Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BF7429

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2008
Datum publicatie
09-10-2008
Zaaknummer
BK 1143/02 Loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge de Wet op de rechterlijke organisatie en de Algemene wet inzake rijksbelastingen is het Hof in deze procedure uitsluitend bevoegd te oordelen over de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/7.7 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerken: BK 1143/02 1 oktober 2008

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de in een geschrift verenigde uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen Emmen (vestiging Assen), thans Belastingdienst/Noord/kantoor Assen (hierna: de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen voor de tijdvakken 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 en 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. De hiervoor vermelde naheffingsaanslagen zijn met dagtekening 23 januari 2001 opgelegd en bedragen ƒ 149.078 (aanslagnummer 000.00.000.A.01.750.0) en ƒ 70.251 (aanslagnummer 000.00.000.A.01.950.0). Gelijktijdig zijn door de inspecteur beschikkingen heffingsrente genomen van ƒ 16.891 en ƒ 4.131.

1.2. Van belanghebbende is door de inspecteur op 13 februari 2001 een bezwaarschrift ontvangen. Bij uitspraken, gedagtekend 22 maart 2002, zijn de naheffingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Op 1 mei 2002 is van belanghebbende een beroepschrift, gedagtekend 29 april 2002, ingekomen ter griffie. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 30 augustus 2002. Van de inspecteur is op 1 november 2002 een verweerschrift ontvangen.

1.4. De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 12 maart 2003, gelijktijdig met de zaken 1141/02 (ten name van VOF A) en 1142/02 (ten name van B). Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt en verzonden aan partijen.

1.5. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht heropend. Ten overstaan van prof. mr. E. Aardema als raadsheer-commissaris is de zaak vervolgens ter nadere zitting van de eerste enkelvoudige kamer van het Hof op 12 september 2005 verder behandeld, wederom gezamenlijk met de zaken 1141/02 en 1142/02. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt en verzonden aan partijen.

1.6. De inspecteur heeft het Hof bij brieven van 3 januari 2006 en 9 februari 2006 bericht dat partijen in gesprek waren over een compromis en op 17 januari 2007 meegedeeld dat geen compromis tot stand is gekomen.

1.7. Mede in verband met de gewijzigde samenstelling van de meervoudige kamer is de zaak ter zitting van 4 juli 2007 opnieuw behandeld. De inspecteur heeft het Hof daarna bij brief van 11 september 2007 bericht dat een compromis tot stand is gekomen en een kopie van de vaststellingsovereenkomst (inclusief de daarbij behorende aanbiedingsbrief) meegezonden. Bij brief van 28 maart 2008 heeft de gemachtigde het Hof bericht dat belanghebbende niet is overgegaan tot het intrekken van het beroepschrift en dat hij niet langer de gemachtige van belanghebbende is. Het beroep is vervolgens behandeld ter nadere zitting van 1 juli 2008. Van het op de zittingen van 4 juli 2007 en 1 juli 2008 verhandelde zijn processen-verbaal opgemaakt en aangehecht aan deze uitspraak.

2. De feiten, het geschil en de standpunten van partijen.

De inhoud van de onder 1.7 genoemde vaststellingsovereenkomst luidt voor zover hier van belang als volgt:

“Tijdens de zitting voor de eerste enkelvoudige belastingkamer heeft de raadsheer-commissaris partijen er op gewezen dat bij een zelfstandige beslissing van het hof op grond van de standpunten van partijen, één van de partijen in deze zaak gelijk zal krijgen. De uitspraak kan voor beide partijen onbevredigend zijn nu bij een dergelijke beslissing nuances in de zaak onvoldoende tot hun recht kunnen komen, zodat een compromisoplossing meer in de rede ligt. De raadsheer-commissaris heeft partijen voorgehouden dat de inspecteur (in een eerder stadium) een redelijk compromisvoorstel heeft gedaan.

Tijdens een zitting (…) d.d. 4 juli 2007 heeft belanghebbende aangegeven dat hij alsnog akkoord wenst te gaan met het in een eerder stadium door de inspecteur gedane compromisvoorstel het totaal aan naheffingsaanslagen te verminderen tot op € 18.151 inclusief heffingsrente, mits tevens met de ontvanger een afspraak kan worden gemaakt over de tot op heden nog openstaande aanslagen.

