Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG9223

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
107.001.654/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap.

Waardebepaling lijfrentepolis en varia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 december 2008

Zaaknummer 107.001.654/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P. Tuinman, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 5 oktober 2005 en 13 december 2006 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 maart 2007 is door de man hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 13 december 2006 met dagvaarding van de vrouw tegen de zitting van 21 maart 2007.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Groningen op 13 december 2006 tussen partijen gewezen onder zaaknummer 810124, rolnummer HA ZA 05-670, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, alsnog de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen te bevelen met veroordeling van partijen aan elkaar wegens overbedeling een bedrag te betalen dat uw Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, één en ander met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende;

2. te bepalen dat het door de man aan de vrouw te betalen bedrag in plaats van € 27.034,26

zal bedragen € 18.414,26 waarbij het door de vrouw aan de man te betalen bedrag van

€ 8.593,67 gelijk blijft, zodat per saldo door de man aan de vrouw te betalen zal zijn een bedrag van € 9.820,59."

Bij memorie van antwoord is door de vrouw verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

In principaal appel

de man in zijn hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren althans het beroep van de man ongegrond te verklaren,

In incidenteel appel

te bepalen dat de man ter zake van de camper aan de vrouw dient te voldoen een bedrag groot € 7.950,-- en ter zake van door hem ontvangen huurpenningen een bedrag groot € 907,57, zodat de man in totaal aan de vrouw dient te voldoen € 30.914,83 minus het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag groot € 8.593,67 zodat de man per saldo aan de vrouw dient te voldoen € 22.346,16."

Door de man is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"in het principaal appèl

1. de man uw Hof verzoekt bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal appel in aanvulling op het door de man onder 2 bij Memorie van Grieven verzochte, te bepalen dat het door de man aan de vrouw te betalen bedrag in plaats van

€ 18.414,26, een zodanig lager bedrag zal worden als uw Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

In het incidenteel appèl

2. In het incidenteel appèl de vrouw in haar hoger beroep niet ontvankelijk te verkaren, althans het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren;

In het voorwaardelijk incidenteel appèl

3. In het voorwaardelijk incidenteel appèl de vrouw in haar hoger beroep niet ontvankelijk te

Verklaren, althans het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren."

Voorts heeft de vrouw nog een akte genomen, waarna de man een antwoord-akte heeft genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

De man heeft in het principaal appel drie grieven opgeworpen.

De vrouw heeft in het incidenteel appel drie grieven opgeworpen, waarvan één voorwaardelijk.

De beoordeling

1. Tegen de door de rechtbank onder r.o. 1 van het bestreden als vaststaand aangemerkte feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1. Partijen zijn op 7 augustus 1964 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2. Partijen zijn op 1 maart 2002 feitelijk uiteengegaan.

2.3. De echtscheidingsbeschikking van 11 februari 2003 is op 4 maart 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. In de onderhavige procedure is de verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap aan de orde. In hoger beroep bestaan nog een beperkt aantal geschilpunten tussen partijen, die het hof per onderwerp zal behandelen.

Dubbeltelling in banksaldi

4. Tussen partijen is niet in geschil dat zij het totaal van de saldi van hun gezamenlijke bankrekeningen bij helfte dienen te verdelen. Voorts zijn partijen onderling overeengekomen dat voor de verdeling van de banksaldi als peildatum 5 maart 2002 dient te worden aangehouden (zie proces-verbaal comparitie van partijen d.d. 5 december 2005).

De rechtbank heeft het bedrag dat de man ter zake van de banksaldi per 5 maart 2002 aan de vrouw dient te betalen, bepaald op € 19.787,66, welk bedrag een optelling is van bedragen van € 6.166,48, € 4.010,27 en € 9.610,91.

5. De man voert bij grief I aan dat in deze banksaldi een dubbeltelling zit van een bedrag van € 6.250,--, omdat dit bedrag zowel is meegenomen bij rekeningnummer [rekeningnummer a] (saldo per 5 maart 2002: € 8.020,55), als bij rekeningnummer [rekeningnummer b], waarbij de rechtbank niet is uitgegaan van het saldo per 5 maart 2002 maar van dat van 27 februari 2002.

