Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH1607

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
24-002808-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 285 Sr; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd tegen ex-vriendin en haar echtgenoot, na verbreking van de buitenechtelijke relatie tussen verdachte en die ex-vriendin door laatstgenoemde.

Verdachte heeft nadien zelf therapeutische hulp gezocht en gekregen en is reeds gedurende ruim anderhalf jaar vrij van verdere incidenten. Verdachte is first offender en is verminderd toerekeningsvatbaar.

Daarom kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest (29 dagen), alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde een verplicht hulpverleningscontact met de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-002808-07

parketnummer eerste aanleg: 17-880056-07

Arrest van 2 februari 2009 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 30 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.C. Poiesz, advocaat te Sneek.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen onder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder

1 en 2 ten laste gelegde veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 91 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen die aan hem worden gegeven door de reclassering,

welke voorschriften en aanwijzingen tevens kunnen inhouden dat de verdachte een ambulante behandeling zal volgen bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland (hierna: AFPN), alsmede tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] elk gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 450,- en dat daarbij telkens de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 9 dagen hechtenis wordt opgelegd en dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 februari 2007 en/of in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot 1 februari 2006, te [plaats], (in elk geval) in de het arrondissement Leeuwarden, (meermalen) [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 1] (middels het toezenden van [zogeheten] SMS-berichten via de mobiele telefoon van die [benadeelde 1]) dreigend de woorden toegevoegd : "Ik ga net zo lang door tot er een mes in je hart steekt" en/of

"2006 heb ik je laten gaan, maar ik zal nooit vergeten wat er gebeurd is" en/of

"Ik ga door tot je niet meer leeft", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2007 tot en met 9 februari 2007 te [plaats], (in elk geval) in het arrondissement Leeuwarden, meermalen, [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] (middels het toezenden van [zogeheten] SMS-berichten via de mobiele telefoon van die [benadeelde 2]) dreigend de woorden -zakelijk weergegeven- toegevoegd :

"Ik vermoord jullie" en/of "Je kan je vrouw niet 24 uur per dag beschermen, wees op je hoede, er staat geen straf op, dus mr [verdachte] neemt 't recht in eigen hand" en/of "Moet ik een mes op haar strot zetten" en/of "Er gebeuren binnenkort echt hele zieke dingen, ik heb toch niets te verliezen" en/of "Als ik nog een keer [café] uitgezet

wordt vanwege jullie, gaat [benadeelde 1] eraan", althans (telkens) woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 3 februari 2007 te [plaats] meermalen [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 1] middels het toezenden van zogeheten SMS-berichten via de mobiele telefoon van die [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd : "Ik ga net zo lang door tot er een mes in je hart steekt" en "2006 heb ik je laten gaan, maar ik zal nooit vergeten wat er gebeurd is" en "Ik ga door tot je niet meer leeft";

2.

hij in de periode van 3 februari 2007 tot en met 9 februari 2007 te [plaats] meermalen [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] middels het toezenden van zogeheten SMS-berichten via de mobiele telefoon van die [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd :

"Ik vermoord jullie" en "Je kan je vrouw niet 24 uur per dag beschermen, wees op je hoede, er staat geen straf op, dus mr [verdachte] neemt 't recht in eigen hand" en

"Moet ik een mes op haar strot zetten" en "Als ik nog een keer [café] uitgezet

wordt vanwege jullie, gaat [benadeelde 1] eraan".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 en feit 2, telkens -

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Omtrent de verdachte is door drs. P.A. de Mon, psychiater een rapport van 17 september 2007 uitgebracht en is door drs. G. de Jong, psycholoog een rapport van 19 september 2007 uitgebracht.

Beide rapporten houden - zakelijk weergegeven - als conclusie in dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke storing en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de zin van een aan autisme verwante stoornis niet anders omschreven met daarnaast een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven met narcistische, afhankelijke en anti-sociale trekken in de persoonlijkheid.

Deze contactstoornis met onmacht zich te verplaatsen in de belevingswereld van de ander kan leiden tot narcistische woede-uitbarstingen, zeker in geval van relationele kortsluiting en krenking. Deze stoornis is van dien aard dat het ten laste gelegde de verdachte dientengevolge slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De verdachte dient volgens beide gedragsdeskundigen als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt deze tot de zijne. Het hof acht de verdachte derhalve verminderd toerekeningsvatbaar ter zake van het bewezen verklaarde.

