Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BE9098

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
107.001.665/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het staat vast dat [naam 1 ] v.o.f. bekend was met het feit dat ter plaatse een leiding aanwezig was. De informatie in KLIC en de aanwezigheid van zinkerborden wezen [naam 1 ] v.o.f. er op dat een leiding in het werkgebied aanwezig moest zijn. [naam 1 ] v.o.f. heeft dan ook terecht nader onderzoek verricht naar de precieze locatie, meer in het bijzonder de diepte, van de leiding. De vraag rijst echter of [naam 1 ] v.o.f. aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan door het met de spuitlans verrichte onderzoek, zoals zij stelt, maar Waterbedrijf betwist. Ook wanneer er met [appellanten ], veronderstellenderwijs, vanuit wordt gegaan dat het zoeken met een spuitlans een adequate methode is om de leiding te lokaliseren, staat daarmee immers nog niet vast dat [naam 1 ] v.o.f. aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan. Het zoeken met de spuitlans dient ook op zorgvuldige wijze te zijn uitgevoerd. Vaststaat dat [naam 1 ] v.o.f. de leiding, ofschoon die wel op 3,60 meter diepte aanwezig was, bij het onderzoek met de spuitlans niet heeft gelokaliseerd. [appellanten ] hebben daar geen verklaring voor gegeven. Aldus hebben zij hun verweer tegen de stelling van Waterbedrijf, dat [appellanten ] onzorgvuldig gehandeld heeft, onvoldoende weersproken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2010/33 met annotatie van F.J. van Velsen
JBO 2008/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 augustus 2008

Zaaknummer 107.001.665/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. Gebr. [naam 1 ] Holding BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: [appellant 1 ],

2. Koninklijke Wegenbouw Stevin BV,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen: Stevin,

appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten ],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

Waterbedrijf Groningen NV,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Waterbedrijf,

procureur: mr. J.H. van der Meulen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 14 januari 2004 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 maart 2004 is door [appellanten ] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Waterbedrijf tegen de zitting van 7 april 2004.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis de dato 14 januari 2004 van de rechtbank te Groningen, gewezen onder zaaknummer 64538/ HAZA 03-297 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende, zonodig onder verbetering van gronden, Waterbedrijf Groningen niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar vordering af te wijzen als rechtens ongegrond, met veroordeling van Waterbedrijf Groningen in de kosten van beide instanties".

Bij akte hebben [appellanten ] twee producties in het geding gebracht.

Bij memorie van antwoord is door Waterbedrijf verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"dat uw Gerechtshof, met inachtneming van de grief van WBG met betrekking tot de vastgestelde feiten, en zonodig onder verbetering van gronden, het vonnis d.d. 14 januari 2004 van de rechtbank Groningen, tussen partijen gewezen onder zaaknummer 64538 HA ZA 03-297, te bevestigen en derhalve de vordering van WBG toe te wijzen, met veroordeling van [appellanten ] in de kosten van beide instanties".

Door [appellanten ] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"dat de grieven tegen het vonnis van de rechtbank Groningen, d.d. 14 januari 2004 gewezen (rolnummer HA ZA 03-297), als vervat in het incidenteel appèl d.d. 9 mei 2007, als ongegrond zullen worden verworpen en dat het vonnis voornoemd wordt vernietigd met veroordeling van geïntimeerde, tevens incidenteel appellante in de kosten van het geding in beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad".

Voorts heeft Waterbedrijf een akte en hebben [appellanten ] een antwoordakte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten ] hebben in het principaal appel vijf grieven opgeworpen. De laatste grief is door [appellanten ], net als de een na laatste grief, aangeduid als grief 4.

Waterbedrijf heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

Vaststaande feiten tevens bespreking van de grief in het incidenteel appel

1. De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.5 van het vonnis de feiten vastgesteld. Waterbedrijf komt in het incidenteel appel op tegen de vaststelling door de rechtbank in rechtsoverweging 1.3, dat medewerkers van [appellant 1 ] met een spuitlans de bodem tot zes meter diep hebben onderzocht, maar de leiding niet hebben gevonden. Waterbedrijf betwist dat de bodem ter plaatse van de leiding tot deze diepte is onderzocht, althans dat dit onderzoek volledig is geweest. Ook stelt zij dat deze methode van onderzoek, het zoeken met een spuitlans, niet de juiste methode is.

