Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG6616

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
107.000.627/01 (voorheen: 0500424)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade. Is ziekenhuis gehouden de MIP melding over te leggen? Hof oordeelt dat belang van het vertrouwelijk kunnen doen van een MIP melding zwaarder weegt dan het belang van de betrokken patiënt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 199
JA 2009/30 met annotatie van J.P.M. Simons
GJ 2009/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 9 december 2008

Zaaknummer 107.000.627/01 (voorheen: 0500424)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr G. Wymenga-Kooistra,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats geïntimeerde1],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. Stichting Zorggroep Noorderbreedte,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: Zorggroep,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr P.R. van den Elst.

De inhoud van het tussenarrest van 28 februari 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Ter voldoening aan de haar bij bedoeld tussenarrest gegeven bewijsopdracht heeft partij [appellante] als getuige een verklaring afgelegd en heeft zij als getuige-deskundige de verzekeringsarts [verzekeringsarts] en als getuige haar echtgenoot [echtgenoot] doen horen.

In contra-enquête heeft partij [geïntimeerde 1] als getuige een verklaring afgelegd.

[appellante] heeft een conclusie na enquête genomen, waarna [geïntimeerde 1] een antwoordconclusie na enquête heeft genomen.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun respectievelijke advocaten, zulks onder overlegging van pleitnota's.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. [appellante] heeft, zowel in haar conclusie na enquête als ten pleidooie een aantal door het hof in zijn tussenarrest van 28 februari 2007 genomen beslissingen andermaal ter discussie gesteld.

Uitgangspunt is dat de rechter die in een tussenuitspraak een eindbeslissing heeft gegeven daaraan in de lopende instantie gebonden is, zulks teneinde het processuele debat te beperken. De eisen van een goede procesorde kunnen meebrengen dat op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Daarvan zal sprake kunnen zijn indien een rechter, aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing, berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Alsdan is de rechter bevoegd, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag uitspraak zou doen (HR 25 april 2008, RvdW 2008, 481).

Met betrekking tot het verzoek (ex artikel 843a Rv) tot overlegging van de MIP melding:

2. [appellante] geeft aan het niet eens te zijn met hetgeen het hof terzake in zijn tussenarrest van 28 februari 2007 onder 11 heeft overwogen. Zij beroept zich daarbij op een vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 december 2007.

In bedoeld vonnis heeft de voorzieningenrechter onder de in die zaak gegeven omstandigheden de belangen van de eisende partij om op de hoogte te raken van de feiten zwaarder laten wegen dan het belang van het ziekenhuis (het veiligstellen van het veilig kunnen melden van incidenten).

Het hof ziet in hetgeen in bedoeld kort geding vonnis is overwogen en beslist en ook overigens geen enkele aanleiding om terug te komen van hetgeen het op dit punt in zijn tussenarrest heeft beslist.

Het hof wijst in dit verband nog op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in verband met het functionele verschoningsrecht (HR 15 oktober 1999, NJ 2001, 42). Het onderhavige verzoek tot openbaarmaking van de MIP melding dient, naar het oordeel van het hof, aan de hand van dezelfde criteria te worden beoordeeld.

Het gaat daarbij om het volgende:

* Met het effectief kunnen uitoefenen van het desbetreffende instrument (de mogelijkheid tot het anoniem doen van een MIP melding) moeten zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid.

* Er bestaat een gerede mogelijkheid dat zonder het aanvaarden van een geheimhoudingsplicht en het daarop te baseren recht de MIP melding niet over te leggen, dan wel daarin inzage te verlenen, deze belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad.

* Voor dit laatste moeten de belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in rechte wijken.

3. Het vertrouwelijk kunnen melden van incidenten in een ziekenhuis ter voorkoming van herhaling en derhalve ter bevordering van de kwaliteit van de zorgverlening is maatschappelijk van zeer groot belang. Openbaarmaking van de MIP melding zal weliswaar in een individueel geval het belang van de rechtzoekende kunnen dienen, doch daarmee zal - naar het hof verwacht - het MIP meldingssysteem als zodanig op de tocht komen te staan, met als gevolg dat toekomstige rechtzoekenden van dergelijke meldingen verstoken zullen blijven, terwijl daarnaast het kwaliteitsinstrument dat de MIP melding beoogt te zijn, verloren gaat. Een beslissing als door [appellante] gewenst, levert derhalve op termijn alleen maar verliezers op. Onder die omstandigheden moet het belang van [appellante] wijken voor het algemeen belang.

Met betrekking tot het oordeel dat er in casu van myope ogen geen sprake was:

4. In meergenoemd tussenarrest heeft het onder 12 overwogen dat er bij [appellante] geen sprake was van myope ogen. Het hof heeft die conclusie getrokken op basis van het deskundigenrapport van prof. dr. [deskundige].

