Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG7989

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
200.009.870
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hierbij komt dat de advocaat van de moeder er terecht op gewezen heeft dat het aanvankelijke voorstel tot 'crisisuithuisplaatsing', voor zover het hof dit kan nagaan op basis van de stukken die de Stichting thans heeft overgelegd, al mager gedocumenteerd was. Weliswaar verwijst de Stichting naar verklaringen van 'de kinderartsen', maar niet duidelijk is wie dat zijn en wat zij dan precies hebben verklaard. In de beschikbare rapportage van de verpleegkundigen komen geen passages voor van een zodanige ernst dat voor de hand ligt dat de pasgeborene bij de ouders wordt weggenomen. Eerder valt op dat in positieve zin wordt gesproken over de zorg van de moeder voor haar baby. Voorts blijkt dat de raad voor de kinderbescherming al in een vroeg stadium zorgen heeft geuit, maar dat hij tevens heeft uitgesproken dat er onderzoek moest worden gedaan omdat dit nog niet in voldoende mate was gebeurd. Ook dit alles had de Stichting tot een aanmerkelijk grotere zorgvuldigheid moeten leiden bij de voorbereiding van het huidige hoger beroep.

Intussen maakt het hof zich er grote zorgen over dat de ouders, zoals ter zitting is gebleken, uit elkaar zijn gegaan en dat deze scheiding, naar zij niet hebben betwist, niet zonder tumult is verlopen. Dat roept vragen op over de feitelijke mogelijkheden om [ de minderjarige] bij de ouders of een van hen thuis te plaatsen. Het lijkt niet verantwoord de uithuisplaatsing nu al te beëindigen zonder zicht op de omstandigheden waaronder de thuisplaatsing zou dienen te geschieden.

Het hof zal daarom, uitgaande van het gegeven dat de juridische mogelijkheden om de uithuisplaatsing van [ de minderjarige] te continueren bij de huidige stand van zaken ontbreken, de raad voor de kinderbescherming vragen op korte termijn een onderzoek naar die omstandigheden in te stellen en in samenhang daarmee te adviseren over de wijze waarop en de fasering in de tijd waarop die thuisplaatsing zal kunnen worden gerealiseerd en welke maatregelen ter ondersteuning van de moeder en/of de vader daarvoor eventueel noodzakelijk zijn of wenselijk worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 8 december 2008

Zaaknummer 200.009.870

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

1. [ de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

2. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat (gewezen procureur) mr. A. de Haan,

kantoorhoudende te Heerenveen

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

aan wie de uitvoering van de ondertoezichtstelling namens Bureau Jeugdzorg Friesland in mandaat is opgedragen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Stichting.

Belanghebbende:

de familie [naam 1 ],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: het pleeggezin.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 16 april 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [datum ] 2007, met ingang van 25 april 2008 verlengd voor de termijn van een jaar.

Bij afzonderlijke beschikking van diezelfde datum heeft de kinderrechter eveneens de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing van deze minderjarige in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 april 2008 verlengd voor de termijn van een jaar, derhalve tot 25 april 2009.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 juli 2008, hebben de ouders verzocht de beschikking van 16 april 2008 ten aanzien van de uithuisplaatsing te vernietigen en opnieuw beslissende naar het hof begrijpt het inleidend verzoek van de Stichting strekkende tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [ de minderjarige] af te wijzen.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 juli 2008, heeft de William Schrikker Stichting het verzoek bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een brief van 16 juli 2008 van de raad voor de kinderbescherming, inhoudende dat er geen recente stukken bij de raad aanwezig zijn, en van een brief van 20 november 2008 van [de pleegmoeder], de pleegmoeder van [ de minderjarige], kort omschreven inhoudende dat de pleegouders bereid blijven zich in te zetten voor de verdere goede ontwikkeling van de minderjarige.

Ter zitting van 25 november2008 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de ouders bijgestaan door hun advocaat mr. De Haan en de dames [naam 2 ] en [naam 3 ] namens de Stichting. Van de zijde van de raad is de heer [naam 4 ] verschenen.

Voorgeschiedenis

[ de minderjarige] is geboren uit de affectieve relatie van de ouders. De moeder oefent -van rechtswege- het gezag over [ de minderjarige] alleen uit.