2. Naar het oordeel van het hof heeft Waterbedrijf de, deugdelijk onderbouwde, stelling van [appellanten ] dat diverse medewerkers van [naam 1 ] v.o.f., de ontbonden maatschap van [appellant 1 ] en Stevin, binnen het werkgebied met een spuitlans de bodem tot zes meter diepte hebben onderzocht, niet deugdelijk weerlegd. Het staat dan ook vast dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Dat betekent nog niet dat het onderzoek volledig is geweest, of adequaat. Dat heeft de rechtbank in rechtsoverweging 1.3 echter ook niet vastgesteld. De grief in het incidentele appel faalt dan ook.

3. De vaststelling van de feiten is verder niet weersproken, zodat ook in hoger beroep van deze feiten kan worden uitgegaan. Tezamen met hetgeen in hoger beroep is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken, staat omtrent de feiten het volgende vast.

3.1. [appellant 1 ] en Stevin zijn voormalige vennoten van de per 1 januari 2000 ontbonden vennootschap onder firma [naam 1 ] v.o.f..

3.2. [naam 1 ] v.o.f. heeft van de provincie Groningen opdracht gekregen om walbeschoeiing aan te brengen nabij het sluishoofd te Delfzijl. Voor dit doel zouden stalen damwanden in de bodem worden geplaatst.

3.3. Alvorens aan de werkzaamheden te beginnen, heeft [naam 1 ] v.o.f. een melding gedaan bij het Kabels- en Leidingen Informatie Centrum (hierna: KLIC). het KLIC heeft [naam 1 ] v.o.f. tekeningen gezonden waarop staat vermeld dat zich in het werkgebied een waterleiding in de bodem bevindt. De aanwezigheid van deze leiding wordt ook ter plaatse aangegeven door zogenaamde zinkerborden. De diepteligging van de leiding blijkt niet uit de tekeningen.

3.4. Om de leidingen te traceren hebben twee medewerkers van [naam 1 ] v.o.f. met behulp van een spuitlans de bodem tot een diepte van zes meter onderzocht. Zij konden de leiding niet vinden. Ook een vervolgens door de uitvoerder van [naam 1 ] v.o.f., de heer [betrokkene 1 ], uitgevoerd onderzoek met een spuitlans heeft er niet toe geleid dat de leiding getraceerd is.

3.5. [betrokkene 1 ] heeft om meer informatie te verkrijgen over de leiding telefonisch contact gezocht met [betrokkene 2 ] van Waterbedrijf. [betrokkene 1 ] heeft ook het kantoor van Waterbedrijf te Appingedam bezocht. Waterbedrijf heeft [betrokkene 1 ] geen nadere informatie over de leiding kunnen verschaffen.

3.6. [naam 1 ] v.o.f. heeft de zes meter lange damwand met twee meter ingekort tot vier meter en is op 15 april 1999 begonnen met het inheien van de damwand. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden is een lek ontstaan aan de waterleiding.

3.7. In een brief van 29 juni 2006 aan de heer [betrokkene 2 ] van Waterbedrijf schrijft [betrokkene 3 ] van [naam 2 ] Infra Services B.V. :

Op uw verzoek hebben wij op 16 mei 2006 aan de Zeesluizen te Delfzijl een peiling gedaan om de diepteligging van een waterkruising te bepalen.

Voor het bepalen van de ligging is gebruik gemaakt van een 3M Dynatel kabelzoeksysteem wat door u als een erkend meetinstrument is aanvaard.

