Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BG0844

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
WAHV 108.004.105
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel: kan een sanctie worden opgelegd aan een commanditaire vennootschap?

Ja. Indien een kenteken ten name van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid in het kentekenregister staat ingeschreven, dan dient de administratieve sanctie ingevolge artikel 5 WAHV aan die vennootschap als kentekenhouder te worden opgelegd. Voor zover uit het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 1994, (340-93-V) volgt, dat aan een handelsnaam geen sanctie kan worden opgelegd, blijkt eenduidig dat met een handelsnaam niet gelijk gesteld kan worden een v.o.f. (zie ook LJN-nr. BD0008). Er is geen reden om ten aanzien van een commanditaire vennootschap anders te oordelen.

Geen aanleiding om zaak aan te houden totdat is beslist op het verzoek van de gemachtigde aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om cassatie in het belang der wet in te stellen t.a.v. de vraag of in het kader van de WAHV een sanctie kan worden opgelegd aan een handelsnaam.

Volgt vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Bij de inhoudelijke behandeling door het hof zijn de volgende verweren behandeld en verworpen:

a. verlopen van de aanstelling van de verbalisant;

b verbalisant beperkt bevoegd ter zake van strafbare feiten in de Wegenverkeerswet 1994;

c. uit de verklaring van de verbalisant blijkt niet hoeveel seconden het verkeerslicht op rood stond, hetgeen van belang zou zijn in verband met de beleidsregel dat pas wordt geverbaliseerd wanneer het licht drie seconden op rood heeft gestaan;

d. de beschikking dient te worden vernietigd als er een mogelijkheid tot staandehouding was doch deze niet is benut.

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 1996 4
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wetboek van Strafrecht 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2009, 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 108.004.105

7 augustus 2008

CJIB 09103300269

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 13 december 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [adres],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 161,-.

2. Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft het beroep gegrond verklaard omdat in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) een sanctie niet kan worden opgelegd aan een handelsnaam doch enkel aan natuurlijke en rechtspersonen.

3.2. De officier van justitie voert aan dat artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke en door rechtspersonen. In lid 3 van genoemd artikel wordt voor de toepassing met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen. Het Openbaar Ministerie hanteert bij de beoordeling van beroepen ingevolge de WAHV als uitgangspunt een analoge toepassing van genoemd wetsartikel en is van mening dat aan een commanditaire vennootschap een sanctie kan worden opgelegd. Een commanditaire vennootschap is meer dan alleen een handelsnaam. Zij is een economische entiteit, zij kan in het burgerlijk recht als procespartij optreden, zowel eisend als verwerend, zij kan dat ook in het bestuursrecht, terwijl zij ook voorwerp van strafrechtelijk optreden kan zijn. Een commanditaire vennootschap kan in het kentekenregister als kentekenhouder worden opgenomen en kan zelfs een gemachtigde voor haar laten optreden.

Aansluiting wordt gezocht bij artikel 4 lid 1 en lid 3 van de Handelsregisterwet 1996, waarin de rechtspersonen, zoals de Europese commanditaire vennootschap, worden benoemd die in het handelsregister kunnen worden ingeschreven.

3.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Artikel 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien een kenteken ten name van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid in het kentekenregister staat ingeschreven, dan dient de administratieve sanctie ingevolge artikel 5 WAHV aan die vennootschap als kentekenhouder te worden opgelegd.

3.4. Dezelfde opvatting blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 1994, (340-93-V). De conclusie dat uit dit arrest zou volgen, dat een sanctie niet aan een "handelsnaam (vennootschap onder firma)" zou kunnen worden opgelegd, is onjuist. In dit arrest wordt - integendeel - het door een vennootschap onder firma ingestelde beroep in cassatie verworpen. De Hoge Raad overweegt: "Opmerking verdient nog het volgende. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, is de administratieve sanctie opgelegd aan de vennootschap onder firma (vof) [naam]. Bij genoemde stukken bevindt zich niet (een afschrift van) de aan de betrokkene gezonden beschikking waarbij deze sanctie is opgelegd, maar ook al zou daarop de aanduiding "vof" hebben ontbroken, dan brengt dit - anders dan de betrokkene [die overigens, zoals blijkt uit het beroepschrift, zelf deze aanduiding op haar briefhoofd ook weglaat] kennelijk meent - niet mee dat de sanctie aan "een handelsnaam" is opgelegd." Voor zover uit dit arrest volgt, dat aan een handelsnaam geen sanctie kan worden opgelegd blijkt eenduidig, dat met een handelsnaam niet gelijk gesteld kan worden een vennootschap onder firma (vgl. ook: Hof Leeuwarden 14 februari 2008, WAHV 07/01654, www. rechtspraak.nl, LJN-nr. BD0008). Er is geen reden om ten aanzien van een commanditaire vennootschap anders te oordelen.

3.5. In zijn verweerschrift heeft de gemachtigde van de betrokkene de suggestie gedaan de beslissing aan te houden totdat beslist zal zijn op zijn verzoek aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om cassatie in het belang der wet in te stellen ten aanzien van de vraag of in het kader van de WAHV een sanctie kan worden opgelegd aan een handelsnaam.