Nu ten opzichte van de verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof de verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich - kennelijk uit diepe frustratie en grote teleurstelling over de voor hem onverwachte beëindiging door [benadeelde 1] van de relatie die hij had met die [benadeelde 1] - schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen aan het adres van [benadeelde 1] en haar echtgenoot [benadeelde 2]. De bewoordingen die de verdachte heeft gebezigd in de door hem aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gerichte sms-berichten veroorzaken veelal gevoelens van angst en onveiligheid bij degenen tot wie die woorden gericht zijn. Blijkens de door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gedane aangiftes heeft de verdachte door het plegen van de hierboven aangeduide delicten daadwerkelijk gevoelens van angst en onveiligheid bij hen opgewekt.

Het hof heeft bij de straftoemeting ten voordele van de verdachte in aanmerking genomen dat de verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 juni 2008 - niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omtrent de verdachte uitgebrachte rapporten, te weten de hierboven genoemde rapporten van de gedragsdeskundigen

De Mon en De Jong en het adviesrapport van 8 januari 2009, opgemaakt door de Reclassering Nederland.

Het hof heeft tevens gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte en zijn raadsman hebben in dit kader aangevoerd dat de verdachte thans, nadat hij op eigen initiatief gedurende enige tijd een therapeutische behandeling heeft gevolgd, de rust en stabiliteit in zijn leven en handelen teruggevonden heeft en dat er na eind juni 2007 geen sprake meer is geweest van nieuwe incidenten tussen de verdachte en de slachtoffers.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het door de verdachte ondergane voorarrest. Mede om de verdachte te stimuleren niet in herhaling te vervallen en om de verdachte gedurende de proeftijd te kunnen blijven volgen, zal het hof daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te noemen duur opleggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van een verplicht hulpverlenings-contact met Reclassering Nederland. Deze strafmodaliteit ligt in de lijn van de oriëntatiepunten voor straftoemeting die het hof hanteert in zaken van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er lijkt sprake te zijn van een aanmerkelijke verbetering in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in die zin dat de verdachte in voldoende mate de controle over zijn handelen heeft hervonden en dat reeds geruime tijd - sinds eind juni 2007 - geen herhaling van soortgelijke incidenten jegens de slachtoffers heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan acht het hof - anders dan de advocaat-generaal - het opleggen van een taakstraf thans niet meer opportuun en acht het hof het niet aangewezen te bepalen dat in het kader van het toezicht door de reclassering aan de verdachte kan worden voorgeschreven dat hij een ambulante behandeling dient te volgen bij de AFPN. De verdachte heeft reeds een therapeutische behandeling ondergaan en die behandeling heeft kennelijk in voldoende mate resultaat opgeleverd.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd, dat hun respectieve vorderingen in eerste aanleg deels zijn toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de benadeelde partijen zich binnen de grenzen van hun respectieve eerste vorderingen in het geding in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd.

Derhalve duurt de voeging ter zake van hun respectieve in eerste aanleg gedane vorderingen tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

[benadeelde 1] -

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade is onduidelijk welk deel daarvan als een rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten is aan te merken,

nu een deel van die gevorderde schade blijkens de vordering betrekking heeft op een periode die ligt vóór de pleegperiode. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade dient - zoals door en namens de verdachte is bepleit - rekening te worden gehouden met de eigen rol en het eigen aandeel van [benadeelde 1] in het ontstaan van de door de verdachte gepleegde delicten. Om die reden is de vordering van [benadeelde 1] niet eenvoudig van aard.

Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient deze benadeelde partij in de vordering dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat deze benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient deze benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

[benadeelde 2] -

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] door het onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 450,- (betreft de gevorderde immateriële schade). Derhalve kan de vordering, die het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, tot dat bedrag worden toegewezen.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade is onduidelijk welk deel daarvan als een rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten is aan te merken, nu een deel van die gevorderde schade blijkens de vordering betrekking heeft op een periode die ligt vóór de pleegperiode.

Het hof zal deze benadeelde partij op grond hiervan voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het vorenstaande dienen deze benadeelde partij en de verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 450,- die door het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f (oud), 57 (oud) en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdtwintig dagen;

beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van eenennegentig dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1], wonende te [plaats], niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat deze benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt deze benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [plaats], tot een bedrag van € 450,-;

verklaart deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat deze benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat deze benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan de verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vierhonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [plaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van negen dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien de veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en

mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.

Mrs. Van Dijk en Van Stempvoort zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.