Vanaf het intrede punt van de zinker is er door ons een kabel in de leiding gebracht tot het punt daar deze vastliep. Hierbij is er m.b.v. genoemde kabelzoeksysteem de diepte van de ligging van de kabel in de leiding bepaald. Uitkomst hiervan was dat er tegen de nieuwe damwand een diepte vanaf het maaiveld werd gemeten van 3,60 meter (3 meter en 60 centimeter) vanaf de walkant. Aan de waterkant van de damwand werd door ons geen signaal meer ontvangen op de meetapparatuur waaruit de conclusie getrokken kan worden dat de kabel tot de damwand in de leiding zat. Bij het uithalen van de kabel uit de leiding is de kabellengte opgenomen en deze kwam overeen met de afstand van intrede punt zinker tot damwand.

De gegevens van ons onderzoek zijn ter plaatse overhandigd aan de heer [betrokkene 4 ] van Waterbedrijf Groningen die als toezichthouder aanwezig was ter beoordeling van de verrichte werkzaamheden.

Bespreking van de grieven in het principaal appel

4. De rechtbank heeft [appellanten ] aansprakelijk gehouden voor de schade als gevolg van het lek in de waterleiding. De rechtbank oordeelde dat [naam 1 ] v.o.f. verwijtbaar onzorgvuldig had gehandeld bij het verrichten van de werkzaamheden in de buurt van de waterleiding, dat Waterbedrijf [naam 1 ] v.o.f. geen toestemming had gegeven voor het verrichten van deze werkzaamheden en dat Waterbedrijf niet zelf had bijgedragen aan de schade. Tevens oordeelde de rechtbank dat van het bestaan van causaal verband tussen de beschadiging van de leiding en de door [naam 1 ] v.o.f. verrichte werkzaamheden kan worden uitgegaan. Tegen deze oordelen richten de grieven 1 tot en met 4 zich. Het hof zal deze grieven thans behandelen.

5. Waterbedrijf heeft gesteld dat de beschadigde leiding in het gebied waar de damwand is geplaatst op 3,60 meter diepte lag. Waterbedrijf baseert deze stelling op een onderzoek van [naam 2 ] Infra Services B.V., waarvan in de in rechtsoverweging 3.7 aangehaalde brief van de heer [betrokkene 3 ] verslag wordt gedaan. Uit deze brief volgt inderdaad dat bij een door [naam 2 ] Infra Services B.V. op 16 mei 2006 ter plaatse uitgevoerd onderzoek naar de diepte van een waterleiding is vastgesteld dat de leiding ter plaatse van de damwand 3,60 meter bedroeg.

6. [appellanten ] hebben de inhoud van de brief van [betrokkene 3 ] weersproken. Volgens hen moet het onderzoek van [naam 2 ] Infraservices een fout bevatten. Zij baseren dit op het feit dat het door de medewerkers van [naam 1 ] v.o.f. verrichte onderzoek met de spuitlans tot 6,00 meter diepte er destijds niet toe heeft geleid dat de leiding is getraceerd. Daarmee hebben zij de brief naar het oordeel van het hof onvoldoende weersproken. Het enkele feit dat medewerkers van [naam 1 ] v.o.f. bij hun onderzoek de leiding destijds niet hebben aangetroffen, betekent nog niet dat de leiding er niet gelegen heeft en dat de leiding niet met een andere onderzoeksmethode, de door [naam 2 ] Infraservices B.V. gebezigde methode, kon worden gelokaliseerd. In dit kader is van belang dat gesteld noch gebleken is dat laatstgenoemde methode onbetrouwbaar zou zijn. Hun (veronder)stelling dat [naam 2 ] Infraservices B.V. wellicht de diepte van een andere leiding zou hebben vastgesteld, hebben [appellanten ] niet onderbouwd. Uit de brief van [betrokkene 3 ] blijkt dat een peiling is gedaan naar de diepte van een waterleiding (door hem aangeduid als waterkruising). Dat in het desbetreffende gebied ook nog een andere leiding dan de beschadigde leiding aanwezig was, is gesteld noch gebleken.

7. Het hof gaat er bij de beoordeling van de grieven dan ook vanuit dat de beschadigde waterleiding bij de te plaatsen damwand op 3,60 meter diepte lag.

