Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BH0019

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
107.001.719/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurvordering. Niet voldaan aan dwingend rechtelijke verplichtingen van de artikelen 7:252 onder e en 7:259 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 23 december 2008

Zaaknummer 107.001.719/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. E. van Wolde, kantoorhoudende te Groningen,

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.A. Schütz, kantoorhoudende te Leeuwarden,

die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 5 januari 2007 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 4 april 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 18 april 2007.

Bij de memorie van grieven zijn producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

''bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden d.d. 5 januari 2007 (rolnummer: 16426/ CV EXPL 05-453) gewezen tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van de oorspronkelijke eiser af te wijzen met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als hoger beroep.''

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

''bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank te bekrachtigen alsmede daarnaast [appellant] te veroordelen aan [geïntimeerde] op grond van de vermeerderde eis terzake de nutskosten de somma van Euro 4.120,92 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, toe te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.''

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten, [appellant] onder overlegging van een pleitnota.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof een dag bepaald waarop arrest zal worden gewezen.

De grieven

[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Als gesteld en niet betwist, dan wel op grond van de niet bestreden inhoud der overgelegde producties, staat het volgende tussen partijen vast:

* [appellant] heeft in of omstreeks maart 1991 van [geïntimeerde] woonruimte gehuurd aan de [adres].

* De huurprijs bedroeg bij aanvang van de huur Hfl. 550,-- per maand.

* [appellant] diende vooraf maandelijks een bedrag aan servicekosten te voldoen (voor gebruik gas en elektra), aanvankelijk van Hfl. 100,-- per maand.

* [appellant] is (na invoering van de euro) uitgegaan van een huurprijs van € 218,-- per maand.

* [geïntimeerde] heeft in ieder geval tot 1 januari 2004 aan [appellant] toekomende huursubsidie rechtstreeks ontvangen van het ministerie van VROM.

2. Stellend dat de huurprijs per 1 januari 2003 en per 1 januari 2004 op rechtmatige wijze is verhoogd en dat [appellant] met regelmaat geen of te weinig huur en servicekosten heeft betaald, vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg bij dagvaarding betaling van een bedrag groot € 4.262,53 van [appellant], te vermeerderen met de sinds 1 januari 2005 verschuldigde huurpenningen, alsmede ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Bij conclusie van repliek heeft [geïntimeerde] aangegeven dat op gemeld bedrag € 1.308,-- in mindering dient te strekken. Nadien heeft [geïntimeerde] (bij akte d.d. 3 maart 2006) zijn vordering vermeerderd tot € 6.772,88. De kantonrechter heeft het verzet tegen die vermeerdering van eis gegrond verklaard en bij eindvonnis, waarvan beroep, [appellant] - onder meer - veroordeeld tot betaling van een bedrag groot € 6.572,90 ter zake van huurachterstand.

3. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn vordering vermeerderd met een bedrag groot € 4.120,92 ter zake van servicekosten (gas en elektra).

Met betrekking tot de vermeerdering van eis:

4. [appellant] verzet zich tegen de vermeerdering van eis, deels op formele gronden ([geïntimeerde] zou appel hebben dienen in te stellen tegen de afwijzing ter zake in eerste aanleg) en deels op materiële gronden (de vordering is verjaard en onvoldoende gespecificeerd).

5. [appellant] ziet voorbij aan het bepaalde in lid 2 van artikel 130 Rv., waarin is bepaald dat tegen de beslissing van de kantonrechter om de eiswijziging niet toe te staan geen hogere voorziening openstaat.

6. Nu de bezwaren die [appellant] overigens tegen de vermeerdering van eis heeft inhoudelijk van aard zijn en niet inhouden dat die eis in strijd is met de goede procesorde en het hof ook ambtshalve geen bezwaren aanwezig acht om die vermeerdering toe te staan, zal recht worden gedaan op de vermeerderde eis.

