Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH0526

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
24-002015-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim tien jaren schuldig gemaakt aan

- kort gezegd - het dealen van harddrugs. Uit de stukken blijkt dat verdachte een groot aantal personen, onder wie jongeren uit het dorp waar verdachte woont, van cocaïne heeft voorzien. Daardoor kon verdachte zijn eigen verslaving bekostigen. Door zo te handelen heeft verdachte de drempel voor deze jeugd om cocaïne te gaan gebruiken verlaagd en zodoende de gezondheid van de (veelal jonge) gebruikers in gevaar gebracht. Daarnaast is in de woning van verdachte cocaïne en een aantal xtc-pillen aangetroffen. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002015-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-880136-08

Arrest van 20 januari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van

24 juli 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [plaats PI], gevangenis [gevangenis] te [plaats gevangenis],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op verschillende data en/of tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 25 maart 2008 te [plaats] en/of te [plaats], (beide(n)) in de gemeente [gemeente], in elk geval (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2:

hij op of omstreeks 26 maart 2008 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 0,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of (in totaal) 10 (zogenaamde) XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

in de periode van 1 januari 1998 tot en met 25 maart 2008 te [plaats] en te [plaats], beiden in de gemeente [gemeente], meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2:

op 26 maart 2008 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal 0,58 gram cocaïne en in totaal 10 XTC-pillen, bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1:

ten aanzien van het verkopen en afleveren in de periode 1 januari 1998 tot en met 16 maart 2003:

de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het verkopen en afleveren in de periode van 17 maart 2003 tot en met 25 maart 2008:

de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het verstrekken en vervoeren in de periode van 1 januari 1998 tot en met 16 maart 2003:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het verstrekken en vervoeren in de periode van 17 maart 2003 tot en met 25 maart 2008:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim tien jaren schuldig gemaakt aan

- kort gezegd - het dealen van harddrugs. Uit de stukken blijkt dat verdachte in de bewezenverklaarde periode een groot aantal personen, onder wie veel jongeren uit het dorp waar verdachte woont, van cocaïne heeft voorzien. Daardoor kon verdachte zijn eigen verslaving bekostigen. Door zo te handelen heeft verdachte de drempel voor deze jongeren om cocaïne te gaan gebruiken verlaagd en heeft hij tevens de gezondheid van de door hem bediende gebruikers in gevaar gebracht. Voorts heeft verdachte onder meer gedeald in de voetbalkantine bij de club waar hij (destijds) voetbalde.

Daarnaast is in de woning van verdachte 0,58 gram cocaïne aangetroffen en een aantal xtc-pillen.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 december 2008, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, zij het niet voor delicten betreffende de Opiumwet.

Het hof heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend voorlichtingsrapport van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 15 april 2008.

De raadsman heeft bepleit de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf te beperken tot 24 maanden. Verdachte heeft gedurende een langere periode slechts kleine hoeveelheden cocaïne verstrekt aan een beperkte groep afnemers. Het voordeel voor verdachte is gering geweest. De in eerste aanleg opgelegde straf doet geen recht aan de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat zich in het dossier 18 verklaringen van personen bevinden die binnen de ten laste gelegde periode regelmatig van verdachte cocaïne kochten, variërend van een halve gram tot enkele grammen per keer. Dat een enkele persoon heeft verklaard dat het om tientallen grammen cocaïne per keer ging, zal het hof niet bij de bepaling van de hoogte van de strafmaat betrekken, nu het hof niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte kan worden aangemerkt als een grote dealer die voortdurend grote hoeveelheden cocaïne heeft geleverd. Wel zal het hof rekening houden met het gegeven dat verdachte in de bewezenverklaarde periode met onderbrekingen heeft gedeald.

Uit de oriëntatiepunten voor straftoemeting, vastgesteld door het Landelijk Overleg Voorzitters van Strafsectoren (LOVS) d.d. 31 oktober 2008 inzake opzettelijke overtreding van artikel 2, onder B van de Opiumwet, blijkt dat voor het met enige regelmaat verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs gedurende een periode van 6 tot 12 maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden geïndiceerd is.

Gelet op de lange periode waarin verdachte regelmatig drugs heeft geleverd aan personen, en gelet op het uitgangspunt van bovengenoemde oriëntatiepunten dat met enige regelmaat gebruikshoeveelheden harddrugs worden verstrekt, ziet het hof in het betoog van de raadsman dat het slechts om geringe hoeveelheden harddrugs ging en dat het voordeel voor verdachte gering was, geen aanleiding om aan verdachte slechts de door hem voorgestelde straf op te leggen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking komt, waarbij in het onderhavige geval het hof een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 (oud), 2, 10 (oud) en 10 van de Opiumwet en de artikelen 56, 57 (oud), 57, 63 (oud) en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. H.M. Poelman en

mr. S.H. Wachter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.