[ de minderjarige] is enkele dagen na haar geboorte bij beschikking van 25 april 2007 voorlopig onder toezicht gesteld, voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van 10 mei 2007 is de definitieve ondertoezichtstelling uitgesproken, ingaande op 25 juli 2007 tot 25 april 2008. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 16 april 2008 verlengd met de duur van een jaar, ingaande 25 april 2008. De ouders zijn niet in hoger beroep gekomen van deze beschikking

Bij beschikking van 1 mei 2007 is machtiging verleend om [ de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 10 mei 2007 is de machtiging bevestigd en verlengd met ingang van 29 mei 2007 tot 1 augustus 2007. Bij beschikking van 25 juli 2007 is de machtiging wederom verlengd tot 1 december 2007. Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 14 november 2007. Bij beschikking van 30 november 2007 heeft wederom verlenging van de machtiging plaatsgevonden, en wel tot 25 april 2008. De termijn is bij de beroepen beschikking van 16 april 2008 verlengd voor de duur van een jaar, ingaande 25 april 2008. Het hoger beroep van de ouders is tegen deze beschikking gericht.

[ de minderjarige] is op basis van de verleende machtiging spoeduithuisplaatsing uit het ziekenhuis, waar zij op dat moment nog verbleef, op 2 mei 2007 geplaatst in een crisispleeggezin. Eind mei is zij vervolgens overgeplaatst in wat in de visie van de Stichting een 'perspectiefbiedend' pleeggezin is of is geworden. Zij verblijft hier thans nog.

De beoordeling

1. De over [ de minderjarige] uitgesproken ondertoezichtstelling wordt in hoger beroep niet bestreden. Daarmee staat vast dat zich in beginsel een opvoedingssituatie voordoet die een ernstige bedreiging meebrengt voor de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van [ de minderjarige] en andere middelen dan het uitspreken van een kinderbeschermingsmaatregel hebben gefaald of zullen falen.

2. Het hof moet beoordelen of, in het kader van deze bedreiging, de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [ de minderjarige]. In zijn beschikking van 14 november 2007 heeft het hof de noodzaak onderschreven van een onderzoek naar de opvoedingsmogelijkheden van de ouders. Dit onderzoek zou op zeer korte termijn moeten worden verricht, omdat het voor alle betrokkenen van groot belang was dat er snel duidelijkheid zou komen over de rol die de ouders in het leven van [ de minderjarige] zouden kunnen vervullen. Het hof overwoog in zijn beschikking onder meer dat van de ouders volledige medewerking aan dat onderzoek werd verwacht.

3. Het hof moet thans - nadat een vol jaar is verstreken - vaststellen dat de verlangde duidelijkheid er nog steeds niet is. Van de zijde van de Stichting is weliswaar naar voren gebracht dat de ouders niet hebben willen meewerken aan een plaatsing in de gezinspsychiatrische kliniek 'De Bron' te Beilen, maar dat speelde enkele maanden vóór laatstgenoemde beschikking van het hof. De omstreeks diezelfde tijd lopende contacten met 'De Eekwal' te Assen hebben evenmin tot een onderzoek geleid, overigens zonder dat de ouders daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Uit het verslag van de Stichting blijkt immers dat 'De Eekwal' niet alleen ethische bezwaren had tegen opname van de ouders met [ de minderjarige] in verband met de hechting aan de pleegouders, maar ook eigenlijk geen plek en mogelijkheid had voor een dergelijke opname, terwijl er geen bereidheid bestond 'Pro Justitia' te rapporteren.

4. Uit het genoemde verslag blijkt voorts dat tot aan de zitting van het hof op 6 november 2007 nog wel contacten zijn geweest met diverse andere instanties en personen, maar dat dit niet tot onderzoek naar de opvoedingsmogelijkheden van de ouders heeft geleid. Deze instanties en personen hebben het standpunt naar voren gebracht dat terugplaatsing van [ de minderjarige] bij de ouders niet mogelijk is.

Omdat niet blijkt dat dit standpunt is ingenomen na concreet eigen onderzoek, doch integendeel uit het verslag volgt dat daarbij uitsluitend gebruik is gemaakt van de gegevens die zijn aangereikt door de Stichting, gaat het hof aan dat standpunt voorbij, omdat aldus de objectieve grondslag daaraan ontbreekt. Daarbij komt dat in de weergave van het standpunt van deze instanties en personen waardeoordelen voorkomen, waarop de Stichting zich in redelijkheid niet behoort te baseren, zoals het waardeoordeel van een geraadpleegde kinder-, jeugd- en gezinspsychiater die blijkbaar zonder eigen onderzoek wist te verklaren dat het 'kindermishandeling' zou zijn als het kind - bedoeld zal zijn [ de minderjarige] - na een aanvankelijke hechting aan de pleegouders weer teruggeplaatst wordt bij de ouders.

