Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BH0374

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
BK 147/07 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO5001, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

a. de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat in de winst terecht belanghebbendes aandeel van 50 % van de onder 4.2 bedoelde hectaretoeslag van in totaal € 84.404,- ofwel € 42.402,- en voorts een tegemoetkoming wegens inkomstenbelasting van € 28.268,- is begrepen;

b. de rechtbank heeft ten onrechte de waardedruk wegens zelfbewoning van 34 % niet berekend over de ondergrond van de inpandige schuur, ten gevolge waarvan € 30,- ten onrechte in de heffing is begrepen;

c. de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het verschil tussen de WEV op 26 juni 2000 en de WEVAB op 26 juni 2000 inzake de ondergrond van de woning en de inpandige schuur ten bedrage van € 16.335,- terecht in de heffing is begrepen;

d. de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat in de winst terecht een tegemoetkoming wegens inkomstenbelasting van € 28.268,- is begrepen (indien het hof punt a niet honoreert).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/18.1.1
FutD 2009-0211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 147/07

Uitspraakdatum: 16 januari 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1854 van de rechtbank Leeuwarden van 9 juli 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 onder aanslagnummer 0000.00.000.H.26 (dagtekening 15 december 2004) een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.038,-, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.628,-.

1.2 Nadat belanghebbende daartegen een bezwaarschrift had ingediend, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 16 september 2005 het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.3 Bij uitspraak van 9 juli 2007, verzonden op 9 juli 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep tegen voornoemde uitspraak gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 377.824,--, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.628,--, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 402,50, de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aangewezen dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38,-- te vergoeden.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 13 augustus 2007 (met bijlagen), bij het hof ingekomen op 15 augustus 2007 en aangevuld bij brief van 4 januari 2008, ingekomen op 7 januari 2008 (met bijlagen).

De inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep (met bijlagen) ingediend, ingekomen op 15 februari 2008. Bij voornoemd verweerschrift heeft de inspecteur tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5 Belanghebbende heeft op 14 april 2008 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

1.6 Belanghebbende heeft op 21 april 2008 een conclusie van repliek (met bijlagen) ingediend en de inspecteur op 17 juni 2008 een conclusie van dupliek (met bijlagen).

1.7 Belanghebbende heeft op 26 november 2008 nog een brief (met bijlage) ingediend en de inspecteur op 4 december 2008 nog een brief (met bijlage).

1.8 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2008. Belanghebbende en zijn gemachtigde A zijn verschenen, bijgestaan door B (taxateur). Namens de inspecteur is verschenen de heer C.

1.9 Belanghebbendes gemachtigde, de taxateur en de inspecteur hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbendes gemachtigde bij zijn pleitnota een bijlage overgelegd.

1.10 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

De rechtbank heeft -voor zover in hoger beroep van belang- de volgende feiten vastgesteld. (De rechtbank noemt belanghebbende eiser en de inspecteur verweerder).

‘Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser dreef in het jaar 2002 samen met zijn echtgenote, mevrouw D, in maatschapsverband een onderneming, te weten: een melkveehouderij. Op grond van het maatschapscontract hebben eiser en diens echtgenote bij staking van onderneming ieder recht op 50 percent van de stille reserves.

2.2 De onderneming is gestaakt per 31 december 2002.

2.3 Tot het ondernemingsvermogen behoorden onroerende zaken, welke bij gelegenheid van de staking zijn overgebracht naar het privé vermogen van eiser en diens echtgenote. Het gaat daarbij om de volgende onroerende zaken:

- een woongedeelte met ondergrond en tuin;

- een aan het woongedeelte aangebouwde c.q. inpandige schuur (hierna ook: inpandige schuur);

- een losstaande schuur;

- een ligboxenstal;

- de ondergrond van de bedrijfsgedeelten en

- een aan de opstand grenzend weiland, groot circa een hectare.