Het gaat echter om hetzelfde bedrag, dat van de laatstgenoemde naar de eerstgenoemde rekening is overgeboekt. Volgens de man dient op het totaal van de banksaldi dit bedrag in mindering te worden gebracht; op het bedrag van

€ 19.787,66 dat hij aan de vrouw moet betalen, dient de helft van € 6.250,--, dat is € 3.125,--, in mindering te worden gebracht.

6. De vrouw erkent dat sprake is van een dubbeltelling van € 6.250,--. Zij stelt echter dat van dat bedrag een auto voor haar is aangekocht. Deze auto is, evenals de auto die de man reeds in zijn bezit had, betrokken in de verdeling van de huwelijksgemeenschap in die zin dat elk van partijen de bij hem/haar in bezit zijnde auto heeft toebedeeld gekregen, onder verrekening van een bedrag van

€ 380,--. Volgens de vrouw zou verrekening van de dubbeltelling van € 6.250,-- tot gevolg hebben dat de man wordt bevoordeeld, omdat de tot de huwelijksgemeenschap behorende auto aan de man is toebedeeld zonder enige verrekening.

7. Het hof overweegt het volgende.

Nu de vrouw erkent dat sprake is van een dubbeltelling van € 6.250,-- bij de optelling van de banksaldi, dient dit te worden gecorrigeerd. Op het door de man wegens overbedeling ter zake van de banksaldi aan de vrouw te betalen bedrag van € 19.787,66 dient derhalve een bedrag van € 3.125,-- in mindering te worden gebracht.

Daarmee slaagt grief I van de man.

Hierna, bij r.o. 18 en verder, zal het hof nog nader ingaan op de kwestie van de verdeling van de auto's.

Lijfrentepolis

8. Door de man wordt bij grief II aangevoerd dat de rechtbank verzuimd heeft de lijfrentepolis op naam van de vrouw met nummer [nummer] (lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden) in de verdeling te betrekken. De afkoopwaarde van deze polis bedraagt per 1 juni 2006 € 9.175,--. Op deze waarde dient in mindering te worden gebracht een bedrag in verband met de op de uitkering van de afkoopwaarde rustende latente belastingclaim. Deze claim is volgens de man te stellen op 20% van de afkoopwaarde, waarbij de man uitgaat van de gemiddelde belastingdruk tussen de 23,5% en 15,75%.

9. De vrouw erkent dat de rechtbank verzuimd heeft de genoemde lijfrentepolis, die bij haar in bezit is, in de verdeling te betrekken. Voor wat betreft de afkoopwaarde van de polis stelt de vrouw primair dat de man in zijn akte van 18 oktober 2006 heeft erkend dat deze € 2.569,-- beliep, zodat daar vanuit dient te worden gegaan. Subsidiair erkent de vrouw de door de man genoemde waarde van € 9.175,--, zij het dat daarop niet 20% maar 23,5% belastingclaim in mindering te worden gebracht. De vrouw stelt dat haar AOW plus de lijfrente-uitkeringen, haar inkomsten te zijner tijd in de tweede belastingschijf (65+) zullen doen vallen.

10. Het hof overweegt het volgende.

Met partijen zal het hof uitgaan van de afkoopwaarde van de polis van € 9.175,--. Het hof overweegt in dit verband dat de vrouw niet heeft weersproken dat de polis in werkelijkheid niet is afgekocht, zodat de belastingheffing waarvan sprake is in de brief van 8 juni 2006 van Nationale Nederlanden, niet zal plaatsvinden. Het hof is daarom van oordeel dat de man niet kan worden gehouden aan zijn erkenning in onderdeel 12 van de akte van 18 oktober 2006 dat de netto afkoopwaarde van de polis € 2.569,-- beliep.

