Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BF0225

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
107.004.868 (voorheen Rekestnummer 0800222)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap. Het hof overweegt dat in de onderhavige zaak de toewijzing van de voormalige echtelijke woning van partijen aan de vrouw een verspilling van overheidsgelden zou betekenen, nu de woning met overheidssubsidie is aangepast aan de handicap van de man. Het hof acht dit in strijd met het algemeen belang.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 124
JPF 2008/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 21 augustus 2008

Rekestnummer 107.004.868 (voorheen Rekestnummer 0800222)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.H. Lanting,

advocaat mr. J. Pape,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. R.W. de Casseres,

advocaat mr. E. Henkelman.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 18 december 2007 heeft de rechtbank Groningen tussen de man en de vrouw een verdeling vastgesteld.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 13 maart 2008, heeft de man verzocht de beschikking van 18 december 2007 te vernietigen en opnieuw te beslissen als in dat beroepschrift omschreven; het petitum van het beroepschrift wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 29 april 2008, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht om de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen en de kosten tussen partijen (in beide instanties) te compenseren.

Tevens heeft de vrouw bij haar verweerschrift voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht - in het geval dat de woning aan de man wordt toegewezen - de beschikking van 18 december 2007 te vernietigen voor zover het de daarin bepaalde waarde van de woning staande en gelegen te [postcode ] [plaats ] aan de [adres] en de hiermee samenhangende overbedelingsvordering betreft, en in zoverre opnieuw beslissende de waarde van deze woning, alsmede de mate van overbedeling per datum van de door het hof in dezen te geven beschikking vast te stellen.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 30 mei 2008, heeft de man het verzoek in het voorwaardelijk incidenteel beroep bestreden.

Het hof zal, zoals door de vrouw verzocht, geen rekening houden met de inhoud van dit verweerschrift voor zover dit meer bevat dan een reactie op het voorwaardelijk incidenteel beroep.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht d.d. 28 juli 2008 met bijlagen van mr. De Casseres.

Op 4 augustus 2008 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen. Zij hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voorstel van de raadsheer-commissaris af te zien van een mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer. Deze mondelinge behandeling heeft vervolgens niet plaatsgevonden.

De beoordeling

1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen.

2. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de bankrekening(en) op naam van partijen en de inboedelgoederen in onderling overleg reeds zijn verdeeld. Tegen die vaststelling is geen grief gericht, zodat ook het hof op deze punten geen beslissing behoeft te geven. Tijdens de comparitie van partijen is nog wel aan de orde geweest dat partijen strijden om hun hond, maar deze strijd valt buiten de grenzen van dit hoger beroep, zodat het hof ook hierover niet zal beslissen.

Aan dat hoger beroep zijn wel de volgende kwesties onderworpen waarover de rechtbank een oordeel heeft gegeven: de voormalige echtelijke woning, de auto van het merk Mazda en de verrekening van de overbedeling. Partijen hebben dat oordeel gevraagd omdat zij zelf over de toewijzing geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank, in hoofdzaak hierop neerkomende dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld en de auto aan hem, gekoppeld aan de verplichting van de vrouw hem een zeker bedrag te betalen wegens overbedeling.

3. Het hof stelt voorop dat de rechter bij een beslissing als de onderhavige naar billijkheid rekening dient te houden zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.

4. Wat de auto betreft hebben partijen geen grief aangevoerd tegen de vaststelling door de rechtbank dat de waarde van de auto € 6.000,- bedraagt, noch tegen de beslissing dat deze auto aan de man wordt toegedeeld. De vrouw heeft geen bezwaar gemaakt tegen het voorstel van de man dat hij haar de helft van de waarde, dus € 3.000,-, zal betalen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

5. Wat de toedeling van de voormalige echtelijke woning betreft kent het hof, anders dan de rechtbank, bij de afweging van belangen doorslaggevende betekenis toe aan de belangen van de man en het algemeen belang.

6. De vrouw bestrijdt niet dat de man sinds zijn geboorte lijdt aan een ziekte van het zenuwstelsel en het bewegingsstelsel met locomotore stoornissen. De linkerarm van de man is onderontwikkeld en is nauwelijks functioneel. Zoals ook de raadsheer-commissaris ter comparitie heeft geconstateerd, kan hij de vingers van zijn linkerhand niet of nauwelijks strekken en beweegt hij zich moeizaam. Ook zijn linkerbeen is minder ontwikkeld. In feite functioneert de gehele linkerkant van zijn lichaam niet goed. Naar zijn zeggen - en dat heeft de vrouw niet bestreden - wordt het beeld er niet beter op naarmate hij ouder wordt. In de voormalige echtelijke woning zijn in de jaren 2002 tot en met 2004 allerlei aanpassingen aangebracht op grond van de destijds geldende Wet voorzieningen gehandicapten. Deze aanpassingen betroffen: electrische bediening van de zonwering, extra trapleuning, aanpassing van de keuken, van het toilet, zowel op de boven- als op de benedenverdieping, en van de doucheruimte. Deze voorzieningen betekenden een volledige aanpassing aan de handicap van de man aan de hand van een programma dat was opgesteld door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Groningen. Er was een overheidssubsidie mee gemoeid van € 8.015,88.