2.4 De hiervoor - onder 2.3 - bedoelde inpandige schuur bevindt zich (ook oorspronkelijk) onder hetzelfde dak als het woongedeelte. Een aan het woongedeelte grenzend deel van de oorspronkelijke schuur is verbouwd tot woonruimte. Het woongedeelte en de schuur zijn van elkaar afgescheiden door middel van een afsluitbare tussendeur. Hoewel het woongedeelte ook een afzonderlijke (voor)deur heeft, gebruikt eiser nagenoeg altijd de ingang via de inpandige schuur om te woning te betreden. Voorts gebruikt eiser de inpandige schuur voor en na de staking van de onderneming vooral voor de stalling van privé vervoermiddelen. De inpandige schuur heeft daarnaast een grote onbenutte capaciteit die ook zou kunnen worden aangewend ten behoeve van derden, hetgeen evenwel - naar verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft erkend - alsdan een waardedrukkend effect voor de waarde van het woongedeelte zou opleveren. Naar eiser ter zitting uitdrukkelijk en onweersproken heeft verklaard, werden de hiervoor - onder 2.3 - bedoelde losstaande schuur, de ligboxenstal, de ondergrond van de bedrijfsgedeelten en het weiland voorafgaand aan de stakingsdatum niet voor privé doeleinden aangewend.

2.5 Blijkens een taxatierapport van 14 maart 2003 heeft er op 11 maart 2003 een minnelijke taxatie plaatsgevonden van alle hiervoor - onder 2.3 - bedoelde onroerende zaken. Naar partijen ter zitting eenparig hebben verklaard, is in deze taxatie geen aandacht besteed aan de eventuele waardedruk wegens zelfbewoning.

2.6 Bij de aanslagregeling heeft verweerder uitsluitend bij de waardevaststelling van het hiervoor - onder 2.3 - bedoelde woongedeelte met ondergrond en tuin een waardedruk wegens zelfbewoning in aanmerking genomen.

2.7 Ter zake van de staking van de onderneming heeft de maatschap waarvan eiser deel uitmaakt (hierna: de maatschap) een bedrijfsbeëindigingsvergoeding ontvangen van de koper van de landerijen, het E (E). Naast een koopsom van € 24.050,-- per hectare ter zake van de verkoop van landbouwgronden aan E, ontving de maatschap van E een subsidie voor bedrijfsbeëindiging van f 6.000,-- (€ 2.722,68) per hectare (in totaal € 84.804,--), alsmede - bij wijze van een tegemoetkoming in de ter zake van de stakingswinst verschuldigde inkomstenbelasting - een bedrag van f 4.000,-- (€ 1.815,12) per hectare (in totaal

€ 56.536,--), een en ander op grond van artikel 11 van de Regeling bedrijfshervestiging en

-beëindiging.’

2.8 Partijen hebben de door de rechtbank vastgestelde feiten niet betwist, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep zal uitgaan, met inachtneming van het in de volgende volzin vermelde. Partijen hebben omtrent het gebruik van de inpandige schuur in hoger beroep nadere opmerkingen gemaakt en de inspecteur heeft een nader waardedrukkend effect voor de waarde van het woongedeelte, zoals vermeld in 2.4, ontkend (zie 6.2).

3. Het geschil bij de rechtbank

‘3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I Heeft verweerder ten onrechte in de heffing begrepen de hiervoor - onder 2.7 - bedoelde bedrijfsbeëindigingssubsidie?

II Heeft verweerder ten onrechte in de heffing begrepen de hiervoor - onder 2.7 - bedoelde tegemoetkoming in de verschuldigde inkomstenbelasting ter zake van de staking?

III Is de door eiser behaalde winst bij staking van de onderneming door de overbrenging van de hiervoor - onder 2.3 - bedoelde onroerende zaken tot een te hoog bedrag in de heffing betrokken?

