Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG8457

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
200.006.848
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrouw stemt niet in met vervangende toestemming erkenning, omdat dit de band tussen haar en het kind ernstig verstoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 december 2008

Zaaknummer 200.006.848

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat (gewezen procureur) mr. P.R. van den Elst,

behandelend advocaat mr. B.H. Werink, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de man ],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat (gewezen procureur) mr. R.W. de Casseres,

behandelend advocaat mr. M.H. Heeg, kantoorhoudende te Groningen.

Belanghebbende:

mr. [naam 1 ],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de bijzonder curator.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 26 februari 2008 heeft de rechtbank Groningen het verzoek van de man om vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van de minderjarige [de minderjarige]hierna: [de minderjarige]), geboren op [datum ] 2006 te [geboorteplaats], toegewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 mei 2008, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 26 februari 2008 te vernietigen en opnieuw beslissende de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek te verklaren, dan wel hem dit verzoek te ontzeggen.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 juli 2008, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht te bestreden beschikking te bevestigen, onder veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 4 juni 2008, van de raad voor de kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (hierna: de raad) en een brief d.d. 23 oktober 2008 van mr. Van den Elst, met als bijlage een kopie van de brief van de raad van 17 juli 2008.

Ter zitting van 20 november 2008 is de zaak behandeld.

Verschenen zijn de vrouw en haar advocaat, de man en zijn advocaat, de bijzonder curator en de heer [naam 2 ] namens de raad.

De beoordeling

Inleiding

1. De vrouw heeft een relatie met de man gehad. Uit die relatie is [de minderjarige] geboren. Het gezag over [de minderjarige] berust alleen bij de vrouw.

2. De man wil [de minderjarige] erkennen als zijn dochter, de vrouw stemt hiermee niet in.

3. De rechtbank heeft de man bij beschikking van 26 februari 2008 op zijn verzoek vervangende toestemming verleend.

4. Tevens heeft de rechtbank het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen aangehouden, met verzoek aan de raad om een onderzoek naar de omgangsregeling in te stellen. Bij brief van de raad van 17 juli 2008 is de rechtbank verzocht de zaak op dit onderdeel aan te houden tot een zitting in januari 2009.

Overigens ligt de omgangsregeling niet in hoger beroep bij het hof voor.

De overwegingen van het hof

5. Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, hierop neerkomende dat enerzijds de vrouw niet heeft bestreden dat de man de verwekker van [de minderjarige] is en dat anderzijds niet kan worden aangenomen dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind zullen worden geschaad, indien de rechter de vervangende toestemming tot erkenning verleent.

6. De vrouw heeft aangevoerd dat zij zes kinderen heeft uit verschillende relaties. Met de vader van haar twee oudste kinderen heeft zij een jarenlange strijd gevoerd over het hoofdverblijf van en de omgangsregeling met de kinderen. Zij is er angstig voor dat zij ook met de man een dergelijke strijd zal moeten voeren als zijn verzoek wordt toegewezen. Het hof acht die angst niet redengevend om het verzoek af te wijzen, omdat de vrouw wel heeft gesteld, maar onvoldoende heeft onderbouwd dat de band met [de minderjarige] hierdoor verstoord zal raken of dat diens belangen anderszins zullen worden geschaad. Het hof acht dit ook niet aannemelijk. Weliswaar heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij “psychisch een geweldige klap” heeft gehad van de beslissing van de rechtbank, dat haar gevoelens voor [de minderjarige] reeds daardoor volledig verstoord zijn geraakt en dat zij in [de minderjarige] voortdurend de man ziet en het daar zeer moeilijk mee heeft, maar ook daarvoor geldt dat dit onvoldoende onderbouwd is, omdat een rapport daarover van een onafhankelijke psychiatrisch deskundige ontbreekt en de enkele stelling van de vrouw dat zij onder psychiatrische behandeling is ontoereikend is om haar verweer te kunnen schragen. Voorts staat geenszins vast dat dit - indien al zou moeten worden aangenomen dat dit werkelijk zo is - van blijvende aard is of van een zo lange duur zal zijn dat het hof daarmee rekening zou moeten houden. In dit verband overweegt het hof dat de vrouw niet rept over een verstoorde band met haar oudste kinderen die, naar het hof begrijpt uit het betoog van de vrouw, destijds door hun vader zijn erkend. Voor een ambtshalve te gelasten nader onderzoek van de psychische gesteldheid van de vrouw ziet het hof bij deze stand van zaken geen aanknopingspunten.

7. Anders dan de rechtbank acht het hof voor de beoordeling van deze kwestie overigens niet van belang dat de man behoudens de erkenning niets meer zou verlangen dan een omgangsregeling. De vervangende toestemming kan immers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en uit een oogpunt van goede zeden niet afhankelijk worden gesteld van een toezegging of een bereidverklaring van de man op dit punt en evenmin van een voorwaarde van de vrouw met eenzelfde strekking. Zoals de vertegenwoordiger van de raad ter zitting van het hof terecht heeft opgemerkt, de erkenning door de man is juist een eerste steen waarop de relatie tussen hem en [de minderjarige] eventueel verder kan worden uitgebouwd. Of dit laatste het geval zal zijn, is van tal van factoren afhankelijk. Indien de vrouw in haar afwijzende houding ten opzichte van de man in zijn relatie met [de minderjarige] zal volharden, zal de tussenkomst van de rechter in voorkomende gevallen misschien onvermijdelijk zijn. De eventuele bezwaren van de vrouw zullen dan in het licht van de dan geldende feiten en omstandigheden moeten worden getoetst en afgewogen tegenover de belangen van [de minderjarige] en die van de man. Voor zover de vrouw met haar standpunt in deze procedure beoogt die beoordeling bij voorbaat onmogelijk te maken, kan het hof dit niet aanvaarden.

8. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek van de man in hoger beroep deelt het hof ten slotte nog de visie van de bijzonder curator dat [de minderjarige] er belang bij heeft te weten wie zijn vader is en dat er met deze vader een familierechtelijke betrekking ontstaat. Dit hangt nauw samen met het recht van [de minderjarige] op eerbiediging van zijn identiteit. De man heeft er belang bij dat een familieleven met [de minderjarige] niet verder wordt verstoord door de omstandigheid dat de vrouw daartegen bezwaren zou hebben. Het hof acht die bezwaren, zoals uit het voorgaande volgt, ontoereikend om de erkenning tegen te houden. Dat wordt niet anders doordat de vrouw nog kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de wijze waarop de man in het verleden met [de minderjarige] zou zijn omgegaan.

9. De bestreden beschikking moet dus worden bekrachtigd. Het hof acht geen termen aanwezig om, zoals de man heeft verzocht, de kosten van deze procedure in hoger beroep ten laste te brengen van de vrouw en in zoverre dus af te wijken van het gebruik dat de kosten van een procedure tussen ex-partners worden gecompenseerd, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt. Ook al wordt de vrouw in het ongelijk gesteld, niet kan worden gezegd dat zij tegen beter weten in of zonder enige grond in hoger beroep is gekomen, dan wel van dit recht misbruik heeft gemaakt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 26 februari 2008, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen kosten van dit hoger beroep zal dragen.

Aldus gegeven door mrs. Hermans, vice-president als voorzitter, De Hek en Asscheman-Versluis, raden en in het openbaar uitgesproken op woensdag

24 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.