8. [appellanten ] hebben betoogd dat de leiding gebrekkig was, omdat deze niet voldeed aan de eisen die er in de gegeven omstandigheden aan gesteld mogen worden (artikel 6:174 BW). De leiding is een asbest-cementleiding. Van dit soort leidingen is volgens [appellanten ] bekend dat ze een geringe weerstand hebben tegen trillingen, zeker wanneer ze, zoals hier, oud zijn. Omdat de leiding in een industriële omgeving ligt in een regio die geregeld wordt geconfronteerd met aardschokken, is ze door haar samenstelling naar haar aard gebrekkig.

9. Waterbedrijf heeft dit betoog van [appellanten ] gemotiveerd betwist. Zij heeft aangegeven dat het leidingstelsel in Nederland voor een belangrijk deel bestaat uit asbest-cementleidingen en dat dergelijke leidingen uitstekend voldoen en een zeer lange levensduur hebben. De desbetreffende leiding was volgens Waterbedrijf niet kwetsbaar.

10. [appellanten ] hebben hun stelling dat de asbest-cementleidingen gebrekkig is, naar het oordeel van het hof, zeker in het licht van hetgeen Waterbedrijf dienaangaande heeft aangevoerd, onvoldoende onderbouwd. Het lag op de weg van [appellanten ] haar stelling dat (oudere) asbest-cementleidingen kwetsbaar zijn te onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van relevante publicaties of verklaringen van deskundigen. [appellanten ] hebben dat echter nagelaten en zijn aldus tekortgeschoten in de op hen rustende stelplicht.

11. Nu niet vaststaat dat sprake is van een gebrekkige leiding, faalt het beroep van [appellanten ] op artikel 6:174 BW alleen om die reden al. Het hof laat dan nog daar dat artikel 6:174 BW niet van toepassing is op schade (van de bezitter van de leiding) die aan een leiding is ontstaan, zoals hier, maar op schade (van derden) die ontstaat wanneer een gebrekkige opstal gevaar oplevert en dat gevaar zich realiseert. Voor zover [appellanten ] de rechtbank verwijten geen rekening te hebben gehouden met artikel 6:174 BW is dit verwijt ongegrond.

12. [appellanten ] hebben het causaal verband tussen het plaatsen van de damwand en de beschadiging van de leiding betwist. Volgens hen kan de beschadiging ook veroorzaakt zijn door, niet door [naam 1 ] v.o.f. veroorzaakte, trillingen in combinatie met de kwetsbare constitutie van de leiding.

13. Het hof stelt vast dat de leiding op een diepte van 3,60 meter ligt en dat ter plaatse door [naam 1 ] v.o.f. tot een diepte van 4,00 meter een damwand is ingeheid. Uit de aangehaalde brief van [betrokkene 3 ] volgt ook dat de damwand de leiding heeft geraakt. Bovendien heeft uitvoerder [betrokkene 1 ] in een door [appellanten ] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring aangegeven dat bij het intrillen van de damwand tot ongeveer een diepte van 1 meter in de kanaalbodem het aan de wateroppervlakte begon te borrelen, waaruit hij constateerde dat de leiding lek moest zijn. De schade is derhalve ontstaan tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden door [naam 1 ] v.o.f. Onder die omstandigheden staat het causale verband tussen deze werkzaamheden en de beschadiging van de leiding naar het oordeel van het hof voldoende vast. Het hof passeert derhalve het in (te) algemene bewoordingen gedane verweer van [appellanten ], dat de leidingbreuk ook andere oorzaken kan hebben. Grief 2, die zich keert tegen het oordeel van de rechtbank over het causale verband, faalt dan ook.

14. Een aannemer is aansprakelijk voor het beschadigen van een leiding wanneer hij op de mogelijke aanwezigheid van leidingen bedacht moet zijn en, gelet op alle omstandigheden van het geval, onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij het lokaliseren van de leidingen en bij het verrichten van zijn werkzaamheden.