3.2 Eiser beantwoordt de bovenstaande vragen bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

3.3 Verweerder beantwoordt de bovenstaande vragen ontkennend, maar concludeert tot gegrondverklaring van het beroep wegens een ten onrechte op de onbelaste winst in mindering gebracht gedeelte van betaalde courtage, ten gevolge waarvan, naar zijn mening, de belastingaanslag moet worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 380.289,--, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.628,--.

3.4 Ten aanzien van vraag III, is eiser allereerst van mening dat op de winst behaald bij de overbrenging van de - onder 2.3 - bedoelde onroerende zaken de landbouwvrijstelling tevens had moeten worden toegepast op de ondergrond van bedrijfsgebouwen en het weiland. Hij beroept zich daarbij op een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 maart 2006, gepubliceerd in V-N 2006/57.2.2.

3.5 Ter zake van de ondergrond van de woning en de inpandige schuur meent eiser dat met toepassing van de foutenleer in het onderhavige jaar een onbelaste opwaardering had moeten plaatsvinden per 26 juni 2000.

3.6 Ter zake van de hiervoor - onder 2.3 - bedoelde inpandige schuur, de losstaande schuur, de ondergrond van de bedrijfsgedeelten en het weiland, had, naar de mening eiser, primair net als bij het woongedeelte, een waardedruk wegens zelfbewoning van 34 percent in aanmerking moeten worden genomen. Subsidiair is eiser van mening dat op grond van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de aangebouwde schuur rekening had moeten worden gehouden met een waardedruk van 34 percent en ten aanzien van de losstaande schuur, de ondergrond van de bedrijfsgedeelten en het weiland met een waardedruk van 20 percent.

3.7 Tussen de partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de ligboxenstal geen rekening hoeft te worden gehouden met een waardedruk wegens zelfbewoning. Voorts hebben partijen ter zitting eenparig verklaard dat voor het geval de inpandige schuur, naar het oordeel van de rechtbank, als onderdeel respectievelijk aangehorigheid van het woongedeelte moet worden beschouwd, er een waardedruk wegens zelfbewoning van 34 percent in aanmerking genomen moet worden. De fiscale verwerking van de makelaarscourtage is tussen partijen - naar zij ter zitting eenparig hebben verklaard - niet meer in geschil. Partijen hebben ten slotte verklaard in te stemmen met de cijfermatige uitwerking van elkaars standpunten.

3.8 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.’

4. Het oordeel van de rechtbank

‘4.1 De rechtbank heeft ten aanzien van de bedrijfsbeëindigingssubsidie geoordeeld als volgt.

Artikel 3.12, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) luidt: "Tot de winst behoren niet voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen - voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf.".

4.2 Zoals blijkt uit de hiervoor - onder 2.7 - weergegeven feiten, heeft de maatschap landbouwgronden overgedragen aan E voor een koopsom van € 24.050,-- per hectare.

Op grond van artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Regeling bedrijfshervestiging en - beëindiging ontving de maatschap van E daarnaast een bedrag van f 6.000,-- (€ 2.722,68) per hectare (de zogenoemde "hectaretoeslag") (in totaal € 84.804,--), welk bedrag blijkens de duidelijke tekst van en de toelichting op de Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging het karakter draagt van een subsidie voor bedrijfsbeëindiging. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze subsidie geen onderdeel uitmaakt van de koopsom waarvoor E de gronden heeft gekocht, noch is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van een subsidie die toe te rekenen aan de waardeontwikkeling van de grond. Daaraan doet, nog daargelaten dat eiser zulks niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt, niet af dat eiser heeft gesteld dat een derde de desbetreffende landbouwgronden had willen verwerven tegen een koopprijs, waarin de vorenbedoelde hectaretoeslag was inbegrepen, reeds omdat het door E bij wijze van hectaretoeslag betaalde bedrag een op forfaitaire wijze vastgesteld bedrag betreft zonder enig verband met eventuele waardestijging van de overgedragen landbouwgronden.

