Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH1052

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
24-003165-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schieten op het raam van een kamer waarvan niet vaststaat dat er in die kamer op dat moment iemand aanwezig is, kan niet worden aangemerkt als bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat iemand letsel oploopt. Geen sprake van psychische overmacht. Verdachte wordt ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, overtreding van de Wet Wapens en Munitie en vernieling veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor 336 dagen, met als bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht voor de duur van 8 maanden, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003165-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-880141-07

Arrest van 27 januari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 13 december 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest en voor het overige voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht gedurende acht maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, overeenkomstig de in eerste aanleg gewijzigde tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 22 april 2007 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op een raam van de woonkamer en/of een raam van de slaapkamer van een aldaar aan de [straat] gelegen woning waarin

die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] zich bevond(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

zij op of omstreeks 22 april 2007 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op een raam van de woonkamer en/of een raam van de slaapkamer van een aldaar aan de [straat] gelegen woning waarin die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] zich bevond(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

zij op of omstreeks 22 april 2007 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een pistool een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op een raam van de woonkamer en/of een raam van de slaapkamer van een aldaar aan de [straat] gelegen woning waarin die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] zich bevond(en) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

zij op of omstreeks 22 april 2007 te [plaats], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een pistool een of meer kogel(s) afgevuurd op een raam van de woonkamer en/of een raam van de slaapkamer van een aldaar aan de [straat] gelegen woning waarin die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] zich bevond(en);

2.

zij op of omstreeks 22 april 2007 te [plaats], een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk MOB kaliber 6.35, en/of munitie van categorie III, te weten drie scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

3.

zij op of omstreeks 22 april 2007 te [plaats], opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een toegangsdeur van een woning gelegen aldaar aan de [straat], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Het hof beschouwt het in feit 3 opgenomen "[slachtoffer 1]" als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als "[slachtoffer 1]". Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Overzicht vaststaande feiten

Verdachte en [slachtoffer 2] hebben 23 jaar lang een relatie met elkaar gehad. Sinds ongeveer begin 2007 wonen ze echter gescheiden. In de nacht van 21 op 22 april 2007 vinden er tussen verdachte en [slachtoffer 2] verschillende SMS-contacten plaats met een vervelende inhoud, naar aanleiding van het vermoeden van verdachte dat het [slachtoffer 2] is die achter het plan zit van de uitbater van café [café] om een voor Koninginnedag voorgenomen feest van de dag te verplaatsen naar de nacht. Dit terwijl verdachte zelf van plan was die nacht in haar café zo'n feest te organiseren. Naar eigen zeggen van verdachte vormde dit voorval de druppel die de emmer bij haar deed overlopen. Omstreeks 05:30 uur besluit zij naar de [straat] te gaan naar de woonwagen van [slachtoffer 2], die zij niet thuis treft. Via een raam treedt zij de woning binnen, alwaar zij twee gsm-telefoons aantreft. Lezing van enkele berichten in de telefoons sterkt verdachte in haar vermoeden dat [slachtoffer 2] relaties onderhoudt met andere vrouwen. Verdachte verklaart ook al wetenschap te hebben gehad dat [slachtoffer 2] een relatie had met een zekere [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]). Het ontdekken van die berichten en het feit dat [slachtoffer 2] steeds heeft ontkend relaties met andere vrouwen te hebben, doet haar in woede ontsteken. In de ogen van verdachte is het feit dat [slachtoffer 2] die relaties niet wil bekennen en haar daarom niet los wil laten, de reden dat [slachtoffer 2] denkt dat hij nog steeds controle heeft over verdachte. Dit, gevoegd bij het feit dat [slachtoffer 2] haar niet met rust liet, doet bij verdachte naar haar zeggen de bom barsten. De vernieling van een deel van de inventaris van de woonwagen en het kapot snijden van het dak van de aan [slachtoffer 2] toebehorende Mercedes-cabrio is hiervan het gevolg. Hierna is verdachte teruggereden naar haar café. Aan twee aldaar aanwezige vriendinnen vertelt zij het voorgevallene. Na sluiting van het café vertrekt verdachte met beide vriendinnen in de auto teneinde beiden naar huis te brengen. Onderweg besluit zij evenwel naar de woning van [slachtoffer 1] te gaan in de [straat] te [plaats]. Zij heeft namelijk reden te vermoeden dat [slachtoffer 2] in die woning verblijft. Het vuurwapen dat zij al langere tijd in haar auto had liggen, stopt zij in haar jaszak. In de [straat] aangekomen stapt verdachte uit de auto en loopt naar de woning van [slachtoffer 1]. Voor de woning heeft zij de naam [slachtoffer 2] staan roepen. Door de brievenbus van de woning ziet zij de jas van [slachtoffer 2] over de trapleuning hangen. Zij doet daarna een aantal stappen achteruit, haalt het vuurwapen uit haar jaszak en schiet door een ruit van de benedenverdieping. Uit onderzoek van de technische recherche blijkt dat dit schot laag door de zijruit van de erker van de woonkamer is gegaan en dat de kogel vervolgens tegen de gordijnen - hangende in de erker - is gekomen en daar op de grond is gevallen. Na een kort moment te hebben gewacht op een reactie heeft verdachte nogmaals een schot gelost. Dit maal verklaart verdachte schuin omhoog te hebben geschoten op het raam op de eerste verdieping. Dit schot -zo blijkt uit het technisch onderzoek- heeft alleen de buitenste ruit van de dubbele beglazing van de eerste verdieping aan de straatzijde beschadigd. Hier heeft de beschieting niet geleid tot een doorschot. Vervolgens heeft verdachte de onderste ruit van de voordeur vernield, waarop zij door haar vriendinnen is meegenomen in de auto.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte is het hof van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde is het hof met de raadsman van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof is (onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 2005, NJ 2006, 50) van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1]. Uit het dossier valt immers niet af te leiden dat sprake was van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] door een van de schoten letsel zou bekomen. Uit de in het dossier aanwezige verklaringen blijkt namelijk dat niemand in de woonkamer aanwezig was op het moment van het eerste door verdachte geloste schot. Voorts blijkt uit het dossier niet dat [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] zich ten tijde van het tweede schot, dat was gericht op het raam van de op de voorzijde van de eerste verdieping gelegen slaapkamer, in deze slaapkamer bevond dan wel in een op een andere plaats in de woning gelegen slaapkamer. Nu bewijs ontbreekt voor de stelling dat [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] zich in deze slaapkamer bevond, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat genoemde personen zich mogelijk in de baan van de kogel zouden bevinden en daardoor (zwaar lichamelijk) letsel zouden oplopen.

