

Met betrekking tot het beweerdelijke alibi van verdachte stelt het hof vast dat het tijdstip, waarop verdachte [naam 1] 10 zou hebben verlaten, omstreeks 3.15 uur, zich niet laat rijmen met zijn, ook door hemzelf erkende aanwezigheid bij het Febo-incident, dat - gelet op de bij de politie om 3.06 uur binnengekomen melding, rond 3.00 uur plaatsvond. De tijdstippen van zijn aanwezigheid in [naam 2] zijn dermate ongewis dat daarop geen betrouwbaar alibi kan worden gebaseerd. Het hof heeft daarbij ook gelet op het feit dat verdachte, ook naar eigen zeggen, tussentijds het betreffende café heeft verlaten, in de binnenstad is geweest en daarna weer is teruggekeerd.

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder

2 primair ten laste gelegde heeft begaan, voor zover het gaat om de jegens [slachtoffer 1] gepleegde geweldshandelingen. Dat het (door medeverdachten) jegens [slachtoffer 2] begane geweld van zodanige aard was dat dit (ook) als poging tot doodslag kan worden aangemerkt, acht het hof niet bewezen.

Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat, indien met kracht een aantal malen met een glazen fles op iemands hoofd wordt geslagen, iemand bewust de kans aanvaardt dat de dood daarop volgt. Deze kans is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

2. primair

hij op 8 oktober 2006 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet onverhoeds en met kracht met een fles meermalen op het hoofd van de [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

2. primair

poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweldpleging in het uitgaansleven. Het hof rekent het verdachte aan dat hij buitenproportioneel heeft gereageerd op een tweetal aan het bewezen verklaarde voorafgaande incidenten, waarbij hij zich onheus voelde bejegend door zowel het latere slachtoffer als door de betrokken verbalisanten en bovendien een duur kledingstuk vernield zag. Verdachte is het nietsvermoedende slachtoffer in de nachtelijke uren gevolgd met het kennelijke doel om verhaal te halen. Vervolgens heeft hij het slachtoffer van achteren benaderd en hem onverhoeds enkele malen met een fles op het hoofd geslagen. Deze handelingen hadden naar het oordeel van het hof tot de dood kunnen leiden. Uit de toelichting op zijn vordering als benadeelde partij blijkt dat het gebeuren grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt. Het feit dat hij onverwachts en zonder begrijpelijke redenen van achteren werd aangevallen brengt mee dat hij de neiging heeft in het dagelijks leven veelvuldig achterom te kijken. Hij mijdt het uitgaansgebeuren grotendeels en kampt met verlies van vertrouwen in onbekenden. De verwondingen van het slachtoffer moesten bovendien worden gehecht in het ziekenhuis, hij kon gedurende twee weken niet werken en zal enkele littekens op zijn hoofd houden. Het hof stelt vast dat verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft geschonden en daarmee ook diens psychisch welbevinden heeft aangetast, zonder daarvoor de verantwoordelijkheid te aanvaarden.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatie- register d.d. 5 november 2008, waaruit blijkt dat verdachte enkele malen eerder is veroordeeld voor strafbare feiten met een geweldscomponent.

Gelet op het vorenstaande acht het hof oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden. Het hof zal daartoe dan ook overgaan. Dat het onvoorwaardelijk deel daarvan gelijk zal zijn aan de reeds door verdachte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis is gelegen in de navolgende factoren. Het bewezen verklaarde feit is ruim twee jaar geleden begaan. Verdachte was destijds, hoewel strafrechtelijk meerderjarig en ook anderszins verantwoordelijk te stellen voor zijn handelen, slechts 18 jaar oud. Uit zijn documentatie blijkt niet van geweldsdelicten sedertdien. Voorts blijkt uit de rapportages van de Reclassering en hetgeen daarover ter terechtzitting naar voren is gekomen, dat verdachte serieus bezig is zijn leven en toekomst vorm te geven. Hij volgt een beroepsopleiding, loopt stage, heeft een bijbaan en doet aan sport. Hij lijkt gemotiveerd om dat wat hij aanpakt goed te willen doen. Voorts heeft het hof gelet, zij het in beperkte mate, op het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte op 7 december 2006 werd geschorst onder meer onder de voorwaarde dat hij zich zou onderwerpen aan elektronisch toezicht. In de reclasserings- rapportage van 6 november 2007 wordt gemeld dat verdachte serieus met de gemaakte afspraken is omgegaan en zich daaraan volledig heeft gehouden, zowel ten opzichte van de reclassering als ten opzichte van zijn werkgever. Het elektronisch toezicht werd op 7 juni 2007 beëindigd wegens het bereiken van de maximaal toegestane termijn van zes maanden.

Naast het reeds ondergane onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zal het hof uit het oogpunt van preventie een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te melden duur. Uit het oogpunt van vergelding zal het hof daarnaast - gelet op de ernst van het feit en conform hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd - een werkstraf opleggen van de maximale duur.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg gedeeltelijk is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Tegen de door hem ingediende vordering heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze onvoldoende onderbouwd is waar het gaat om de post "loonderving". Het hof is evenwel van oordeel dat deze post in de bij de vordering gevoegde bijlagen 2 en 3 toereikend is onderbouwd.

Nu de vordering voor het overige niet is weersproken en deze het hof niet als ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.704,04.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal het hiervoor genoemde bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat hij in eerste aanleg niet ontvankelijk in zijn vordering is verklaard en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft op dat deel van het ten laste gelegde feit dat het hof niet bewezen acht en er derhalve niet gesproken kan worden van schade, die rechtstreeks is toegebracht door het hiervoor bewezen verklaarde feit, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 36f (oud), 45, 63 (oud) en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart de verdachte ten aanzien van feit 1 en de vordering tenuitvoerleging voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 18-041106-03) niet ontvankelijk in zijn hoger beroep;

verklaart het verdachte onder 2 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van tweehonderddrieëntwintig dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van honderdtachtig dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend zevenhonderdvier euro en vier cent;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend zevenhonderdvier euro en vier cent ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zevenentwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], niet-ontvankelijk in de vordering;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. P.J.M. van den Bergh en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Van den Bergh voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.