Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH1165

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
24-002285-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het dealen van cocaïne, het telen en aanwezig hebben van hennep en het voorhanden hebben van een stroomstootwapen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 437 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Nu het aantal dagen dat verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht gelijk is aan het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, heft het hof het bevel tot voorlopige hechtenis op en wordt de onmiddellijke invrijheidsstelling van verdachte bevolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002285-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-880169-08

Arrest van 28 januari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van

31 juli 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. I.J. Woltman, advocaat te Bolsward.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende data en/of tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 april 2008 te[plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1] en/of te [plaats 2], (althans) in de gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 16 april 2008 te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/woning aan de [adres], aldaar)

- een hoeveelheid van ongeveer 110, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) 280 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 16 april 2008 te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1], een wapen van categorie II onder 5°, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op verschillende data en tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met

16 april 2008 in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en/of verstrekt, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 november 2007 tot en met 16 april 2008 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk heeft geteeld in een pand/woning aan de [adres], aldaar

- een hoeveelheid van ongeveer 110 hennepplanten

en opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand/woning aan de [adres], aldaar

- een hoeveelheid van (in totaal) 280 gram hennep

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 16 april 2008 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1], een wapen van categorie II onder 5°, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

onder 2:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

onder 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 april 2008 diverse strafbare feiten gepleegd. Zo heeft hij zich - samen met zijn vriendin - gedurende ongeveer acht maanden in meerdere of mindere mate, slechts handelend uit winstbejag, schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Verdachte heeft zich bovendien met hetzelfde motief bezig gehouden met het telen van hennep in zijn woning.

Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen, cocaïne in het bijzonder, schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers hiervan. Het gebruik is ook bezwarend voor de samenleving onder meer vanwege de daarmee meestal gepaard gaande vormen van criminaliteit. Verdachte heeft, door aldus te handelen, een kwalijke bijdrage geleverd aan het in omloop brengen van dit soort schadelijke middelen.

Verdachte blijkt voorts in het bezit te zijn geweest van een stroomstootwapen.

In zijn algemeenheid kan het voorhanden hebben van wapens een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Door te handelen als hij heeft gedaan, heeft verdachte hieraan bijgedragen.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 oktober 2008, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.

Alles overwegende is er sprake van ernstige feiten waaraan naar het oordeel van het hof, mede op basis van de - aan de nieuwe VI-regeling aangepaste - landelijke oriëntatiepunten, enkel recht wordt gedaan met oplegging van een vrijheidsbenemende sanctie van na te melden duur. Het hof ziet evenwel aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, dit mede met het doel verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 (oud), 2, 3, 10 (oud), 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a (oud), 14a, 14b (oud), 14b, 14c, 47 en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vierhonderdzevenendertig dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van honderdvijftig dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte;

beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. D.J. Keur en

mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde

mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.