Verdachte dient derhalve ook van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart ten laste van verdachte bewezen dat

1. meest subsidiair.

zij op 22 april 2007 te [plaats], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een pistool een kogel afgevuurd op een raam van de woonkamer en een kogel afgevuurd op een raam van de slaapkamer van een aldaar aan de [straat] gelegen woning waarin die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden;

2.

zij op 22 april 2007 te [plaats], een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk MOB kaliber 6.35, en munitie van categorie III, te weten drie scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

3.

zij op 22 april 2007 te [plaats], opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een toegangsdeur van een woning gelegen aldaar aan de [straat], toebehorende

aan [slachtoffer 1], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1 meest subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie;

feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

Strafbaarheid

Namens verdachte is een beroep gedaan op psychische overmacht. Daartoe is - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft vanaf haar veertiende jaar een relatie gehad met [slachtoffer 2]. Deze relatie wordt gekenmerkt door geweld tegen en bedreiging en vernedering van verdachte door [slachtoffer 2]. Door alle geweld, bedreigingen en vernederingen leefde verdachte in constante angst, maar anderzijds voelde zij zich afhankelijk van [slachtoffer 2] doordat hij haar in een isolement plaatste. Na het verbreken van de relatie door verdachte enkele maanden voor het schietincident bleef [slachtoffer 2] verdachte per telefoon en sms kleineren en bedreigen. Bovendien blijkt uit de door mr. Hoekstra opgemaakte Pro Justitia-rapportage dat verdachte ten tijde van het schietincident leed aan een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken en was er toen sprake van een uitzonderlijke geestelijke toestand ten gevolge van de zware stress waaraan verdachte bloot stond door het gedrag van [slachtoffer 2]. Verdachte was niet langer opgewassen tegen de psychische druk en kon en behoefde hiertegen redelijkerwijs geen weerstand te bieden. Verdachte heeft onder invloed van voornoemde omstandigheden gehandeld uit psychische overmacht en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman van verdachte.

Het hof verwerpt het beroep op psychische overmacht en overweegt daartoe het volgende.