4.3 Het gelijk is dan ook ten aanzien van vraag I aan de zijde van verweerder.

4.4 De rechtbank heeft ten aanzien van tegemoetkoming in de verschuldigde inkomstenbelasting ter zake van de staking geoordeeld als volgt. Naar blijkt uit de hiervoor - onder 2.7 - weergegeven feiten, verkreeg de maatschap van E op grond van artikel 11, aanhef en onderdeel b, van de Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging een bedrag van f 4.000,-- (€ 1.815,12) per hectare (in totaal € 56.536,--). Blijkens de - ook op dit punt - duidelijke tekst van en de toelichting op de Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging draagt het laatstbedoelde bedrag het karakter van een tegemoetkoming voor de door eiser verschuldigde inkomstenbelasting ter zake van de winst van zijn onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank, heeft eiser met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval ter zake van het hierboven bedoelde bedrag sprake zou zijn van de vergoeding van belastingschade in de zin van het arrest HR 7 januari 1970, gepubliceerd in onder meer BNB 1970/236, zulks ondanks een eerder door hem gedaan bewijsaanbod waarvoor hij van de rechtbank gelegenheid heeft gekregen dat bewijs waar te maken.

4.5 Ook ten aanzien van vraag II is het gelijk derhalve aan de inspecteur.

4.6 Ten aanzien van de toepassing van de landbouwvrijstelling op de winst behaald bij de overbrenging naar het privé-vermogen van de - onder 2.3 - bedoelde ondergrond van bedrijfsgebouwen en het weiland, oordeelt de rechtbank, dat, bij staking van een landbouwonderneming de vermogensbestanddelen over gaan naar het privé-vermogen tegen de waarde in het economisch verkeer. Het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de boekwaarde vormt stakingswinst met dien verstande dat het verschil tussen de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming en de boekwaarde is vrijgesteld op grond van het bepaalde in artikel 3.12 Wet IB 2001. Dit is, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders als de grond na staking zijn agrarische bestemming behoudt.

4.7 Verweerder heeft dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, bij de aanslagregeling de landbouwvrijstelling op de juiste wijze toegepast.

4.8 Ten aanzien van de toepassing van de foutenleer op grond waarvan, naar eiser meent, de ondergrond van de woning en de inpandige schuur onbelast hadden moeten worden opgewaardeerd per 26 juni 2000, welke opwaardering in het onderhavige jaar in aanmerking genomen zou moeten worden, oordeelt de rechtbank als volgt. Ook in de onderhavige situatie heeft te gelden dat uit de wetsgeschiedenis niet anders kan worden afgeleid dan dat de wetgever met de terugwerkende kracht, verbonden aan de inwerkingtreding van de wijziging van art. 8, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, tot uitdrukking heeft gebracht dat de vóór 27 juni 2000 op grond van dat artikel bestaande vrijstelling van waardestijging vanaf die datum niet meer kan bestaan, nu de wetswijziging tot doel had de tot dan toe bestaande mogelijkheid tot het onbelast realiseren van bestemmingswijzigingswinsten te repareren. Daarmee strookt het niet, een keuzeherziening toe te laten waarbij op de daarbij te realiseren boekwinst de per 27 juni 2000 opgeheven vrijstelling nog van toepassing zou zijn. Ook een mogelijke toepassing van de compartimenteringsleer, die erop neer zou komen dat de heffing over de waardemutaties tot 27 juni 2000 nog zou worden beheerst door de toen geldende landbouwvrijstelling, zou afbreuk doen aan hetgeen de wetgever met de inwerkingtreding van de wijziging heeft beoogd. Voor zover eiser heeft willen betogen dat in zijn geval geen sprake was van bestemmingswijzigingswinst per 26 juni 2000, heeft hij zulks niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt, in welk verband de rechtbank nog verwijst naar rechtoverweging 4.6 hiervoor.