Genoemde deskundige heeft aangegeven dat hij bij de totstandkoming van het rapport gebruik heeft gemaakt van de hem door het Medisch Centrum Leeuwarden gezonden medische gegevens. Bij die gegevens bevond zich de poliklinische status van [appellante], zoals die is bijgehouden door de oogarts drs. [oogarts] (als productie overgelegd bij de inleidende dagvaarding). Blijkens de aantekening in deze status van 9 juli 1999 (n.b. ruim voor de eerste operatie) heeft er oogbolmeting plaatsgevonden met als uitkomst OD=OS 25.53. Terzijde zij in dat verband opgemerkt dat weliswaar niet in de status is aangegeven hoe die meting is verricht, doch dat zulks - naar het oordeel van het hof - niet anders kan zijn verricht dan (zoals ook door [geïntimeerde 1] wordt gesteld) door een echo, gelet op het feit dat de oogbollengte tot op de honderdste millimeter is bepaald. Het hof volgt [geïntimeerde 1] dan ook in haar redenering dat het niet vermelden van de methode van meting zich laat verklaren uit het routinematige karakter van dergelijk onderzoek. Ook bij gewichtsvermelding wordt niet aangegeven dat betrokkene op een weegschaal is gewogen.

Prof. dr. [deskundige] heeft in zijn rapport vervolgens aangegeven dat penetreren of perforeren van de oogbol met een naald een zeer zeldzame complicatie is die vooral bij myope ogen voorkomt die langer en dunner zijn dan normaal. Perforatie komt vooral voor bij patiënten die niet voldoende coöperatief zijn of waarbij het oog moeilijk te benaderen is.

Uit het feit dat in de conclusie van het rapport slechts melding wordt gemaakt van het onverwacht dichtknijpen van het rechteroog en niet van enige vorm van myopie en uit de gevolgtrekking dat de peribulaire blokkade van het rechteroog lege artis is uitgevoerd, leidt het hof af dat van relevante (vermeldenswaardige) myopie bij [appellante] geen sprake was. In dat verband wijst het hof op de niet betwiste stelling van [geïntimeerde 1] dat de gemiddelde oogbollengte 24 mm bedraagt, zodat in casu slechts sprake was van een kleine afwijking.

Met betrekking tot hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd tegen hetgeen in het tussenarrest van 28 februari 2007 is overwogen en beslist:

5. Aan hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd tegen de in het tussenarrest d.d. 28 februari 2007 genomen beslissingen, dient naar het oordeel van het hof te worden voorbijgegaan, nu die beslissingen niet berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag of op nova en verdere bespreking van de andermaal door [appellante] aangevoerde argumentatie tot een herhaling van zetten zou leiden.

Met betrekking tot de waardering van het bewijs:

6. [geïntimeerde 1] heeft aangegeven dat het hof een te beperkte bewijskracht heeft toegekend aan de de brief van [geïntimeerde 1] aan de klachtencommissie (rechtsoverweging 8 van het tussenarrest van 28 februari 2007).

Het hof is van oordeel dat hetgeen [geïntimeerde 1] in dat verband heeft aangevoerd (zie de pleitnota van [geïntimeerde 1] onder 6) feitelijke grondslag mist. Het hof heeft in de gewraakte overweging in het geheel niet aangegeven dat de verklaring beperkte bewijskracht heeft als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv, doch slechts dat die enkele schriftelijke verklaring (waaraan vrije bewijskracht toekomt) onvoldoende is om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat vaststaat dat [appellante] onverwacht de ogen heeft dichtgeknepen.

7. Aan [appellante] is opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [geïntimeerde 1] op 19 oktober 1999 bij het zetten van het peribulbaire blok in het rechteroog van [appellante] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend anesthesist ma worden verwacht.

8. Het hof stelt bij de bewijswaardering voorop dat in artikel 164 Rv ligt besloten dat de verklaring van [appellante], zijnde een partijgetuige (op wie de bewijslast rust) geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592).

9. Het hof stelt vast dat zodanig steunbewijs in casu niet in voldoende mate is geleverd. De verklaring van de getuige [echtgenoot] houdt weliswaar in dat hij van een verpleegster had gehoord dat het met de verdoving een hele toestand was geweest, maar details ontbreken, terwijl uit die opmerking - wat daar verder ook van zij - geen steun valt te putten voor de beweerdelijk door [geïntimeerde 1] begane kunstfout. Een en ander heeft evenzeer te gelden ten aanzien van de opmerkingen die deze getuige beweerdelijk uit de mond van zijn echtgenote (partij [appellante]) heeft opgetekend.

Ook de verklaring van de getuige-deskundige [verzekeringsarts] levert - gelet op hetgeen hiervoor ter zake van de oogmeting en de myopie is overwogen - geen steunbewijs op als vereist.

10. Het hof tekent daarbij nog aan dat hetgeen [appellante] als getuige heeft verklaard omtrent het aantal verdovingsprikken (eerst twee of drie en daarna nog tenminste drie keer) door [geïntimeerde 1] (ook) als getuige gemotiveerd wordt betwist en evenmin steun vindt in de medische verslaglegging.

11. De conclusie luidt dan ook dat [appellante] het haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd, zodat hetgeen zij aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd niet is komen vast te staan. De grieven treffen derhalve geen doel.

Slotsom

12. De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. [appellante] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (salaris advocaat: 3 punt tarief II).

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op € 900,-- aan verschotten en op € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mr Mollema, voorzitter en mrs Verschuur en Kuiper, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 9 december 2008 in bijzijn van de griffier.