Uit de brief vanwege de gemeente [gemeente ] van 21 augustus 2007 leidt het hof af dat de man er niet zonder meer - in beginsel niet - op kan rekenen dat van overheidswege gelden ter beschikking zullen komen voor de aanpassing van een nieuwe woning. Wat daarvan zij - het is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, de vraag of de gemeente dat standpunt zou kunnen volhouden als de man de woning op grond van een rechterlijk vonnis zou moeten verlaten - de toewijzing van de woning aan de vrouw zou een niet onaanzienlijke verspilling van overheidsgelden betekenen, doordat de onderhavige aanpassingen hun nut zouden verliezen. Het hof acht dit in strijd met het algemeen belang.

7. Daarbij komt het klemmende belang van de man dat hij de bewoning kan voortzetten van het huis dat geheel aan juist zijn specifieke beperkingen is aangepast op een naar het hof begrijpt deskundige en verantwoorde wijze. Bovendien geldt dat met het vinden van en de aanpassing van een nieuwe geschikte woning - de kosten daarvan en wie die zal moeten dragen nog daargelaten - veel tijd zal zijn gemoeid. De man heeft onvoldoende bestreden gesteld dat zijn lichamelijke klachten verergeren doordat hij nu geruime tijd bij zijn zuster woont in ongunstige omstandigheden: er zijn daar geen aangepaste voorzieningen en hij moet in een beperkte ruimte op een stretcher slapen.

8. Tegenover dit alles acht het hof de belangen van de vrouw van onvoldoende gewicht. De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken dat de vrouw emotioneel in hoge mate hecht aan de woning en dat zij veel moeite zal hebben elders te aarden. Het hof wil dat wel aannemen, maar dat geldt ook voor de stellingen van de man op dit punt. Ter comparitie heeft de vrouw op de vraag waarin de emotionele hechting aan de woning nu precies bestond, geantwoord dat zij bang is in het donker. Het hof acht het bij gebreke van enige nadere toelichting niet aannemelijk dat die angst nu juist in de onderhavige woning niet of minder zou bestaan. De omstandigheid dat de vrouw de woning tot dusver is blijven bewonen, kan aan de man redelijkerwijs niet worden tegengeworpen, aangezien tussen partijen vast staat dat dit op een voorlopige regeling berust en niet, althans onvoldoende, is gesteld en gebleken dat partijen daarbij de bedoeling hebben gehad in zoverre vooruit te lopen op een definitieve beslissing omtrent de toedeling van de woning.

9. Alles tezamen genomen slaat de schaal van de afweging van het hof met betrekking tot de toedeling van de woning in overduidelijke mate door naar de zijde van de man. Al hetgeen de vrouw in dit hoger beroep verder nog naar voren heeft gebracht, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het hof zal de woning dan ook aan de man toedelen.

10. Met betrekking tot de verrekening van de overbedeling van de man door toedeling van de woning aan hem geldt het volgende.

Niet in geschil is dat de getaxeerde waarde van de woning per 23 november 2007 € 127.500,- bedroeg. Ter comparitie heeft de man gesteld dat tussen partijen de afspraak bestaat dat deze waarde tussen hen bindend zal zijn, hetgeen in zijn visie meebrengt dat verrekening ook thans nog tegen deze waarde dient plaats te vinden. De vrouw heeft gesteld dat deze waarde alleen zou worden gehanteerd bij toedeling van de woning aan haar.

Wanneer de man wenst vast te houden aan verrekening van de woning tegen de eerder getaxeerde waarde zal hij de door hem gestelde afspraak, nu deze door de vrouw gemotiveerd wordt betwist, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv moeten bewijzen. Het hof zal hem daartoe in de gelegenheid stellen.

11. In het geval dat de man in dit bewijs niet slaagt is de hoofdregel van toepassing die meebrengt dat verrekening van de overwaarde dient plaats te vinden aan de hand van de waarde ten tijde van de toedeling, dus per heden. In hoeverre de woning sinds 23 november 2007, per welke datum de eerdere taxatie plaatsvond, in waarde gestegen of gedaald is, is de vraag, maar daarop dient het hof niet vooruit te lopen. Het komt het hof het meest praktisch voor dat partijen, als de vrouw vasthoudt aan haar in voorwaardelijk incidenteel appel - dat thans door de toedeling van de woning aan de man aan de orde komt - geuite wens om de waarde opnieuw te bepalen gezamenlijk een taxateur aanwijzen die de waarde van de woning per heden voor hen bindend vaststelt. Mochten partijen daar in onderling overleg niet uitkomen, dan zal het hof een deskundige benoemen, een en ander op de wijze zoals in het dictum van deze beschikking is weergegeven. Partijen zullen dan elk de helft van het voorschot in de kosten van de deskundige dienen te voldoen.

Overigens staat een en ander er niet aan in de weg dat partijen alsnog in onderling overleg op andere wijze tot vaststelling kunnen komen van de waarde waartegen de woning tussen hen verrekend wordt. In dat geval dienen zij het hof daarvan in kennis te stellen, zoals in het dictum weergegeven.