Van psychische overmacht wordt slechts gesproken in de gevallen van een van buiten, doorgaans van een derde of derden, afkomstige dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is, doch redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Het hof acht - gelet op hetgeen door verdachte en haar raadsman naar voren is gebracht en gelet op de overige gebleken feiten en omstandigheden zoals deze ook tot uitdrukking worden gebracht in het rapport opgesteld door de arts en gedragskundige D.F.J. Hoekstra, gedagtekend 23 juli 2008 - wel aannemelijk geworden dat verdachte onder spanningen heeft geleefd. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of deze situatie een zodanige druk op verdachte heeft uitgeoefend dat in gemoede kan worden gesteld dat de wilsvrijheid van verdachte was aangetast en daardoor van haar in concreto redelijkerwijs niet te vergen viel dat zij weerstand zou dienen te bieden aan de druk van de omstandigheden. Op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze hierboven staan weergegeven in het overzicht van vaststaande feiten, komt het hof tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat in het onderhavige geval zich een situatie heeft voorgedaan op grond waarvan kan worden gesproken van een zo extreme en acute vorm van een stresssituatie (waarbij dan gedacht moet worden aan vormen van paniekaanvallen en angststoornissen en dergelijke) waaronder verdachte gebukt ging, dat zij hieraan verontschuldigbaar zou mogen toegeven, omdat weerstand in redelijkheid niet vergbaar zou zijn.

Gelet op het voorgaande acht het hof verdachte strafbaar, nu ook geen andere strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft kogels afgevuurd op een raam van de woonkamer en op een raam van een slaapkamer van een woning. In deze woning bevonden zich haar ex-partner en diens vriendin, hetgeen voor hen een bedreigende situatie heeft gecreëerd. Door te handelen zoals zij heeft gedaan heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de buurt veroorzaakt. Verdachte heeft zich hierbij ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden (vuur)wapen. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij.

Daarnaast heeft verdachte een ruit van deze woning vernield, hetgeen schade en overlast oplevert voor de eigenaar.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 november 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met justitie.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door haar en haar raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht, en zoals die blijken uit het vroeghulpinterventierapport van Verslavingszorg Noord-Nederland van 1 mei 2007, het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 28 november 2007 en het adviesrapport van Reclassering Nederland d.d. 5 januari 2009.

Op grond van de inhoud van de verklaringen zoals door verdachte afgelegd en het door voornoemde deskundige Hoekstra opgemaakte Pro Justitia-rapport komt het hof tot het oordeel dat de feiten verdachte slechts in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De ernst van met name het bewezenverklaarde feit onder 1 meest subsidiair rechtvaardigt op zichzelf de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals ook opgelegd in eerste aanleg. Het hof kiest, conform de vordering van de advocaat-generaal, voor een andere strafmodaliteit op grond van na te noemen factoren.

Verdachte heeft zich voor begeleiding aangemeld bij de GGZ, ambulante zorg, waar zij elke week een gesprek heeft en heeft voorts hulp gezocht voor haar zoon. Het hof acht ook van belang dat het incident als 'situationeel gekleurd' kan worden beschouwd, zodat de kans op recidive laag ingeschat wordt. Voorts acht het hof van belang dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte zal leiden tot verlies van werk en inkomen en dat het nog jonge kind van verdachte, na het uit elkaar gaan van zijn ouders, door verdachte wordt opgevoed.

Alles afwegende is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is, maar dat deze voor een groot deel voorwaardelijk moet worden opgelegd. Het hof zal het onvoorwaardelijk op te leggen deel gelijk stellen aan de in voorarrest doorgebrachte periode. Aan de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden proeftijd van twee jaren verbindt het hof - naast de algemene voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd niet opnieuw een strafbaar feit zal plegen - een bijzondere voorwaarde. Deze houdt in dat, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, verdachte zich gedurende zes maanden, in plaats van de gevorderde acht maanden, onder elektronisch toezicht zal stellen. In een rapport van Reclassering Nederland d.d. 5 januari 2009 heeft Reclassering Nederland positief geadviseerd over een eventueel op te leggen elektronisch toezicht. Verdachte heeft aangegeven graag in aanmerking te willen komen voor een afdoening in de vorm van elektronisch toezicht. Het hof acht deze straf passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 (oud), 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van driehonderdzestig dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van driehonderdzesendertig dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende zes maanden onder elektronisch toezicht zal stellen met inachtneming van hetgeen daarover tussen de veroordeelde en de Reclassering zal worden overeengekomen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. G.J. Niezink en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra als griffier, zijnde mr. Niezink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.