Naar 's hofs oordeel heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat wanneer zij de leeftijd van 65 jaar zal hebben bereikt, haar inkomsten meer zullen zijn dan € 17.000,--. Om die reden zal het hof uitgaan van een (gemiddelde) belastingdruk van 20%. Dit betekent dat op de afkoopwaarde een bedrag van

€ 1.835,-- in mindering dient te worden gebracht, zodat een bedrag van

€ 7.340,-- alsnog in de verdeling dient te worden betrokken.

De helft van dit bedrag, € 3.670,-- dient de vrouw aan de man te voldoen.

Camper

11. Voorts is aan de orde de waarde waarvoor de aan partijen toebehorende camper in de verdeling moet worden betrokken. De rechtbank heeft de waarde van de camper gesteld op € 9.900,--, overeenkomstig het bedrag waarvoor de camper in 2002 is getaxeerd. De rechtbank is daarbij voorbijgegaan aan de stelling van de man dat een aftrek moet worden toegepast in verband met schade aan de camper. Ook heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de door de man in het geding gebrachte reparatienota's, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank, kort gezegd, niet goed te verenigen waren met de stellingen van de man.

12. De man verzet zich bij grief III tegen de waarde van € 9.900,--. Volgens de man moet worden uitgegaan van het bedrag waarvoor hij de camper heeft verkocht op 16 april 2004, te weten € 6.250,--. Het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopwaarde is te verklaren doordat de vrouw bij het achteruit manoeuvreren met de camper uit een garage schade aan de camper heeft veroorzaakt. De schade bestond uit beschadiging van de zijkant van de camper. De kosten voor reparatie van deze schade zou € 3.900,-- hebben bedragen, waarop de man besloten heeft deze reparatie niet te laten uitvoeren en de camper met schade te verkopen.

Voorts voert de man aan dat hij onderhouds- c.q. reparatiekosten aan de camper heeft moeten maken in de periode dat hij de camper in gebruik had. Deze kosten bedroegen € 1.101,72 en € 3.261,25. Wanneer wordt uitgegaan van de taxatie van € 9.900,--, is de man van mening dat deze kosten daarop in mindering moeten worden gebracht.

13. Ook de vrouw is het niet eens met de waarde waarvoor de rechtbank de camper in de verdeling heeft betrokken. De vrouw betoogt bij haar grief I (in het incidenteel appel) dat de waarde van de camper gesteld moet worden op € 15.900,--, te weten het bedrag waarop de camper in april 2002 is getaxeerd door [betrokkene]. De vrouw voert daarbij nog aan dat de man aanvankelijk de waarde van de camper zelf gesteld had op € 13.613,--. Voorts betwist de vrouw dat zij schade aan de camper zou hebben veroorzaakt. Verder voert de vrouw nog aan dat de man vanaf het uiteengaan van partijen feitelijk ook het gebruik van de camper heeft gehad.

14. Het hof overweegt het volgende.

Vaststaat dat [betrokkene 1], verbonden aan Recreatie BV te Oude Pekela, in een op 27 maart 2002 gedateerd taxatierapport, de waarde van de camper heeft bepaald op € 9.900,--. Ook bevindt zich in de dossier een taxatie (volgens de vrouw uitgevoerd in april 2002) van [betrokkene] van € 15.900,--. Verder staat vast dat de camper op 16 april 2004 verkocht is voor een bedrag van € 6.250,--.

Naar 's hofs oordeel dient te worden uitgegaan van de waarde van de camper per datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, zijnde 4 maart 2003. Het hof overweegt hierbij dat uit de stukken niet blijkt dat partijen voor de verdeling van alle zaken uit de gemeenschap (naast de banksaldi) als peildatum 1 maart 2002 overeengekomen zijn. Het hof overweegt hierbij dat het uit de stellingen van partijen afleidt dat het van meet af aan de bedoeling van partijen is geweest dat de camper zou worden verkocht.

Voorts is het hof van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat in of kort na maart/april 2002 schade aan de camper is ontstaan. Het hof verwijst naar de door de man in het geding gebrachte verklaringen [getuige 1] d.d. 8 maart 2005, alsmede naar de verklaring van [getuige 2] d.d. 15 juni 2006 waaruit blijkt dat er schade aan de zijwand van de camper was ontstaan.

