Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG1749

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
108.004.786
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Art. 2:1 Awb: wanneer in de oorspronkelijke machtiging daarin niet is voorzien, kan niet worden aanvaard dat een gemachtigde zich op zijn beurt door een ander als gemachtigde laat vertegenwoordigen ('doormachtigen'). Dat geval doet zich hier voor. Art. 6:6 Awb: de kantonrechter heeft ten onrechte geen gelegenheid geboden het verzuim m.b.t. de machtiging te herstellen. Volgt vernietiging, terugwijzing en proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand in hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 108.004.786

29 juli 2008

CJIB 69104152787

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 10 april 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts,

kantoorhoudende te Beegden.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het instellen van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie door mr. Meerts niet berust op een machtiging door de betrokkene verleend.

3.2. De kantonrechter heeft in de bestreden beslissing hieromtrent het volgende overwogen: "Ingevolge artikel 2:1 Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. In het kader van de WAHV kan derhalve degene tot wie de inleidende beschikking is gericht een ander machtigen de in de wet voorziene rechtsmiddelen tegen de oplegging van de administratieve sanctie in te stellen. Niet kan worden aanvaard, dat een gemachtigde zich op zijn beurt door een ander als gemachtigde laat vertegenwoordigen, wanneer in de oorspronkelijke machtiging daarin niet is voorzien."

3.3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er geen sprake is van "doormachtigen" zoals de kantonrechter bedoelt, daar de beslissing van de officier van justitie is gericht aan [bestuurder] (hierna: [bestuurder]) als bestuurder en niet in zijn hoedanigheid van gemachtigde, zodat deze [bestuurder] een zelfstandig recht heeft om beroep bij de kantonrechter in te stellen en om daarbij -zo begrijpt het hof- iemand te machtigen. Voorts voert de gemachtigde aan dat de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep, omdat de kantonrechter de gemachtigde niet de gelegenheid heeft geboden het verzuim te herstellen.

3.4. De stelling van de gemachtigde dat er geen sprake is van "doormachtigen", daar de beslissing van de officier van justitie is gericht aan [bestuurder] als bestuurder en niet in zijn hoedanigheid van gemachtigde, mist feitelijke grondslag. Immers, het dossier bevat twee brieven van de officier van justitie, beide gedateerd 21 augustus 2007, met daarin de beslissing van de officier van justitie op het beroep tegen de inleidende beschikking. De ene brief is gericht aan [betrokkene] -aan wie de inleidende beschikking is gericht- en de andere brief is gericht aan [bestuurder]. Op de brief die is gericht aan [bestuurder] staat achter onderwerp vermeld dat het gaat om een afschrift bestemd voor de gemachtigde. Ook in de beslissing van de officier van justitie die op 27 augustus 2007 naar [bestuurder] is verzonden, staat expliciet vermeld dat de beslissing ook wordt gezonden naar [betrokkene] aan wie de inleidende beschikking is opgelegd en door wie [bestuurder] gemachtigd is om beroep in te stellen. Gelet op het voorgaande zal het hof aan deze stelling van de gemachtigde voorbij gaan.

3.5. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat de kantonrechter hem de gelegenheid had moeten bieden het verzuim te herstellen, overweegt het hof het volgende.

3.6. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een door mr. Meerts (hierna: Meerts) overgelegde machtiging, die op 25 augustus 2007 door [bestuurder] is ondertekend en waarin staat dat Meerts is gemachtigd om hem -[bestuurder]- te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten teneinde verkeersboetes in rechte te bestrijden. Zoals hiervoor is vermeld is [bestuurder] niet de betrokkene in deze zaak, maar wel als gemachtigde aangemerkt door de officier van justitie.

3.7. Gelet op het hiervoor onder 3.1. weergegeven criterium, dat de kantonrechter terecht tot uitgangspunt heeft genomen, doet zich in deze de vraag voor of er sprake is van een machtiging van de betrokkene, in casu [betrokkene], die er in voorziet dat [bestuurder] is gemachtigd om [betrokkene] in het kader van de onderhavige WAHV-procedure te vertegenwoordigen en dat [bestuurder] zich op zijn beurt door een ander als gemachtigde laat vertegenwoordigen.

3.8. Het dossier bevat een brief van de officier van justitie d.d. 18 juni 2007 gericht aan [bestuurder], waarin [bestuurder] als degene die het beroep bij de officier van justitie heeft ingesteld, wordt verzocht een schriftelijke machtiging te verstrekken. Naar aanleiding hiervan is bij de officier van justitie binnengekomen een schriftelijke verklaring van [de heer D], directeur van [transportbedrijf ], d.d. 26 juni 2007 betreffende een machtiging in beschikkingsnummer 104152787, die inhoudt: "Op de door u genoemde pleegdatum en tijdstip (…) werd onze bus met kenteken [AB-00-AB] bestuurd door de heer [bestuurder]. De heer [bestuurder] is (…) gemachtigd eerder genoemde bus te besturen.".

3.9. Uit deze brief is af te leiden de betrokkene zich in het kader van deze WAHV-procedure door [bestuurder] wenst te laten vertegenwoordigen. Er staat evenwel niet in vermeld dat de betrokkene er mee akkoord is dat [bestuurder] zich op zijn beurt door een ander als gemachtigde -zoals bijvoorbeeld Meerts- laat vertegenwoordigen. Dit leidt er toe dat Meerts in het beroep bij de kantonrechter geen toereikende machtiging heeft overgelegd.

3.10. De kantonrechter had hieraan evenwel niet zonder meer de conclusie mogen verbinden dat het beroep niet-ontvankelijk diende te worden verklaard. Immers, het niet overleggen van een toereikende machtiging betreft een verzuim ten aanzien waarvan artikel 6:6 Awb bepaalt dat het beroep op grond daarvan niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener van het beroep in de gelegenheid is gesteld het geconstateerde verzuim binnen een daartoe gestelde termijn te herstellen. Nu de kantonrechter heeft nagelaten Meerts als indiener van het beroep in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn een toereikende machtiging over te leggen, treft het verweer van Meerts doel.

3.11. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Aangezien de kantonrechter de zaak niet inhoudelijk behandeld heeft, zal het hof de zaak terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Roermond. Deze zal Meerts in de gelegenheid moeten stellen een deugdelijke machtiging over te leggen.

3.12. Namens de betrokkene is verzocht de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten, met name in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.13. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking, berekend als volgt: voor het hoger beroepschrift 1 punt met toepassing van wegingsfactor 0,25 (zeer licht). Het hof zal derhalve de advocaat-generaal veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van (1 x € 322 x 0,25 =) € 80,50.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Roermond ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 80,50, en bepaalt dat dit dient te geschieden door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [nummer] ten name van Meerts in Beegden.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.