5. De Stichting lijkt aldus te miskennen dat de rechter zijn beslissing omtrent de uithuisplaatsing of de voortzetting daarvan moet nemen op grond van concrete objectieve gegevens die getoetst moeten worden aan de wettelijke criteria voor een dergelijke ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel. Daarbij geldt als uitgangspunt dat, waar mogelijk, moet worden toegewerkt naar de thuisplaatsing bij de ouders. In zoverre moet worden geoordeeld dat het doel voor de langere termijn, dat de Stichting heeft geformuleerd in zijn plan van 21 februari 2008, hierin bestaande dat de opvoedingssituatie aanvaardbaar wordt gemaakt door de jeugdige uit huis te plaatsen "waarbij het perspectief op thuisplaatsing afwezig is" zich niet met de wet verdraagt. Dit zou mogelijk anders zijn indien verdergaande beschermingsmaatregelen worden overwogen, maar niet gebleken is dat dit gebeurt, noch dat daarvoor de gronden zouden bestaan.

6. Niet gebleken is dat de Stichting ná de meergenoemde beschikking van het hof voldoende voortvarend heeft gestreefd naar het verkrijgen van concrete objectieve gegevens als hiervoor bedoeld. Wel beschikt het hof nu over onderzoeksgegevens van 'De Swaai', een centrum voor verstandelijke handicap & psychiatrie. Het onderzoek lijkt echter vooral te zijn geïnitieerd door de ouders zelf. In de rapporten van dit centrum, daterend van 7 april van dit jaar, staat weliswaar enerzijds vermeld dat het onderzoek niet gericht was op de opvoedingsmogelijkheden van de ouders, maar er komen anderzijds geen gegevens uit naar voren waaruit het hof redelijkerwijs moet afleiden dat die mogelijkheden ontbreken. Opvallend is dat de verstandelijke vermogens van de ouders hoger worden gewaardeerd dan de Stichting aanvankelijk heeft verondersteld. Deze veronderstelling is blijkens de stukken een belangrijke reden geweest voor het aanvankelijke besluit tot uithuisplaatsing.

7. Aldus wordt niet aan de wettelijke maatstaven voor een voortzetting van de uithuisplaatsing voldaan. Noch het niet nader toegelichte beroep van de Stichting op de eigen deskundigheid in deze, noch het schrijven van dr. [betrokkene 1 ] van 13 oktober 2007, waarop de Stichting zich heeft beroepen, onder meer inhoudende dat [ de minderjarige] schade zal lijden als zij, nadat zij zich heeft kunnen hechten aan de pleegouders, naar de ouders moet terugkeren, kan het hof tot een ander oordeel leiden. Ook dr. [betrokkene 1 ] baseert deze overweging immers niet op eigen onderzoek van de concrete omstandigheden van dit geval, doch, naar het schijnt, in hoofdzaak op theoretische uitgangspunten die in de visie van de deskundige kennelijk een algemene gelding hebben. Het hof is daarvan echter niet overtuigd, al was het maar omdat een serieuze onderbouwing daarvan in het desbetreffende schrijven van dr. [betrokkene 1 ] ontbreekt.

8. Het kan zeker zo zijn dat het belang van [ de minderjarige] gediend is bij een voortgezet verblijf bij de pleegouders bij wie zij zich goed lijkt te ontwikkelen, maar daar gaat het niet om: het gaat om de vraag of het in het belang van [ de minderjarige] noodzakelijk is dat zij uit huis geplaatst blijft. Voor een positief antwoord op die vraag beschikt het hof, zoals uit het vorenstaande volgt, niet over de vereiste gegevens. In dit verband acht het hof onaanvaardbaar dat de Stichting in haar op 14 juli 2008 gedateerde schriftelijke reactie op het beroepschrift heeft verklaard dat zij ervan afziet schriftelijk verweer te voeren "aangezien het standpunt van de Stichting ten aanzien van de instandhouding van de machtiging uithuisplaatsing onveranderd is gebleven ten aanzien van het eerder ingediende Hoger Beroep op 06 november 2007. De Stichting verwijst u voor de onderbouwing van haar standpunt naar de inhoud van het vorige verweerschrift en tevens naar de overige bijlagen die u bij deze worden toegezonden". De Stichting had behoren te begrijpen dat met deze enkele verwijzing naar het eerdere standpunt en grotendeels reeds eerder overgelegde stukken niet kon worden volstaan, omdat het hof nu juist nader onderzoek nodig oordeelde en dus de eerdere gegevens niet toereikend achtte voor een steeds maar weer verlengde uithuisplaatsing.