15. Het staat vast dat [naam 1 ] v.o.f. bekend was met het feit dat ter plaatse een leiding aanwezig was. De informatie in KLIC en de aanwezigheid van zinkerborden wezen [naam 1 ] v.o.f. er op dat een leiding in het werkgebied aanwezig moest zijn. [naam 1 ] v.o.f. heeft dan ook terecht nader onderzoek verricht naar de precieze locatie, meer in het bijzonder de diepte, van de leiding. De vraag rijst echter of [naam 1 ] v.o.f. aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan door het met de spuitlans verrichte onderzoek, zoals zij stelt, maar Waterbedrijf betwist. Ook wanneer er met [appellanten ], veronderstellenderwijs, vanuit wordt gegaan dat het zoeken met een spuitlans een adequate methode is om de leiding te lokaliseren, staat daarmee immers nog niet vast dat [naam 1 ] v.o.f. aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan. Het zoeken met de spuitlans dient ook op zorgvuldige wijze te zijn uitgevoerd. Vaststaat dat [naam 1 ] v.o.f. de leiding, ofschoon die wel op 3,60 meter diepte aanwezig was, bij het onderzoek met de spuitlans niet heeft gelokaliseerd. [appellanten ] hebben daar geen verklaring voor gegeven. Aldus hebben zij hun verweer tegen de stelling van Waterbedrijf, dat [appellanten ] onzorgvuldig gehandeld heeft, onvoldoende weersproken.

16. De slotsom is dat [appellanten ], ondanks het onderzoek met de spuitlans, is tekortgeschoten in haar zorgverplichting. Grief 1 faalt dan ook.

17. [appellanten ] hebben nog aangevoerd dat (ook) Waterbedrijf een verwijt gemaakt kan worden van de ontstane schade. Deze stelling van [appellanten ] is grotendeels gebaseerd op het hiervoor reeds verworpen betoog van [appellanten ] dat sprake is van een gebrekkige leiding. Waterbedrijf kan dan ook niet worden aangemerkt als de beheerder van een gebrekkige leiding, op wie in verband met die gebrekkigheid een vergaande zorgplicht rust.

18. Het hof volgt [appellanten ] niet in hun stelling dat Waterbedrijf tekort is geschoten in haar informatieverplichting. Waterbedrijf heeft, onbetwist, gesteld dat zij niet beschikte over informatie over de diepte van de leiding. Onder die omstandigheden kon Waterbedrijf volstaan met de mededeling dat zij niet bekend was met de diepte van de leiding en lag het vervolgens op de weg van [naam 1 ] v.o.f. om door middel van een ter plaatse te verrichten gedegen onderzoek de leiding te lokaliseren, teneinde beschadiging van de leiding te voorkomen.

19. [appellanten ] hebben ook nog betoogd dat Waterbedrijf - impliciet - toestemming heeft gegeven om de werkzaamheden te beginnen ook al was de leiding nog niet gelokaliseerd. Hetgeen [appellanten ] daartoe hebben aangevoerd - dat Waterbedrijf op de hoogte was van de werkzaamheden die [naam 1 ] v.o.f. wilde gaan verrichten en van het feit dat [naam 1 ] v.o.f. de leiding niet kon lokaliseren en dat zij desalniettemin niets heeft ondernomen - kan de conclusie niet dragen dat Waterbedrijf toestemming verleend heeft de werkzaamheden te verrichten.

20. In hun stelling dat Waterbedrijf door verder geen activiteiten te ondernemen verwijtbaar nalatig heeft gehandeld, kan het hof [appellanten ] evenmin volgen. [appellanten ] hebben deze stelling onvoldoende onderbouwd. Zij hebben niet aangegeven wat Waterbedrijf wel had moeten ondernemen. [appellanten ] hebben ter zake niet meer gesteld dan dat Waterbedrijf gevraagd is om "ter plekke bijstand te verlenen". Waaruit die bijstand had moeten bestaan en of en in hoeverre het verlenen van bijstand geleid zou hebben tot het traceren van de leiding, hebben zij echter niet gesteld.