In dit licht is het hof van oordeel dat niet kan worden uitgegaan van de taxatiewaarden van € 9.900,-- c.q. € 15.900,--, nu deze immers betrekking hebben op de camper in ombeschadigde staat. Het hof acht het redelijk om uit te gaan van het bedrag waarvoor de camper in 2004 verkocht is, zij het dat daarop een correctie dient te worden aangebracht omdat de verkoop ná de peildatum heeft plaatsgevonden. Het hof merkt hierbij nog op dat de man bij schrijven van 27 februari 2004 de vrouw heeft laten weten de camper te zullen verkopen voor het hoogste bod, € 6.250,--, en haar in de gelegenheid heeft gesteld om aan te geven of zij akkoord is met een verkoop voor dit bedrag. De vrouw heeft hierop echter niet gereageerd, zodat de man er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat zij zich kon vinden in een verkoop van de camper voor het genoemde bedrag. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een hogere waarde van de camper, als door de vrouw gewenst.

Wel zal, zoals gezegd, een correctie plaats dienen te vinden omdat de peildatum voor scheiding en deling 4 maart 2003 (en niet 2004) is. Het hof zal de waardevermindering van de camper schattenderwijs vaststellen op € 1.000,--, zodat het hof uitgaat van een waarde van de camper per 4 maart 2003 van

€ 7.250,--. Dit betekent dat de man de helft van het verschil in waarde (€ 9.900,-- minus € 7.250,--, dat is € 2.650,--) € 1.325,-- minder aan de vrouw hoeft te voldoen.

Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat de door de man in het geding reparatienota's, wat daar verder ook van zijn, verder niet van belang zijn, nu het redelijk is dat de man deze kosten draagt aangezien hij ook het genot van de camper heeft gehad in de betreffende periode.

Grief III van de man slaagt gedeeltelijk; (incidentele) grief I van de vrouw faalt.

Huuropbrengsten

15. De vrouw voert bij haar grief II in het incidenteel appel aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de huuropbrengsten van het bedrijfspand van partijen, voor zover deze zijn ontvangen na 5 maart 2002. Daarbij gaat het volgens de vrouw om de helft van tweemaal een bedrag van

€ 907,57. De vrouw stelt hierbij dat partijen bij hun uiteengaan hebben afgesproken dat de helft van de huur aan de man en de helft van de huur aan de vrouw diende te worden voldaan. Dat is vanaf mei 2002 ook gebeurd; alleen de huur voor de maanden maart en april 2002 zijn uitsluitend door de man ontvangen.

16. De man stelt dat deze bedragen niet behoeven te worden verrekend omdat partijen als peildatum voor de boedelverdeling 1 maart 2002 overeengekomen zijn.

Voorts voert hij aan dat hij ook de kosten van de bedrijfsruimte heeft voldaan.

17. Het hof overweegt het volgende.

Zoals hiervoor in r.o. 14 al is overwogen, is niet gesteld of gebleken dat de peildatum van 1 maart 2002 ook andere zaken dan de banksaldi geldt. Derhalve dient te worden uitgegaan van de peildatum 14 maart 2003.

Nu de man niet heeft betwist dat partijen overeengekomen waren dat zij beiden bij helfte recht hadden op de huur, en dat vanaf mei 2002 de huur ook feitelijk bij helfte aan elk van hen is voldaan, heeft de vrouw recht op verrekening van de door de man ontvangen huur in de maanden maart en april 2002. De banksaldi van partijen zijn immers reeds verdeeld vóór ontvangst van deze huurbedragen.

Niet duidelijk is welke kosten de man ter zake zou willen verrekenen, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat.

De man dient de vrouw derhalve nog een bedrag van € 907,57 te voldoen.

Auto's

18. De rechtbank heeft zowel de auto van de man als die van de vrouw in de verdeling betrokken. Daarbij heeft de rechtbank, op voorstel van de man, de waarde van de auto's tegen elkaar weggestreept en de vrouw veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 380,-- aan de man.