Partijen komen het navolgende overeen:

1. De naheffingsaanslag loonbelasting met aanslagnummer 000.00.000.A.01.7500 wordt verminderd tot op € 12.337 inclusief heffingsrente.

De naheffingsaanslag loonbelasting met aanslagnummer 000.00.000.A.01.9500 wordt verminderd tot op € 5.814 inclusief heffingsrente.

2. Na vermindering van voornoemde naheffingsaanslagen loonbelasting is de stand van zaken met betrekking tot nog openstaande belastingschulden als volgt:

(…)

Belanghebbende en zijn gemachtigde verklaren dat zij als uitvloeisel van hetgeen hierboven is overeengekomen, het door belanghebbende bij het Gerechtshof ingediend beroepschrift zullen intrekken”.

De vaststellingsovereenkomst is door de inspecteur, de ontvanger, belanghebbende en zijn (toenmalige) gemachtigde ondertekend.

3. De overwegingen omtrent het geschil:

3.1. Ingevolge de Wet op de rechterlijke organisatie en de Algemene wet inzake rijksbelastingen is het Hof in deze procedure uitsluitend bevoegd te oordelen over de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekerin-gen.

3.2. Naar het oordeel van het Hof volgt uit het onder 2 bedoelde stuk en de verklaringen van partijen over dat stuk dat omstreeks 5 juli 2007 tussen hen een vaststellingsovereenkomst is gesloten in de zin van artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Dit brengt mee dat belanghebbende gebonden is aan deze overeenkomst. Dat zou anders kunnen zijn indien aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is geweest van een wilsgebrek (dwang, dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden).

3.3. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vaststellingsovereenkomst door dwang, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, acht het Hof zulks met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende zich bij de contacten met de inspecteur heeft doen bijstaan door een belastingadviseur en dat de vaststellingsovereen-komst mede door deze belastingadviseur is ondertekend. Bovendien volgt uit de door de inspecteur geplaatste datum van 5 juli 2007 op het document waarin de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd, en de brief van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende van 5 september 2007, waarin de gemachtigde schrijft dat belanghebbende de overeenkomst op 31 augustus 2007 heeft ondertekend, dat belanghebbende een redelijke termijn is geboden om zich te beraden en/of zijn adviseur te raadplegen alvorens hij zich door het plaatsen van zijn handtekening definitief heeft vastgelegd.

Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en hij deze overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten, acht het Hof zulks evenmin aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook overigens is niet duidelijk geworden op grond waarvan belanghebbende zou hebben gedwaald. De vaststellingsovereen-komst is dan ook niet vernietigbaar uit dezen hoofde.

3.4. Voorzover belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur de vaststellingsovereenkomst niet (goed) heeft uitgevoerd en hij daarmee iets anders heeft bedoeld dan het uit hoofde van onderdeel 1 van de vaststellingsovereenkomst verminderen van de in geschil zijnde belastingaanslagen, is de fiscale rechter, meer in het bijzonder de belastingkamer van het Hof, niet bevoegd kennis te nemen van het geschil.

3.5. Het voorgaande brengt mee dat het Hof zich zal aansluiten bij hetgeen partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeenge-komen en in overeenstemming daarmee zal beslissen.

4. De conclusie

De slotsom is dat het beroep gegrond is en dat de naheffingsaanslagen – voorzover nog nodig – aldus moeten worden verminderd dat inclusief heffingsrente bedragen resteren van € 12.337 en € 5.814.

5. De proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt het Hof het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komen kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 2.173,50 (4,5 voor proceshandelingen x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor voor het gewicht van de zaak) en de reiskosten van belanghebbende om de onder 1.4 en 1.7 vermelde zittingen in Leeuwarden bij te wonen op € 176 (4 x € 44). Andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

7. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraken waarvan beroep;

vermindert de naheffingsaanslag met aanslagnummer 000.00.000.A.01.750.0 tot € 12.337 inclusief heffingsrente;

vermindert de naheffingsaanslag met aanslagnummer 000.00.000.A.01.950.0 tot € 5.814 inclusief heffingsrente;

verstaat dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 29 aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan belanghebbende van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 2.349,50, en

wijst daarbij de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 1 oktober 2008 door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 8 oktober 2008 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.