Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BE9109

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
107.002.004/01 (voorheen rolnummer 0700523)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dat laatste is naar het oordeel van het hof feitelijk onjuist, aangezien die dreiging zich in 2006 nu juist wel heeft voorgedaan en zich ook heeft verwezenlijkt. Bovendien blijkt hoegenaamd nergens uit dat ITS gehouden was offertes aan Vinea te doen. ITS schiet ook tekort in de onderbouwing van de verplichting van Vinea om een aanbod van ITS op haar beurt te aanvaarden. Meer in het algemeen gesproken, brengt het enkele feit dat partijen gedurende jaren telkenmale (vervoers)overeenkomsten sloten met betrekking tot internationale pendelritten in het zomerseizoen, niet mee dat tussen hen een overeenkomst is ontstaan die Vinea dient op te zeggen indien zij op enig moment zou besluiten voor het nieuwe seizoen met ITS geen onderhandelingen aan te gaan. Ook voor het overige bieden de stellingen van ITS voor een dergelijk standpunt geen aanknopingspunten. Tussen partijen bestond immers geen schriftelijke overeenkomst van die strekking, en elk seizoen opnieuw werd naar aanleiding van offertes van ITS onderhandeld. Niet is aangevoerd dat ITS op enig moment de garantie is gegeven of dat door Vinea bij haar de verwachting is gewekt dat de internationale ritten uitsluitend door haar zouden worden uitgevoerd. Uit de gang van zaken die ITS zelf heeft geschetst, valt iets dergelijks ook niet af te leiden. Dat de onderhandelingen geruime tijd zeer soepel verliepen, maakt die onderhandelingen uiteraard niet betekenisloos en zinledig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 augustus 2008

Zaaknummer 107.002.004/01 (voorheen rolnummer 0700523)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

VOF Intertouringcar Service Noord,

gevestigd te Bolsward,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: ITS,

procureur: mr. G. Machiels,

tegen

Vinea Vakanties BV,

gevestigd te Sneek,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Vinea,

procureur: mr. O.J. Klabou.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 24 april 2007 en 18 juli 2007 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 31 juli 2007 is door ITS hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 18 juli 2007 met dagvaarding van Vinea tegen de zitting van 22 augustus 2007.

De conclusie van de memorie van grieven, houdende vermindering van eis, luidt:

"het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 18 juli 2007 tussen partijen gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende,

geïntimeerde te veroordelen om aan appellante te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 50.000,00 terzake van hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg, tot die der algehele voldoening,

alsmede een bedrag van € 1.788,00 terzake van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg,

althans om een bedrag of bedragen aan appellante toe te kennen als het gerechtshof in goede justitie meent te moeten toewijzen,

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest".

Bij memorie van antwoord is door Vinea verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar appèl tegen het vonnis waarvan beroep, althans appellante haar vordering te ontzeggen en het bestreden vonnis te bekrachtigen alsmede appellante te veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep".

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

ITS heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Grief I is gericht tegen de in het beroepen vonnis onder de vaststaande feiten opgenomen zinsnede dat ITS per afzonderlijk jaar/seizoen buscapaciteit aan Vinea aanbood en dat partijen vervolgens onderhandelden over de inzet van de door ITS aangeboden buscapaciteit. ITS stelt zich in dit hoger beroep op het standpunt dat incidenteel wel over de prijs werd onderhandeld, maar dat de door ITS aangeboden buscapaciteit altijd door Vinea werd gebruikt. In dit hoger beroep staat dus niet vast dat ook over die buscapaciteit werd onderhandeld. De grief slaagt om die reden. Of dat ITS kan baten, zal hierna blijken. Voor zover in appel nog van belang, staat het volgende thans vast.

2. ITS exploiteert een touringcarbedrijf. Vinea organiseert vakanties en reizen voor jongeren van zeven tot negentien jaar. Vinea heeft in elk geval in de periode 1996 tot en met de winterperiode 2005/2006 voor haar reizen gebruik gemaakt van bussen van ITS. In de periode van de laatste jaren van de samenwerking tussen partijen reden in het zomerseizoen twee á drie bussen per vertrekdag voor Vinea, bij twee vertrekdagen per week. Ongeveer drie bussen daarvan waren van ITS.

