Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH0522

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
24-001766-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling. Geen opgave bezwaren ingediend en verdachte is niet verschenen. Belang benadeelde partij vergt inhoudelijke beoordeling van de zaak. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001766-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-651872-07

Arrest van 20 januari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 23 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, beslist op de vordering van de benadeelde partij en de maatregel van schadevergoeding opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte heeft geen bezwaren opgegeven tegen voornoemd vonnis van de politierechter. Nu verdachte evenmin ter terechtzitting is verschenen, ziet het hof zich gesteld voor de vraag of verdachte - gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. Gezien het belang van de benadeelde partij [slachtoffer] - haar vordering is door de eerste rechter ten dele toegewezen, terwijl zij de vordering in hoger beroep heeft gehandhaafd - bij beoordeling van haar vordering tot schadevergoeding, zal het hof geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de zaak inhoudelijk behandelen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd en haar zal veroordelen tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van

€ 1.181,23 en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in het meer of anders gevorderde.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 22 juli 2006, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] bij de keel en/of de nek en/of de hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) het hoofd en/of de hals en/of de nek (krachtig) heen en weer heeft bewogen en/of aan de haren heeft getrokken en/of (vervolgens) naar de grond heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid, waardoor die [slachtoffer], met het hoofd tegen een muur, ten val kwam, en/of (vervolgens), terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of tegen/in de buik, althans tegen het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 22 juli 2006, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), bij de keel en/of de nek en/of de hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) het hoofd en/of de hals en/of de nek (krachtig) heen en weer heeft bewogen en/of aan de haren heeft getrokken en/of (vervolgens) naar de grond heeft geduwd en/of op de grond heeft gegooid, waardoor die [slachtoffer], met het hoofd tegen een muur, ten val kwam, en/of (vervolgens), terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of tegen/in de buik, althans tegen het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair:

op 22 juli 2006, te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] bij de keel en de hals heeft vastgepakt en vervolgens het hoofd en de hals krachtig heen en weer heeft bewogen en aan de haren heeft getrokken en vervolgens naar de grond heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen tegen het hoofd en tegen de buik heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 22 juli 2006 te [plaats] in een horecagelegenheid schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het gevoel van veiligheid van anderen aangetast.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 december 2008 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Het hof acht de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde werkstraf passend en geboden. Het hof zal daarom verdachte tot die straf veroordelen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij

[slachtoffer] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 181,23 is toegewezen en dat zij niet-ontvankelijk is verklaard in het meer of anders gevorderde. Nu de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd, duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering tot schadevergoeding bestaat uit de volgende posten:

beschadigde schoenen € 49,00

verlies no-claim korting € 132,23

verlies gouden armband € 445,00

immateriële schade € 1500,00

Het hof acht voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij schade heeft geleden door de beschadigde schoenen en het verlies van de no-claim korting en zal de ter zake gevorderde schadevergoeding, zijnde een bedrag van € 181,23 toewijzen.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde schadevergoeding ter zake van het verlies van de gouden armband, nu niet eenvoudig is vast te stellen dat de armband tijdens het bewezenverklaarde feit verloren is geraakt, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op de gevolgen van het bewezenverklaarde feit voor de benadeelde partij zal het hof de vordering tot vergoeding van de tengevolge van het bewezenverklaarde strafbare feit geleden immateriële schade waarderen op een bedrag van € 750,--.

Ten aanzien van hetgeen ter zake van immateriële schade meer of anders is gevorderd, overweegt het hof dat uit de onderbouwing van de geleden immateriële schade blijkt dat mogelijk ook andere omstandigheden dan enkel het bewezenverklaarde feit een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van een posttraumatisch stresssyndroom bij de benadeelde partij. Hetgeen ter zake van immateriële schade meer of anders is gevorderd, is daarom niet eenvoudig vast te stellen. Derhalve zal het hof de benadeelde partij in hetgeen ter zake van immateriële schade meer of anders is gevorderd niet-ontvankelijk verklaren, met bepaling dat de benadeelde partij dit onderdeel van haar vordering tot schadevergoeding slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het voorgaande zal de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 931,23, met veroordeling van de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Het hof zal voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c (oud), 22d, 36f (oud), 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [plaats], tot een bedrag van negenhonderdeenendertig euro en drieëntwintig cent;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van negenhonderdeenendertig euro en drieëntwintig cent ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [plaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van achttien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. H.M. Poelman en

mr. S.H. Wachter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.