19. In het voorwaardelijk incidenteel appel - ingesteld onder de voorwaarde dat het hof het standpunt van de man volgt inzake de correctie van de dubbeltelling van het bedrag van € 6.250,-- - heeft de vrouw bij grief I aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de Audi aan de man heeft toebedeeld zonder verrekening van de waarde daarvan.

De vrouw voert hiertoe aan dat met het bedrag van € 6.250,-- een auto voor haar is aangekocht.

20. De man is het niet eens met de vrouw. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel stelt hij dat hij in feite onderbedeeld is door de wijze waarop de auto's in de verdeling zijn betrokken, doch bij zijn daarna nog genomen antwoordakte maakt hij hiervan geen melding meer en stelt hij dat met de wijze waarop de rechtbank de auto's heeft verdeeld, "de kous af is". Het hof begrijpt dit aldus, dat geen sprake is van een (late) eisvermeerdering op dit punt, te meer waar de man in de akte van 18 oktober 2006 uitdrukkelijk afstand had gedaan van nadere verdeling van de auto's, mits een bedrag van € 760,-- in de verrekening zou worden betrokken, aan welke voorwaarde de rechtbank in onderdeel 8.3 van het vonnis heeft voldaan..

21. Het hof kan het standpunt van de vrouw niet volgen. Uit de stukken blijkt dat de auto van de vrouw is voldaan uit privé-gelden van de man, nu het aankoopbedrag immers ná de verdelingsdatum is betaald van de bankrekening die daarvoor aan partijen gezamenlijk toebehoorde en daarna alleen aan de man. De vrouw is hiermee al bevoordeeld. Hierbij komt dat de waarde van aan de vrouw toebedeelde auto hoger was (aangekocht voor een bedrag van € 6.022,35) dan de Audi van de man (volgens de man, niet inhoudelijk betwist door de vrouw: ongeveer € 2.900,--).

Niet is in te zien dat het corrigeren van de dubbeltelling in de banksaldi (zie hierboven) op enige wijze gevolgen heeft voor de wijze waarop de auto's zijn verdeeld.

De grief faalt.

Resumé

22. Hetgeen hiervoor is overwogen en beslist leidt ertoe dat op de door de rechtbank gemaakte verdeling de volgende correcties dienen te worden uitgevoerd.

r.o. 7: € 3.125,-- in mindering op het door de man aan de vrouw te betalen bedrag;

r.o. 10: € 3.670,-- dient de vrouw aan de man te voldoen;

r.o. 14: € 1.325,-- in mindering op het door de man aan de vrouw te betalen bedrag;

r.o. 17: € 907,57 dient de man nog aan de vrouw te voldoen;

Per saldo dient de man aldus € 3.542,43 minder dan het door rechtbank bepaalde

bedrag van € 27.034,26 aan de vrouw te betalen. Daarmee resteert een bedrag van

€ 23.491,83.dat de man aan de vrouw dient te betalen.

Voorts dient de vrouw nog € 3.670,-- aan de man te voldoen, bovenop het door

de rechtbank bepaalde bedrag van € 8.593,67, derhalve in totaal € 12.263,67.

Slotsom

23. De grieven van de man slagen gedeeltelijk; van de grieven van de vrouw slaagt alleen grief II. Het bestreden vonnis zal deels worden vernietigd en beslist zal worden als hierna in het dictum te bepalen.

Nu partijen voorheen echtelieden waren, zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 13 december 2006, doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarin:

- sub 1.a van het dictum de man heeft veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 27.034,26 aan de vrouw;

- sub 1.b van het dictum de vrouw heeft veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 8.593,67;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

I. bepaalt dat de man aan de vrouw betaalt een bedrag van € 23.491,83;

II. bepaalt dat de vrouw aan de man betaalt een bedrag van € 12.263,67;.

SsLO

III. bekrachtigt het vonnis van 13 december 2006 voor het overige;

IV. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de

eigen kosten van het hoger beroep draagt;

V. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VI. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, De Bock en Onnes-Wind, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 december 2008 in bijzijn van de griffier.