9. Hierbij komt dat de advocaat van de moeder er terecht op gewezen heeft dat het aanvankelijke voorstel tot 'crisisuithuisplaatsing', voor zover het hof dit kan nagaan op basis van de stukken die de Stichting thans heeft overgelegd, al mager gedocumenteerd was. Weliswaar verwijst de Stichting naar verklaringen van 'de kinderartsen', maar niet duidelijk is wie dat zijn en wat zij dan precies hebben verklaard. In de beschikbare rapportage van de verpleegkundigen komen geen passages voor van een zodanige ernst dat voor de hand ligt dat de pasgeborene bij de ouders wordt weggenomen. Eerder valt op dat in positieve zin wordt gesproken over de zorg van de moeder voor haar baby. Voorts blijkt dat de raad voor de kinderbescherming al in een vroeg stadium zorgen heeft geuit, maar dat hij tevens heeft uitgesproken dat er onderzoek moest worden gedaan omdat dit nog niet in voldoende mate was gebeurd. Ook dit alles had de Stichting tot een aanmerkelijk grotere zorgvuldigheid moeten leiden bij de voorbereiding van het huidige hoger beroep.

10. De Stichting heeft nog wel naar voren gebracht dat de ouders er steeds in slagen een positief beeld van zichzelf te schetsen, maar dat dit niet overeenstemt met de werkelijkheid. Het hof moet hier echter aan voorbijgaan, omdat dit onvoldoende is onderbouwd.

11. Ook aan de opmerking van de Stichting, hierop neerkomende dat de ouders te weinig betrokkenheid zouden tonen, onder meer omdat ze de reis naar het pleeggezin er niet voor over zouden hebben, gaat het hof voorbij. Het is niet redelijk dit de ouders voor te houden, omdat het pleeggezin woont op een afstand van drie uur reizen met openbaar vervoer. De plaatsing van de minderjarige op een zo grote afstand van de ouders maakt een behoorlijke contactopbouw met de ouders goeddeels onmogelijk. Dat wordt niet anders doordat de ouders volgens de Stichting 'geen dagbesteding' hadden.

12. Het hof ziet niet over het hoofd dat uit de observaties van de gezinsvoogd blijkt dat de ouders tijdens de schaarse bezoeken niet altijd adequaat met [ de minderjarige] omgaan, maar niet duidelijk is of daarin bij voldoende begeleiding verbetering zou kunnen komen en/of die begeleiding niet zou kunnen worden gevonden.

13. Intussen maakt het hof zich er grote zorgen over dat de ouders, zoals ter zitting is gebleken, uit elkaar zijn gegaan en dat deze scheiding, naar zij niet hebben betwist, niet zonder tumult is verlopen. Dat roept vragen op over de feitelijke mogelijkheden om [ de minderjarige] bij de ouders of een van hen thuis te plaatsen. Het lijkt niet verantwoord de uithuisplaatsing nu al te beëindigen zonder zicht op de omstandigheden waaronder de thuisplaatsing zou dienen te geschieden.

Het hof zal daarom, uitgaande van het gegeven dat de juridische mogelijkheden om de uithuisplaatsing van [ de minderjarige] te continueren bij de huidige stand van zaken ontbreken, de raad voor de kinderbescherming vragen op korte termijn een onderzoek naar die omstandigheden in te stellen en in samenhang daarmee te adviseren over de wijze waarop en de fasering in de tijd waarop die thuisplaatsing zal kunnen worden gerealiseerd en welke maatregelen ter ondersteuning van de moeder en/of de vader daarvoor eventueel noodzakelijk zijn of wenselijk worden geacht.

De beslissing

Het gerechtshof:

verzoekt de raad voor de kinderbescherming schriftelijk te rapporteren met betrekking tot hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen;

verzoekt de raad zijn rapport in te zenden vóór 10 februari 2009 in te zenden, opdat de behandeling van dit hoger beroep ter zitting van het hof kan worden voortgezet op 19 februari 2009 te 15.15 uur;

houdt elke verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mrs. Hermans, vice-president als voorzitter, Makkinga en Jonkman, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 8 december 2008 in het bijzijn van de griffier.