Met betrekking tot grief I:

7. De grief komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat er in de jaren 2003 en 2004 een rechtsgeldige huurverhoging heeft plaatsgevonden.

8. De grief is gegrond. Wat er ook zij van hetgeen de kantonrechter heeft overwogen en beslist omtrent het tijdig in kennis stellen van [appellant] door [geïntimeerde] voor wat betreft de huurverhogingen, uit de ter zake overgelegde producties (bij de conclusie van repliek) blijkt dat de betreffende aanzeggingen niet voldoen aan het dwingend rechtelijk bepaalde in artikel 7:252 onder e BW (het voorstel tot huurverhoging vermeldt de wijze waarop en het tijdstip waarbinnen de huurder, wanneer hij bezwaren heeft tegen het voorstel, daarvan kan doen blijken, en de gevolgen die onderafdeling 2 paragraaf 1 afdeling 5, Titel 4 van Boek 7 BW daaraan verbindt).

Van een rechtsgeldige huurprijswijziging per 1 januari 2003 en per 1 april 2004 is derhalve geen sprake geweest.

Met betrekking tot grief 5:

9. De grief richt zich tegen de door de kantonrechter toegewezen servicekosten en stellen de vraag aan de orde of de in rekening gebrachte servicekosten realistisch zijn.

10. Het hof constateert dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] op enig moment heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7:259 BW. Voor wat betreft de door [geïntimeerde] in rekening gebrachte verhogingen van de servicekosten heeft bovendien te gelden dat niet is gesteld of gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in lid 1 van artikel 7:261 BW. Nu ook deze bepalingen van dwingend rechtelijke aard zijn, kan [geïntimeerde] in ieder geval geen aanspraak kan maken op een hoger bedrag aan servicekosten dan hetwelk bij de aanvang van de huurovereenkomst was overeengekomen (Hfl 100,--).

11. De grief treft doel.

Met betrekking tot de grieven 1 en 5, alsmede de overige grieven en het in hoger beroep door [appellant] gedane beroep op verjaring:.

12. [appellant] heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hetgeen [geïntimeerde] na eisvermeerdering heeft gevorderd in ieder geval is verjaard voor zover het betrekking heeft op de periode voor (9) januari 2003. Nu niet is gesteld of gebleken dat de verjaring (tijdig) is gestuit en daartegen ook overigens geen verweer is gevoerd, dient het beroep op verjaring te worden gehonoreerd.

13. Het hof moet, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, vaststellen dat de vordering van [geïntimeerde] voor wat betreft de huurachterstand volstrekt onvoldoende is onderbouwd om voor toewijzing (tot welke bedrag dan ook) in aanmerking te kunnen komen. Ontbrak ook reeds in eerste aanleg een deugdelijke specificatie, in hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn vordering niet nader gespecificeerd, ook niet nadat het hof ten pleidooie de raadsman van [geïntimeerde] heeft geconfronteerd met hetgeen hiervoor ten aanzien van de grieven 1 en 5 is overwogen.

14. De grieven treffen derhalve - wat daar verder ook van zij - ten volle doel, zodat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en de vordering inzake de achterstand van huur- en servicekosten van [geïntimeerde] alsnog volledig dient te worden afgewezen, hetgeen tevens meebrengt dat ook de daarmee samenhangende vorderingen alsnog dienen te worden afgewezen.

De slotsom

15. Het vonnis d.d. 5 januari 2007 waarvan beroep dient te worden vernietigd.

De vorderingen van [geïntimeerde] dienen alsnog te worden afgewezen.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (in hoger beroep voor salaris advocaat: 3 punten tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 5 januari 2007, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op nihil aan verschotten en € 1.125,-- aan geliquideerd salaris voor de gemachtigde,

in hoger beroep op € 335,31 aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan € 188,25 aan verschotten en € 3.807,-- voor geliquideerd salaris voor de advocaat die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter en mrs. Verschuur en Kuiper, radenen uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 december 2008 in bijzijn van de griffier.