4.9 De grief van eiser op dit punt faalt derhalve.

4.10 Ten aanzien van de al dan niet in aanmerking te nemen waardedruk wegens zelfbewoning bij waardering van de hiervoor - onder 2.3 - bedoelde losstaande schuur, de ondergrond van de bedrijfsgedeelten en het weiland, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het door genoemde taxateurs gezamenlijk opgemaakte taxatierapport, alsmede de - hiervoor onder 2.4 bedoelde - verklaring van eiser ter zitting, maakt de rechtbank op dat ten tijde van de staking alleen het woongedeelte en de inpandige schuur, en niet de overige, voor agrarische doeleinden bestemde, gedeelten van het complex (voor zover hier relevant: de losstaande schuur, de ondergrond van de bedrijfsgedeelten en het weiland), als eigen woning door eiser in gebruik was. Laatstgenoemde onroerende zaken konden dan ook na de overgang naar het privé-vermogen direct en in volle omvang in gebruik worden genomen. Reeds daarom is de waardedruk wegens zelfbewoning niet van toepassing op de losstaande schuur, de ondergrond van de bedrijfsgedeelten en het weiland.

4.11 Het subsidiaire standpunt van eiser, op grond waarvan het gelijkheidsbeginsel, en meer in het bijzonder: begunstigend beleid van verweerder bij de toepassing van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2001, nr. CPP 2001/1381, onder meer gepubliceerd in V-N 2001/30.16, zou nopen tot het in aanmerking nemen van een waardedruk van 20 percent bij de waardering van de onder 4.10 bedoelde onroerende zaken, faalt, naar het oordeel van de rechtbank, reeds omdat eiser met de enkele constatering dat de inspecteur van Belastingdienst/Noord in de procedure die heeft geleid tot Hof Leeuwarden 22 oktober 2004, gepubliceerd in onder meer V-N 2005/7.13, een bepaald standpunt heeft ingenomen, nog niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat standpunt voortvloeide uit begunstigend beleid. Eiser, op wie, gelet op de betwisting daarvan door verweerder, ter zake de bewijslast rust, heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van begunstigend beleid op grond waarvan een waardedruk van 20 percent bij de waardering van de onder 4.10 bedoelde onroerende zaken in aanmerking genomen zou moeten worden.

4.12 Ten aanzien van de al dan niet in aanmerking te nemen waardedruk wegens zelfbewoning bij waardering van de hiervoor - onder 2.3 - bedoelde inpandige schuur, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de hiervoor - onder 2.4 - weergegeven feitelijke omstandigheden leidt de rechtbank af dat de inpandige schuur als onvoldoende zelfstandig onderdeel van het woongedeelte moet worden beschouwd. Voor die situatie is tussen partijen niet in geschil dat bij de waardering daarvan een waardedruk van 34 percent in aanmerking moet worden genomen. Zulks moet leiden tot een vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning met € 2.465,-- (zijnde de, blijkens het hiervoor - onder 2.5 - genoemde taxatierapport de waarde in het economische verkeer van de inpandige schuur, ad € 14.500,--, vermenigvuldigd met 34 percent, is € 4.930,--, waarvan 50 percent aan eiser moet worden toegerekend), hetgeen - met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 3.3 - leidt tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 377.824,--, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.628,--.

4.13 Op dit punt is het gelijk derhalve aan eiser.

4.14 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.’

5. Het geschil in hoger beroep

5.1 In hoger beroep stelt belanghebbende

a. de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat in de winst terecht belanghebbendes aandeel van 50 % van de onder 4.2 bedoelde hectaretoeslag van in totaal € 84.404,- ofwel € 42.402,- en voorts een tegemoetkoming wegens inkomstenbelasting van € 28.268,- is begrepen;

b. de rechtbank heeft ten onrechte de waardedruk wegens zelfbewoning van 34 % niet berekend over de ondergrond van de inpandige schuur, ten gevolge waarvan € 30,- ten onrechte in de heffing is begrepen;

c. de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het verschil tussen de WEV op 26 juni 2000 en de WEVAB op 26 juni 2000 inzake de ondergrond van de woning en de inpandige schuur ten bedrage van € 16.335,- terecht in de heffing is begrepen;

d. de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat in de winst terecht een tegemoetkoming wegens inkomstenbelasting van € 28.268,- is begrepen (indien het hof punt a niet honoreert).