21. Grief 4, waarin wordt ingegaan op het oordeel van de rechtbank betreffende de rol van Waterbedrijf faalt.

22. Grief 3 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3 van het vonnis, waarin de rechtbank overweegt dat de schade "in redelijkheid aan [naam 1 ] v.o.f. kan worden toegerekend". Het is niet helemaal duidelijk of de rechtbank, gelet op de context van de overweging, het oog heeft gehad op de toerekening van artikel 6:162 lid 3 BW of de toerekening van artikel 6:98 BW. In de toelichting op de grief maken [appellanten ] geen keuze.

23. Wat daar ook van zij, uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over het bestaan van causaal verband volgt dat de schade vanwege de beschadiging van de leiding in de zin van artikel 6:98 BW aan [naam 1 ] v.o.f. kan worden toegerekend. Nu sprake is van onzorgvuldig handelen van (medewerkers van) [naam 1 ] v.o.f. waardoor schade is toegebracht aan de leiding van waterbedrijf, aldus onrechtmatig gehandeld is jegens Waterbedrijf en [appellanten ] geen feiten of omstandigheden hebben aangevoerd waaruit volgt dat dit handelen [naam 1 ] v.o.f. niet kan worden toegerekend, kan de onrechtmatige daad ook aan [naam 1 ] v.o.f. worden toegerekend in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW. Ook grief 3 faalt derhalve.

24. Met grief 5 (aangeduid als grief 4) keren [appellanten ] zich tegen het oordeel van de rechtbank over de omvang van de schade. [appellanten ] menen allereerst dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gegeven dat de beschadigde leiding, die volgens hen oud en gebrekkig was, toch binnen afzienbare tijd afgesloten diende te worden. Door de kosten van afsluiting van de leiding ten laste van [naam 1 ] v.o.f. te brengen, wordt Waterbedrijf volgens [appellanten ] bevoordeeld.

25. Waterbedrijf heeft aangevoerd dat de herstelkosten van de leiding naar verwachting fors waren, fl. 100.000,00. Om die reden heeft zij gekozen voor een goedkoper alternatief, het aanleggen van een “bypass”. Zij maakt aanspraak op de kosten voor het aanleggen van de bypass. Volgens Waterbedrijf had de beschadigde leiding, voorafgaand aan de beschadiging door [naam 1 ] v.o.f., geen gebrek en kon de leiding nog jaren mee.

26. Het hof stelt voorop dat, volgens vaste rechtspraak, de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd een nadeel lijdt , gelijk aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de, naar objectieve maatstaven berekende, kosten die met het herstel zullen zijn gemoeid (vgl. HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444, 12 april 1985, NJ 1985, 625). Wanneer de onrechtmatig beschadigde zaak een gebouw is, dan heeft de eigenaar daarvan in beginsel aanspraak op herstel, welk herstel ook verantwoord kan zijn indien de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de waardevermindering overtreffen. Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de functie van de zaak voor de eigenaar, de mogelijkheid elders een gelijkwaardige zaak te verwerven alsmede de mate waarin de kosten van herstel het bedrag van de waardevermindering overtreffen (vgl. HR 7 mei 2004, NJ 2005, 76).

27. Naar het oordeel van het hof is er geen reden om de door de Hoge Raad in het laatstgenoemde arrest geformuleerde regel niet toepasbaar te achten op andere onroerende zaken dan gebouwen, zoals ondergrondse leidingen. Waterleiding heeft dan ook in beginsel aanspraak op de kosten van herstel van de beschadigde leiding. Tussen partijen staat niet ter discussie dat die kosten ongeveer

fl. 100.000,00 (zouden hebben) bedragen. Waterleiding maakt echter geen aanspraak op de kosten van herstel, maar op de daadwerkelijk door haar gemaakte kosten voor het aanleggen van een bypass. De omvang van die kosten,

fl. 37.688,00 (€ 17.102,07) vormt in appel geen geschilpunt meer.