12. De hypothecaire schuld van - ten tijde van het vonnis van de rechtbank - € 80.000,- dient volgens afspraak tussen partijen op de getaxeerde waarde van de woning in mindering te worden gebracht. Partijen hebben niet aangevoerd dat dit bedrag van € 80.000,- bij de uiteindelijke verdeling ook als vaststaand zou hebben te gelden. Het hof zal daarom in de eindbeslissing bepalen dat op de waarde van de woning in mindering zal worden gebracht het bedrag van de hypothecaire schuld ad € 80.000,-, te verminderen met de aflossingen die tot de datum waarop de woning juridisch uitsluitend ten name van de man wordt gesteld daarop mochten zijn gedaan onder gehoudenheid van partijen tot verrekening, met dien verstande dat elk der partijen de helft van de waarde van die aflossingen voor zijn of haar rekening dient te nemen. Partijen dienen het hof te informeren over de hoogte van die aflossingen en zullen daartoe in de gelegenheid worden gesteld tegen de in het dictum opgenomen datum; het hof gaat er van uit dat de juridische levering van de woning aan de man vóór die datum zal hebben plaatsgevonden.

13. De rechtbank heeft in de beschikking waarvan beroep bepaald dat de vrouw ervoor zorg draagt dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. Nu het hof de woning aan de man toedeelt kan dit onderdeel van de beslissing niet in stand blijven. Geen van partijen heeft in hoger beroep om een dergelijke voorziening verzocht (evenmin overigens als in eerste aanleg), zodat het hof hierover niets zal beslissen. Het ligt echter wel voor de hand dat de man zich in redelijkheid zal inspannen om te bewerkstelligen dat de vrouw door de bank uit bedoelde hoofdelijkheid wordt ontslagen.

Slotsom

14. Het principaal appel en het voorwaardelijk incidenteel appel slagen. De beschikking van de rechtbank moet worden vernietigd en verder als volgt beslist.

Beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel en in voorwaardelijk incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 18 december 2007;

en opnieuw beslissende:

stelt de volgende wijze van verdeling vast:

- deelt aan de man toe de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats ] tegen een nader vast te stellen waarde, alsmede de hypothecaire geldlening met betrekking tot deze woning ten bedrage van € 80.000, met dien verstande dat op dit bedrag in mindering dient te worden gebracht het nog vast te stellen bedrag aan aflossingen die daarop tot aan de datum waarop de woning uitsluitend ten name van de man wordt gesteld mochten zijn gedaan onder gehoudenheid van partijen tot verrekening, met dien verstande dat elk der partijen de helft van de waarde van die aflossingen voor zijn of haar rekening dient te nemen en met dien verstande dat de man aan de vrouw op grond van overbedeling de helft van het aldus resterende saldo (waarde woning minus resterende hypotheekschuld per datum waarop de woning uitsluitend ten name van de man wordt gesteld) dient te betalen;

- deelt aan de man voorts toe de auto, merk Mazda 323 met kenteken [kenteken ] tegen een waarde van € 6.000,-, onder gehoudenheid om aan de vrouw de helft daarvan, dus € 3.000,-, te vergoeden;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens nader te beslissen met betrekking tot de verrekening van de overbedeling van de man door toedeling van de woning aan hem:

draagt de man op het bewijs van de door hem gestelde en in rechtsoverweging 10 van deze beschikking omschreven afspraak tussen partijen;

stelt de man in de gelegenheid om het hof uiterlijk op 18 september 2008 te berichten of, en zo ja op welke wijze, hij aan deze bewijsopdracht wenst te voldoen;

benoemt mr. H.L.C. Hermans tot raadsheer-commissaris, ten overstaan van wie het eventuele verhoor van getuigen zal plaatsvinden op een door hem in overleg met partijen te bepalen dag en tijd;

verstaat dat, wanneer van de man niet tijdig in bovengemelde zin zal zijn vernomen (behoudens tijdig verzocht en verleend uitstel daarvoor), het hof het ervoor zal houden dat de man afziet van bedoelde bewijslevering;

stelt in dat geval partijen tot uiterlijk 9 oktober 2008 in de gelegenheid om ofwel een taxatierapport als bedoeld in rechtsoverweging 11 van deze beschikking aan het hof over te leggen met daarbij het commentaar van elk van partijen voor zich, ofwel het hof mee te delen dat benoeming van een deskundige door het hof wordt gewenst, in welk geval partijen zich daarbij dienen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en over de aan de deskundige te geven opdracht (die in beginsel zal luiden het taxeren van de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats ] per heden) ofwel het hof mee te delen tegen welke waarde zij overeengekomen zijn de woning te verrekenen;

stelt partijen tot uiterlijk 9 oktober 2008 in de gelegenheid elk voor zich het hof te informeren over de hoogte van de aflossingen als bedoeld in rechtsoverweging 12 van deze beschikking en tot uiterlijk 23 oktober 2008 om te reageren op hetgeen de ander tot dan toe hierover zal hebben gesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mrs. Hermans, voorzitter, Telman en Bosch, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 21 augustus in bijzijn van de griffier.