3. Bij brief van 29 maart 2006 heeft Vinea aan ITS het volgende geschreven.

“Na de vele gesprekken die zijn gevoerd in de loop der jaren, de wintersport perikelen van afgelopen februari en de evaluatie gesprekken van begin deze maand, kan ik je hierbij meedelen dat wij geen vertrouwen meer hebben in een goede samenwerking. (…) Dat heeft mij dan ook doen besluiten een andere busmaatschappij te zoeken (…)”

De overige grieven

4. De vordering is primair gebaseerd op de stelling dat tussen partijen een duurovereenkomst bestond die ’in principe’ inhield dat ITS jaarlijks of per seizoen gehouden was een aanbod te doen en dat Vinea gehouden was dat te aanvaarden. De grieven II, III en IV zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de feitelijke onderbouwing daarvan tekortschiet, en tegen enkele overwegingen die de rechtbank tot die conclusie hebben gebracht.

5. Het hof constateert mét de rechtbank dat de feitelijke onderbouwing van ITS zeer summier is. Zij voert aan dat partijen vanaf omstreeks 1990 tot begin 2006 met name in het zomerseizoen (juli en augustus) hebben samengewerkt. Vanaf 1995, toen de internationale ritten steeds belangrijker werden, had die samenwerking een duurzaam karakter. De samenwerking is toen een aantal jaren in die zin ‘exclusief’ geweest, dat ITS voor Vinea alle internationale busritten uitgevoerde, met name naar Frankrijk, Spanje en Italië. Elk jaar hadden partijen de intentie om tot overeenstemming te komen, en nooit hebben zij een punt bereikt waarop overeenstemming niet tot stand dreigde te komen, aldus ITS.

6. Dat laatste is naar het oordeel van het hof feitelijk onjuist, aangezien die dreiging zich in 2006 nu juist wel heeft voorgedaan en zich ook heeft verwezenlijkt. Bovendien blijkt hoegenaamd nergens uit dat ITS gehouden was offertes aan Vinea te doen. ITS schiet ook tekort in de onderbouwing van de verplichting van Vinea om een aanbod van ITS op haar beurt te aanvaarden. Meer in het algemeen gesproken, brengt het enkele feit dat partijen gedurende jaren telkenmale (vervoers)overeenkomsten sloten met betrekking tot internationale pendelritten in het zomerseizoen, niet mee dat tussen hen een overeenkomst is ontstaan die Vinea dient op te zeggen indien zij op enig moment zou besluiten voor het nieuwe seizoen met ITS geen onderhandelingen aan te gaan. Ook voor het overige bieden de stellingen van ITS voor een dergelijk standpunt geen aanknopingspunten. Tussen partijen bestond immers geen schriftelijke overeenkomst van die strekking, en elk seizoen opnieuw werd naar aanleiding van offertes van ITS onderhandeld. Niet is aangevoerd dat ITS op enig moment de garantie is gegeven of dat door Vinea bij haar de verwachting is gewekt dat de internationale ritten uitsluitend door haar zouden worden uitgevoerd. Uit de gang van zaken die ITS zelf heeft geschetst, valt iets dergelijks ook niet af te leiden. Dat de onderhandelingen geruime tijd zeer soepel verliepen, maakt die onderhandelingen uiteraard niet betekenisloos en zinledig.

7. De grieven II, III en IV falen.

8. ITS voert thans bij wijze van verholen grief subsidiair aan dat – zo begrijpt het hof - indien al geen sprake is van een duurovereenkomst - tussen partijen een 'bestendige relatie' bestond, ten aanzien waarvan de redelijkheid en billijkheid of het vertrouwensbeginsel meebrachten dat Vinea ook voor 2006 nog een overeenkomst met ITS aanging, enerzijds omdat beëindiging van de samenwerking niet noodzakelijk was, anderzijds omdat Vinea wist dat ITS daardoor in grote financiële problemen zou komen. Met deze stellingen miskent ITS naar het oordeel van het hof dat deze leerstukken in de gegeven omstandigheden onvoldoende grondslag bieden voor het aannemen van de door ITS verdedigde plicht tot het aangaan van een overeenkomst met betrekking tot de zomer van 2006, in de nakoming waarvan Vinea is tekortgeschoten.

9. Door middel van grief VI tenslotte, handhaaft Vinea (meer) subsidiair haar beroep op het leerstuk van de onrechtmatige daad. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

10. Deze grief faalt eveneens.

11. De grieven VI en VII (aangeduid als grief V) hebben naast de al behandelde grieven geen afzonderlijke betekenis en zullen om die reden verder onbesproken blijven.

12. Het gedane bewijsaanbod zal worden gepasseerd als zijnde niet specifiek en bovendien irrelevant voor de uitkomst van de procedure.

De slotsom.

13. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van ITS als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief IV, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt ITS in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Vinea tot aan deze uitspraak op € 1.555,= aan verschotten en € 1.631,= aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Zandbergen en Janse, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 augustus 2008 in bijzijn van de griffier.