28. Waterleiding heeft, terecht, de mogelijkheden van een gelijkwaardig alternatief voor herstel benut. De daarmee gemoeide kosten, die veel lager zijn dan de geobjectiveerde herstelkosten, komen naar het oordeel van het hof voor vergoeding in aanmerking. Het hof verwerpt het betoog van [naam 1 ] v.o.f. dat de beschadigde waterleiding oud en gebrekkig was, nauwelijks waarde had en toch vervangen had moeten worden, nu [appellanten ] deze stelling, in het licht van de gemotiveerde stellingen van Waterbedrijf, onvoldoende hebben onderbouwd.

29. Voor zover de grief zich richt tegen de toewijzing door de rechtbank van de kosten van het aanleggen van de bypass faalt ze.

30. [appellanten ] komen met de grief ook op tegen de toewijzing door de rechtbank van de buitengerechtelijke kosten ad € 780,00. Volgens [appellanten ] bedragen deze kosten meer dan de declaratie van de advocaat van Waterbedrijf terwijl de door de advocaat van Waterbedrijf verrichte werkzaamheden zijn te beschouwen als kosten ter instructie van de zaak.

31. Waterbedrijf beroept zich op het rapport Voor-werk II. Zij stelt dat niet alleen haar advocaat kosten heeft gemaakt, maar dat ook haar medewerkers inspanningen hebben verricht om te komen tot inning van de vordering op [appellanten ] De daarmee gemoeide kosten komen ook voor vergoeding in aanmerking, stelt zij.

32. Naar het oordeel van het hof heeft Waterbedrijf haar stelling dat ook haar medewerkers kosten hebben gemaakt, niet voldoende onderbouwd. Zo ontbreken een urenspecificatie en een opgave van het toepasselijke uurtarief betreffende deze kosten. De raadsman van Waterbedrijf heeft, blijkens de overgelegde nota van 10 december 2002, een bedrag van € 469,32 exclusief btw aan waterbedrijf in rekening gebracht. Anders dan [appellanten ] betogen, volgt uit de bij de nota gevoegde specificatie niet dat de in rekening gebrachte werkzaamheden onder het bereik van een proceskostenveroordeling vallen. De werkzaamheden betreffen het adviseren van Waterbedrijf over het geschil met [appellanten ], ruim voorafgaand aan het aanhangig maken van de procedure tegen [appellanten ] De met de werkzaamheden van de raadsman van Waterbedrijf gemoeide kosten zijn te beschouwen als kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Dat het inschakelen van een raadsman redelijk was en dat de in rekening gebrachte kosten redelijk zijn, hebben [appellanten ] niet bestreden.

33. De slotsom is dat de vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is tot een bedrag van € 469,32. Nu de rechtbank een bedrag van

€ 780,00 heeft toegewezen, slaagt de grief gedeeltelijk.

34. Het hof zal het vonnis vernietigen voor wat betreft de omvang van de buitengerechtelijke kosten en voor het overige bekrachtigen.

35. In het principaal appel zijn [appellanten ] grotendeels in het ongelijk gesteld. Om die reden worden zij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris procureur 1,5 punt, tarief II).

36. Het incidenteel appel, dat zich niet richt tegen het dictum van het beroepen vonnis, was niet noodzakelijk, zodat voor een proceskostenveroordeling in incidenteel appel geen plaats is.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch alleen voor zover in punt 1 van het dictum de vordering tot een bedrag van € 17.882,07 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 17.102,07 vanaf 15 april 1999 tot de dag der voldoening, alsmede met de wettelijke rente over € 780,00 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening is toegewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant 1 ] en Stevin hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, om Waterbedrijf te betalen een bedrag van € 17.571,39, vermeerderd met de wettelijke rente over € 17.102,07 vanaf 15 april 1999 tot de dag van de voldoening en met de wettelijke rente over € 469,32 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algemene voldoening;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant 1 ] en Stevin hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, in de proceskosten in het principaal appel en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Waterbedrijf gevallen, op € 535,00 aan verschotten en op € 1.341,00 voor salaris procureur;

verklaart de veroordeling van [appellant 1 ] en Stevin tot betaling van hoofdsom en wettelijke rente en de proceskostenveroordeling ten laste van Waterbedrijf uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Rowel-Van der Linde en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 augustus 2008 in bijzijn van de griffier.