Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2083

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
24-002459-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van mishandeling, waarbij hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas, heeft toegebracht, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Tevens is de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002459-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-753152-07

Arrest van 6 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 24 september 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en heeft een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde en hem zal veroordelen ter zake het hem subsidiair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 april 2007, te of bij [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht met de vuist boven het rechteroog, althans in het gezicht, te stompen en/of te slaan;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 1 april 2007, te of bij [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met kracht boven het rechteroog, althans in het gezicht, heeft gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 1 april 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met kracht boven het rechteroog heeft gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder subsidiair: mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, waarbij hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Toen verdachte op 1 april 2007 bemerkte dat het slachtoffer een lamp uit de tuin van verdachte had meegenomen, is hij op het slachtoffer - dat aanvankelijk met zijn rug naar verdachte toegekeerd stond - afgelopen en heeft hem, toen hij zich omdraaide onaangekondigd en onverhoeds een vuistslag in het gezicht gegeven.

Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 oktober 2008, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande acht het hof een straf zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden. Het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig zal maken.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij,

[slachtoffer], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering deels is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte niet voldoende weersproken. Het hof is van oordeel dat een deel van de gestelde materiële schade en de volledige immateriële schade voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het onder subsidiair bewezen verklaarde feit, dat deze schade aan verdachte als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Dit deel betreft een bedrag van € 71,20 en van € 119,60 voor de gederfde inkomsten, een bedrag van € 124,60 voor de gederfde inkomsten in de vorm van niet-gewerkte overuren en een bedrag van € 291,00 wegens immateriële schade. Voor wat betreft de gederfde inkomsten in de vorm van ziekengeld over de eerste twee dagen van ziekte ad € 71,20 heeft het hof de berekening aangepast. Bij de berekening van dit schadebedrag neemt het hof in acht dat blijkens de brief van het UWV d.d. 25 april 2007, betreffende de toekenning van Ziektewetuitkering, de benadeelde partij per 2 april 2007 een Ziektewetuitkering is toegekend van € 20,65 per dag. Uitgaande van een normaal dagloon van € 35,60 worden de gederfde inkomsten voor die twee dagen dan ook begroot op 2 dagen x € 14,95 = € 29,90.

Het hof zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 565,10 en zal de vordering voor het overige afwijzen.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 36f (oud) en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder subsidiair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfhonderdvijfenzestig euro en tien cent;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfhonderdvijfenzestig euro en tien cent ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van elf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. D.J. Keur en

mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde

mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.