Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG1407

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
23-10-2008
Zaaknummer
108.003.702
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 14, eerste lid, WAHV.

a. Voor de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep is bepalend het bedrag van de opgelegde sanctie en niet het bedrag van de sanctie inclusief verhogingen.

b. Doorbreking appelverbod wegens schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM? Bepalend is of de zaak gelet op de omstandigheden van het geval vanaf het moment waarop het beroep bij de officier van justitie is ingesteld al dan niet voortvarend is afgehandeld. Procesverloop. I.c. geen inactiviteit aan de zijde van officier van justitie, kantonrechter of hof. Geen onredelijke vertraging in de berechting. Volgt verwerping beroep op doorbreking van het appelverbod.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 108.003.702

1 juli 2008

CJIB 79064434396

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 26 juni 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 februari 2008. Van die behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Ingevolge de tussenbeslissing die het hof tijdens die zitting heeft genomen, heeft de advocaat-generaal bij brief van 3 april 2008 inlichtingen gegeven en zijn standpunt gehandhaafd.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 17 juni 2008. De betrokkene is verschenen en is ter zitting in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van 3 april 2008. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. W.S. Sikkema.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 40,-. Op grond van het vorenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

3.2. De betrokkene stelt zich - voor zover hier van belang - op het standpunt dat hij om twee redenen in zijn beroep kan worden ontvangen. Ten eerste omdat het sanctiebedrag niet € 40,- maar inclusief twee verhogingen € 75,- bedraagt.

3.3. Dit argument van de betrokkene wordt verworpen omdat ingevolge artikel 14 WAHV het bedrag van de opgelegde sanctie bepalend is en niet het bedrag van de sanctie inclusief verhogingen.

3.4. De betrokkene voert verder aan dat de beschikking dient te worden vernietigd wegens schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij is op 18 juni 2003 staande gehouden ter zake van de vermeende gedraging. Niet eerder dan op 27 december 2005 vernam hij iets over deze zaak. Meteen daarna heeft hij beroep ingesteld bij de officier van justitie. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking te laat is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.5. Ter zitting heeft de betrokkene met betrekking tot de brief van de advocaat-generaal van 3 april 2008 opgemerkt dat het door het CJIB verstrekte GBA-overzicht niet correct is. In deze zaak is gedurende een jaar lang niets gebeurd terwijl zijn adres wel bekend was, aldus de betrokkene. Hij is namelijk in 2002 verhuisd naar de [adres] in [woonplaats] en heeft zijn adreswijziging meteen doorgegeven aan de gemeente Amsterdam. Mogelijk is bij de verwerking daarvan een fout gemaakt. De betrokkene verwijst daarbij naar een artikel in het NRC Handelsblad van 13 juni 2008, waaruit blijkt dat in Amsterdam 100.000 adressen onjuist geregistreerd staan. Verder heeft de betrokkene ter zitting het huurcontract voor het adres [adres] getoond dat op 18 december 2001 is getekend en op 1 januari 2002 is ingegaan en een specificatie van zijn kosten overgelegd.

3.6. Het hof is van oordeel dat wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, zoals van het recht op berechting binnen redelijke termijn, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd wanneer dit beroep gegrond moet worden geacht.

3.7. Voor de vraag of sprake is van onredelijke vertraging in de berechting is, anders dan de betrokkene aanvoert, bepalend of de zaak gelet op de omstandigheden van dit geval vanaf het moment waarop hij zijn beroep bij de officier van justitie heeft ingesteld al dan niet voortvarend is afgehandeld.

3.8. Uit het dossier blijkt het volgende. De betrokkene heeft bij brief van 4 januari 2006, ontvangen bij het CJIB op 6 januari 2006, tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij de officier van justitie. De beslissing van de officier van justitie is op 31 januari 2006 aan de betrokkene verzonden. Vervolgens heeft de betrokkene op 1 maart 2007 beroep ingesteld bij de kantonrechter. De stukken van het geding houden niets in waaruit zou kunnen blijken dat kort na 13 maart 2006 een beroepschrift is ontvangen, zodat moet worden uitgegaan van het op 1 maart 2007 ontvangen beroepschrift. Dit tijdsverloop komt voor rekening van de betrokkene. De kantonrechter heeft de betrokkene bij brief van 30 mei 2007 uitgenodigd voor de zitting van 26 juni 2007. De beslissing die blijkens het proces-verbaal van die zitting op 26 juni 2007 is genomen is, omdat die op 13 augustus 2007 kennelijk nog niet op schrift gesteld was, op verzoek van de betrokkene van die datum, op 5 september 2007 aan de betrokkene toegezonden. Het op 24 september 2007 ingestelde hoger beroep is in december 2007 door het hof ontvangen en in februari 2008 ter zitting behandeld. Het verdere procesverloop is als hiervoor in rubriek 2 vermeld.

3.9. Niet gesteld kan worden dat sprake is van enige periode van inactiviteit aan de zijde van officier van justitie, kantonrechter of hof. Van onredelijke vertraging in de berechting is geen sprake. Het beroep op doorbreking van het appelverbod dient daarom te worden verworpen.

3.10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van proceskosten ter zake van het hoger beroep.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van

mr. Van der Heide als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.