3.7. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaraan hierboven is gerefereerd, en het gegeven dat sindsdien geen wijzigingen hebben plaatsgevonden van zodanige aard, dat die jurisprudentie niet meer zou gelden, alsmede op de ongerijmdheid, dat de kentekenhoudende vennootschap wel zou kunnen worden aangesproken op een gedraging, waarbij schade of letsel is ontstaan, of op een overtreding, omdat in die gevallen het strafrecht van toepassing is, acht het hof aanhouding van de beslissing niet aangewezen.

Dit klemt te meer omdat dan sprake zou zijn van de onwenselijke situatie dat ten opzichte van een categorie kentekenhouders geen handhaving zou kunnen plaatsvinden ingevolge artikel 5 van de Wet, hetgeen de verkeersveiligheid niet ten goede komt.

Opmerking verdient dat bij de registratie van kentekens, anders dan op naam van natuurlijke personen, de naam en het adres en het inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel dienen te worden opgegeven. Het door de gemachtigde gegeven voorbeeld, dat de visie van de officier van justitie (en naar het hof aanvult: van de Hoge Raad en het hof) het mogelijk zou maken dat een voertuig feitelijk op naam van "de maan" zou worden gesteld, stuit af op de inhoud van het Kentekenreglement.

3.8. Op grond van het bovenstaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. De officier van justitie heeft in zijn beroepschrift verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

3.9. Het hof wijst het verzoek van de officier van justitie om de zaak terug te wijzen af, nu voor afwijking van het bepaalde in artikel 20d, eerste lid, WAHV geen aanleiding is.

3.10. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2007op de Andersonweg te Roermond.

3.11. Door de gemachtigde van de betrokkene is - voor zover in dit stadium van de procedure nog relevant - aangevoerd, a. dat de verbalisant slechts beperkt bevoegd zou zijn, nu zij slechts beperkt bevoegd is ter zake van strafbare feiten in de Wegenverkeerswet 1994 en b. dat de aanstelling van de verbalisant verlopen zou zijn.

Voorts zou uit de verklaring van de verbalisant niet blijken hoeveel seconden het verkeerslicht op rood stond, hetgeen van belang zou zijn in verband met de beleidsregel, dat pas wordt geverbaliseerd wanneer het licht drie seconden op rood heeft gestaan.

Tenslotte is aangevoerd, dat de beschikking dient te worden vernietigd als er een mogelijkheid tot staandehouding was doch deze niet benut is.

3.12. Voor zover door de gemachtigde is aangevoerd dat de aanstelling van de verbalisante verlopen zou zijn mist dit feitelijke grondslag, in aanmerking nemende dat de bevoegdheid van de verbalisante geldig is tot uiterlijk 21 februari 2011. Voor het overige overweegt het hof met betrekking tot de bevoegdheid van de verbalisante het volgende.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt van de wil van de wetgever om het toezicht op de naleving van de WAHV parallel te laten lopen met de opsporing van overtredingen op het gebied van het verkeer (vgl. Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 1987/88, nr. 3, pag. 36 t/m38, en Nota van toelichting bij het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (BAHV), Stb. 1994, 614, p. 8,9).

De opvatting van de gemachtigde dat een opsporingsambtenaar met beperkte opsporingsbevoegdheid op het gebied van de Wegenverkeerswet niet bevoegd zou zijn tot het toezicht op de naleving van de WAHV voor zover zijn opsporingsbevoegdheid strekt, berust op een met het uitgangspunt van de wetgever strijdige lezing van de tekst van artikel 2, lid 2 aanhef en onder a. respectievelijk onder b. van het BAHV door "de" bij of krachtens de in dat artikellid genoemde wetten te lezen als "alle", zonder daarbij acht te slaan op de in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vermelde restrictie.

3.13. Voor zover de gemachtigde aanvoert, dat uit het dossier niet blijkt van een verklaring van de verbalisante waaruit blijkt hoeveel seconden het licht op rood zou hebben gestaan mist zijn verweer eveneens feitelijke grondslag, omdat in het zaakoverzicht staat: 2 seconden. Voor zover hij voorts meent dat sprake is van een beleid waaraan een betrokkene zou kunnen ontlenen, dat bij visuele waarneming door een verbalisant slechts een administratieve sanctie zou mogen worden opgelegd wanneer het verkeerslicht drie seconden rood licht zou hebben uitgestraald, overweegt het hof dat géén sprake is van algemeen geldend beleid van het openbaar ministerie waarop de betrokkene een beroep toekomt dan wel waaraan de betrokkene rechten kan ontlenen.

3.14. Artikel 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van artikel 5 WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting dienen te vragen (HR 14 maart 2000, VR 2000/148).

3.15. Hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd houdt niet in een verweer als bedoeld in 3.14, maar is slechts een opmerking in algemene zin, die - mede gelet op het ontbreken van feitelijke grondslag bij andere verweren - niet lijkt te zijn gebaseerd op adequate kennisneming van het dossier.

3.16. Het hof zal gelet op het voorgaande het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenvergoeding ten behoeve van de betrokkene bestaat geen aanleiding.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.