5.2 De inspecteur is van opvatting dat de onder 5.1 letters a t/m d genoemde posten terecht in de heffing zijn betrokken.

5.3 De inspecteur stelt voorts in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er ten aanzien van de inpandige schuur sprake is van waardedruk wegens zelfbewoning. Ter zake bepleit de inspecteur een correctie van € 2.465,-.

6. Overwegingen van het hof omtrent het geschil in hoger beroep

6.1 Ten aanzien van de onder 5.1 a en d genoemde posten onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in 4.1 tot en met 4.4. Belanghebbende voert weliswaar aan dat de WEVAB van de verkochte landerijen minimaal gelijk is aan € 28.588,- per ha, echter, wat hiervan ook zij, het is niet mogelijk de landbouwvrijstelling ook van toepassing te verklaren op het verschil tussen de WEVAB en de koopsom, indien de WEVAB, zoals belanghebbende stelt, hoger zou zijn dan de koopsom.

6.2 Ten aanzien van de onder 5.1 b en 5.3 genoemde posten is het hof van oordeel dat de inpandige schuur, gelet op de grootte en de aard ervan -zie bijlagen H en K bij het verweerschrift van de inspecteur bij de rechtbank-, niet als een deel van de woning of een aanhorigheid daarvan kan worden beschouwd. De inpandige schuur kan naar het oordeel van het hof apart worden gebruikt. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat belanghebbende de schuur -zoals hij ter zitting van het hof heeft gesteld- de laatste 2 tot 3 jaar voor de staking niet gebruikt zou hebben voor bedrijfsdoeleinden, aangezien de inspecteur daartegenover heeft gesteld dat de inpandige schuur altijd mede in het kader van de onderneming is gebruikt, zodat de stelling van belanghebbende ter zake niet vaststaat en door het hof ook niet aannemelijk wordt geacht.

Er is derhalve geen reden om een waardedruk wegens zelfbewoning op de inpandige schuur met ondergrond toe te passen. De door de rechtbank toegepaste negatieve correctie van € 2.465,- (zie 4.12) dient derhalve te vervallen en de door belanghebbende bepleite correctie van € 30,- kan niet worden toegepast. Een extra waardedruk van het woongedeelte ten gevolge hiervan (die de inspecteur heeft ontkend in zijn conclusie van dupliek in hoger beroep -blz 8-) acht het hof tegenover deze ontkenning niet aannemelijk gemaakt.

Het incidenteel hoger beroep van de inspecteur is derhalve gegrond.

6.3 Ten aanzien van de onder 5.1 c genoemde post onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank onder 4.8 heeft overwogen. Belanghebbende heeft zich nog beroepen op de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, nr. 08/01614. Die conclusie gaat echter niet over het verschil tussen de WEV op 26 juni 2000 en de WEVAB op 26 juni 2000 inzake de ondergrond van de woning, dat volgens belanghebbende buiten de heffing zou kunnen blijven, maar over de behandeling van het verschil tussen de WEVAB en de fiscale boekwaarde. Het beroep op de conclusie is derhalve vergeefs.

6.4 Gelet op het voorgaande en het onder 3.3 vermelde dient te worden beslist als hierna te vermelden.

7. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

Het hof

verklaart het principaal hoger beroep ongegrond;

verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank behalve wat betreft de vermindering van de aanslag;

vernietigt de door de rechtbank toegepaste vermindering van de aanslag;

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 380.289,--, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.628,--.

Aldus vastgesteld op 16 januari 2009 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. F.J.W. Drion, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 21 januari 2009 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.