Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2015

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-02-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
24-001289-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeelde is door het hof veroordeeld voor het dealen en exporteren van cocaïne. Uit het bewezen verklaarde handelen heeft veroordeelde voordeel verkregen. Tevens zijn er voldoende aanwijzingen dat hij voordeel heeft verkregen door middel van soortgelijke feiten als die waarvoor hij is veroordeeld. Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 36.395,95 en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van dit bedrag ter ontneming van dat voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001289-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-630076-06

Arrest van 5 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 29 april 2008, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 29 april 2008 van voormelde rechtbank in de strafzaak met parketnummer 18-630076-06, het door veroordeelde door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 36.603,70 en hem de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

Gebruik van het rechtsmiddel

De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 april 2008.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op € 64.763,70 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat, ter ontneming van dat voordeel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof (parketnummer 24-001272-08) ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2000 tot en met 3 december 2006 in de gemeente [gemeente 1] en/of in de gemeente [gemeente 2] en/of elders in Nederland, en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot straffen.

De veroordeelde heeft uit het bewezen verklaarde handelen voordeel verkregen. Er zijn tevens voldoende aanwijzingen dat hij voordeel heeft verkregen door middel van soortgelijke feiten als die waarvoor hij is veroordeeld.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 36.395,95.

Uit de bewijsmiddelen blijkt van de volgende hoeveelheden door veroordeelde verhandelde cocaïne:

[getuige 1] 100 gram

[getuige 2] 400 gram

[getuige 4] 60 gram

[getuige 5] 8 gram

[getuige 6] 10 gram

[getuige 7] 150 gram

[getuige 3] 50 gram

[getuige 8] ([gemeente 2]): 5 x 300 1500 gram

[getuige 8] ([land]): nog geen kilo 750 gram +

Totaal 3028 gram

Het hof gaat derhalve uit van een totaal verhandelde hoeveelheid cocaïne van 3028 gram.

Het hof zal - nu daartegen geen verweer gevoerd is en de berekening niet onaannemelijk voorkomt - uitgaan van de verkoopprijs per kilogram zoals in het ontnemingsdossier is vervat op pagina 20. Het hof komt zodoende op een bedrag van € 87.357,80 (3028 gram vermenigvuldigd met € 28,85 per gram) aan omzet inzake de handel in cocaïne.

Aan kosten gaat het hof uit van een aankoopprijs van cocaïne van € 15.000,- per kilogram zoals voorgerekend op pagina 21 van het ontnemingsdossier (in totaal € 45.420,- aan kosten), € 750,- aan kosten voor een vijftal transporten naar [gemeente 2] en € 1.000,- aan kosten voor één transport naar [land]. Ook tegen deze wijze van kosten-berekenen heeft veroordeelde geen verweer gevoerd.

Het hof heeft bij arrest van 22 januari 2009 (parketnummer 24-001272-08) het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 3.791,85 verbeurdverklaard. Dit bedrag zal het hof in mindering brengen op het totale voordeel.

Gelet op het vorenstaande wordt het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van (€ 87.357,80 minus € 47.170,- minus € 3.791,85)

€ 36.395,95.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de verkochte hoeveelheden die uit de verschillende getuigenverklaringen blijken een redelijk vertrekpunt is, maar dat de getuigenverklaringen voorts voldoende aanwijzingen bevatten voor de stelling dat veroordeelde méér cocaïne heeft verkocht dan de genoemde hoeveelheden. Volgens de advocaat-generaal kan op basis van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] worden aangenomen dat veroordeelde over de jaren 2002-2006 ten minste twee 'subdealers' voor zich had werken. Deze wijze van verkoop dient volgens de advocaat-generaal in de ontnemingsbeslissing te worden betrokken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De getuige [getuige 1] heeft op 3 augustus 2006 tegenover de politie verklaard dat [verdachte] zich vier jaar geleden "begon (...) te omringen met loopjongens, dus kleinere dealertjes. Het waren in principe allemaal Marokkaanse jongelui en later ook Afrikanen." Niet duidelijk wordt waaraan de getuige [getuige 1] zijn wetenschap ontleent, terwijl de getuige evenmin concrete namen noemt.

De getuige [getuige 2] noemt in zijn verklaring van 12 februari 2003 wel een drietal namen van personen die voor veroordeelde zouden hebben gedeald. Uit zijn verklaring van

9 juni 2006 blijkt echter dat hij van slechts één van de genoemde personen ([betrokkene 1]) zelf heeft gehoord dat deze zijn drugs van veroordeelde betrok en deze persoon heeft hij ook zelf zien dealen. Omtrent de van veroordeelde aangekochte hoeveelheden en de periode gedurende welke [betrokkene 1] zou hebben gedeald is verder niets bekend.

De getuige [getuige 3] noemt in zijn verklaring van 30 oktober 2005 een drietal personen die voor veroordeelde zouden dealen. In zijn verklaring van 7 juni 2006 geeft hij ten aanzien van twee van deze personen echter aan dat hij niet weet of zij voor veroordeelde dealen. De getuige verklaart: "Dit was meer een conclusie." Ten aanzien van de derde door [getuige 3] genoemde persoon ([betrokkene 2]) kan uit de verklaringen niet blijken dat deze behalve aan [getuige 3] ook aan andere personen - die niet zijn betrokken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel - heeft geleverd.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de door de advocaat-generaal aangehaalde getuigenverklaringen onvoldoende aannemelijk is geworden dat gedurende de jaren 2002-2006 steeds ten minste twee subdealers voor veroordeelde werkzaam zijn geweest. Het hof zal de advocaat-generaal derhalve niet volgen in diens berekening van het voordeel verkregen via de verkoop van subdealers.

De raadsman van veroordeelde heeft het hof naar aanleiding van voornoemd standpunt van de advocaat-generaal verzocht de door de advocaat-generaal genoemde getuigen te horen. Nu het hof het standpunt van de advocaat-generaal dienaangaande niet volgt, komt aan het verzoek van de raadsman de grond te ontvallen. Het hof acht het horen van de desbetreffende getuigen niet noodzakelijk. Het verzoek tot het horen van getuigen wordt derhalve afgewezen.

Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen om € 36.395,95 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36e en 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [verdachte] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 36.395,95;

legt de veroordeelde [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van zesendertigduizend driehonderdvijfennegentig euro en vijfennegentig cent ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. J. Hielkema en

mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mr. Roes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.