Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG6578

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
107.001.811/01 (voorheen rolnummer 0700330)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disproportioneel handelen politieagent?

Aansprakelijkheid politie van letselschade.

Wetsverwijzingen
Politiewet 1993
Politiewet 1993 8
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 2 december 2008

Zaaknummer 107.001.811/01 (voorheen rolnummer 0700330)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Het Regionale Politiekorps Drenthe,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: het Politiekorps,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. M. Dijsselhof, advocaat te Assen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 19 februari 2007 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 9 mei 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van het Politiekorps tegen de zitting van 30 mei 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"(...) te vernietigen het op 19 februari 2007door de Rechtbank Assen, sector kanton, gewezen vonnis en opnieuw recht doende, zonodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden, de vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

Bij memorie van antwoord is door het Politiekorps verweer gevoerd met als conclusie:

"(...) [appellant] in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans te bekrachtigen het vonnis van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen d.d. 19 februari 2007, zonodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, met afwijzing van de vordering van [appellant] en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende bestreden, dan wel op grond van de overgelegde niet bestreden producties, staat in dit geding het volgende vast.

1.1 Op 10 februari 2004 is [appellant], op verdenking van poging tot diefstal door middel van braak, aangehouden door ambtenaren van het Politiekorps en vervolgens overgebracht naar het bureau van politie te Assen. Onderweg en tijdens het geleiden van [appellant] naar de ingang van het politiebureau gedroeg hij zich recalcitrant en uitte hij verbaal zijn ongenoegen. Gekomen op de trap die toegang biedt tot het bureau, draaide [appellant] zich om en maakte daarbij een zwaaiende beweging richting de achter hem lopende politiebeambte [politiebeambte] (verder: [politiebeambte]). [politiebeambte], die dit als een slaande beweging heeft ervaren, weerde deze met zijn linker arm af en gaf [appellant] vervolgens met rechts een slag in het gezicht.

1.2 Op 11 februari 2004 is [appellant] onderzocht door een GGD-arts. Nader onderzoek op 26 februari 2004 wees uit dat bij [appellant] sprake was van een breuk van het jukbeen en de jukbeenbrug.

1.3 Op 13 februari 2004 heeft [appellant] een klacht ingediend bij het Politiekorps ter zake van buitenproportioneel handelen van [politiebeambte]. De klachtencommissie politie Drenthe heeft op 4 november 2004 geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren, welk advies door de korpsbeheerder is overgenomen in een uitspraak van

22 november 2004. [appellant] heeft de beslissing van de korpsbeheerder aange-vallen met een klacht bij de Nationale Ombudsman. Diens conclusie in een openbaar rapport van 2 maart 2006 luidt dat de klacht van [appellant] gegrond is.

1.4 Op 24 februari 2004 heeft [appellant] aangifte gedaan van (zware) mishandeling door [politiebeambte]. De hoofdofficier van justitie heeft bij brief van 11 maart 2004 de raadsman van [appellant] bericht dat hij [politiebeambte] niet zal vervolgen omdat sprake was van een noodweersituatie.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellant] heeft het Politiekorps gedagvaard voor de kantonrechter. Stellende dat [politiebeambte] disproportioneel heeft gehandeld, als gevolg waarvan hij letsel heeft bekomen, heeft [appellant] veroordeling gevorderd van het Politiekorps tot betaling van een bedrag van € 5.000,-- ter zake van smartengeld, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede tot betaling van de proceskosten.

2.1 Na door het Politiekorps gevoerd verweer heeft de kantonrechter de vordering afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Met betrekking tot de grieven

3. Grief 1 klaagt dat de kantonrechter ten onrechte de vordering als onvoldoende gegrond heeft afgewezen, terwijl grief 2 is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De grieven lenen zich ervoor gezamenlijk te worden behandeld.

4. Vooropgesteld moet worden dat het gebruik van geweld door de politie op grond van art. 8 Politiewet 1993 is toegestaan 'in de rechtmatige uitoefening van de bediening, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt'. Niet in geschil is dat [politiebeambte] ten tijde van het onderhavige incident handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

4.1 Het hof leidt uit het advies van de klachtencommissie (prod. 3 bij conclusie van antwoord) af dat de door [politiebeambte] uitgedeelde klap in overeenstemming is met de geweldsinstructie die in het kader van de Integrale Beroepsvaardigheidstraining aan politieambtenaren wordt verstrekt. De gelding van deze geweldinstructie is, zoals blijkt uit de memorie van grieven, randnummer 13, op zichzelf door [appellant] ook niet betwist.

4.2 Het hof is van oordeel dat, gelet op genoemde geweldsinstructie, de door [politiebeambte] uitgedeelde klap niet als disproportioneel valt aan te merken. De handelwijze van [politiebeambte] is volgens die geweldsinstructie immers een gebruikelijke wijze van het onder controle brengen van een (onrustige en recalcitrante) arrestant.

4.3 Als het letsel van [appellant] - een gebroken jukbeen en jukbeenbrug - al het gevolg was van de klap die [politiebeambte] hem heeft gegeven, dan is dat alleszins betreurens-waardig, maar maakt dat die klap op zich nog niet onrechtmatig. Het hof zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De bevindingen van de Nationale Ombudsman kunnen niet als zodanig worden aangemerkt, omdat de Ombudsman ten onrechte aan de gewelds-instructie is voorbijgegaan.

Slotsom

5. De conclusie moet luiden dat de grondslag van de vordering - disproportioneel handelen door [politiebeambte] - niet is komen vast te staan, zodat deze vordering niet toewijsbaar is.

5.1 De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep dient daarom te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (3 procespunten, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 19 februari 2007 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot

die tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Politiekorps op € 251,-- aan verschotten en op € 1.896,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Gewezen door mrs. Zandbergen, voorzitter, Verschuur en Kuiper, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 2 december 2008 in bijzijn van de griffier.