Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BG9013

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
08-01-2009
Zaaknummer
24-003000-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft van meet af aan bij de politie en in hoger beroep betoogd dat de auto, welke hij heeft vernield, zijn eigendom was. Verdachte heeft verklaard dat hij de wegenbelasting en de verzekering betaalde en dat de parkeerontheffing op zijn naam stond. In aanmerking nemend dat de omstandigheid dat het kentekenbewijs op naam van iemand is gesteld niet betekent dat daarmee tevens de eigendom van het voertuig is gegeven en verdachte voor de tenaamstelling op naam van [slachtoffer] een plausibele verklaring geeft, acht het hof de lezing van verdachte omtrent de eigendom van de auto niet onaannemelijk. Op grond daarvan kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de auto aan iemand anders toebehoorde dan aan verdachte. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak B ten laste gelegde feit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003000-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-820703-07 en 17-820708-07

Arrest van 7 januari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 20 november 2007 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 17-820703-07 en 17-820708-07 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1953] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde in zaken A en B zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak A:

hij op of omstreeks 27 juni 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

zaak B:

hij op of omstreeks 21 augustus 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een motorrijtuig (personenauto), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen in zaak B aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Verdachte heeft van meet af aan bij de politie en in hoger beroep betoogd dat de auto, welke hij heeft vernield, zijn eigendom was. Verdachte heeft verklaard dat hij de wegenbelasting en de verzekering betaalde en dat de parkeerontheffing op zijn naam stond. In aanmerking nemend dat de omstandigheid dat het kentekenbewijs op naam van iemand is gesteld niet betekent dat daarmee tevens de eigendom van het voertuig is gegeven en verdachte voor de tenaamstelling op naam van [slachtoffer] een plausibele verklaring geeft, acht het hof de lezing van verdachte omtrent de eigendom van de auto niet onaannemelijk. Op grond daarvan kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de auto aan iemand anders toebehoorde dan aan verdachte. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak B ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 juni 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit, toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

zaak A:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 27 juni 2007 te [plaats] schuldig gemaakt aan het vernielen van een ruit, toebehorende aan [slachtoffer]. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [slachtoffer].

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 september 2008 blijkt dat verdachte reeds meermalen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Op grond van vorenstaande acht het hof een werkstraf een passende sanctie. Nu het hof, anders dan de advocaat-generaal, verdachte van het in zaak B ten laste gelegde zal vrijspreken, acht het hof een kortere werkstraf dan door de advocaat-generaal gevorderd passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c (oud), 22d, 57 (oud), 63 (oud) en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak A ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van twintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. A. Dijkstra en

mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. C. Coster als griffier, zijnde mr. Koolschijn voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.