Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BE9096

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
107.002.476/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het verbod, als geformuleerd in het onherroepelijk geworden kort geding vonnis van 13 december 2006 is dusdanig scherp geformuleerd ("...op welke wijze dan ook ...") dat er geen ruimte is voor de door [appellanten] bepleite uitzonderingen. Elke uitlating jegens [geïntimeerde], [betrokkene] of derden in woord of geschrift die als krenkend, diffamerend of anderszins negatief is te duiden jegens [geïntimeerde] is verboden, alsook iedere vorm van (in)direct contact zoeken, zij dat op dat laatste de uitzondering wordt gemaakt voor wat betreft noodzakelijke zakelijke mededelingen. Voor de inhoud van dergelijke noodzakelijk te oordelen mededelingen geldt dan natuurlijk wel weer het eerdere verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 augustus 2008

Zaaknummer 107.002.476/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats en -gemeente appellant 1],

toevoeging,

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaatsaats en -gemeente appellante 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr. W.A. Veenstra,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats en -gemeente geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. H. de Jong.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 23 januari 2008 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 februari 2008 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 5 maart 2008.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"bij arrest:

1. het vonnis in kort geding van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden, Sector Civiel Recht, tussen partijen gewezen op 23 januari 2008 onder zaaknummer 86399 KG ZA 07-402, te vernietigen en opnieuw recht te doen door de vorderingen van appellanten alsnog toe te wijzen en, opnieuw rechtdoende, zodanig met verbetering c.q. aanvulling der gronden, de vorderingen van appellanten als eisers in eerste aanleg toe te wijzen, alsmede;

2. geïntimeerde, gedaagde in eerste aanleg, te veroordelen in de kosten van beide instanties, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad".

[appellanten] hebben, onder overlegging van producties, een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"dat het uw Gerechtshof moge behagen, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat. Het appel af te wijzen en;

I. het vonnis van de voorzieningenrechter te bekrachtigen zonodig onder verbetering van gronden;

II. met veroordeling van appellanten in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de nakosten die in deze zaak zullen vallen".

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het beroepen vonnis (aangehecht aan dit arrest) is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

2. Voorts staat in hoger beroep - als gesteld en niet (voldoende) weersproken - voorshands ook het volgende vast:

- De roerende zaken waarop het executoriale beslag rustte, waarvan in dit kort geding de opheffing wordt gevorderd, zijn op 4 maart 2008 openbaar verkocht.

- Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 13 december 2006, waarbij aan [appellanten] onder dreiging van verbeurte van dwangsommen het onder 2.2. van de vaststaande feiten weergegeven verbod is opgelegd, is geen hoger beroep ingesteld.

3. Omdat de roerende zaken waarop het beslag rustte inmiddels zijn verkocht, moet worden vastgesteld dat het belang, laat staan het spoedeisend belang, aan de door [appellanten] gevorderde voorzieningen is komen te ontvallen, zodat [appellanten] in zoverre niet ontvankelijk zijn in hun appel.

4. Nu [appellanten] in eerste aanleg in de kosten zijn veroordeeld en in hoger beroep (ook) vernietiging van dat onderdeel van de beslissing van de voorzieningenrechter vorderen, hebben zij in zoverre voldoende belang bij dit hoger beroep.

5. Het hof leest in hetgeen [appellanten] in de grieven en de daarop gegeven toelichting hebben aangevoerd, geen wezenlijk andere stellingen en verweren dan welke reeds in eerste waren aangevoerd.

6. De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis duidelijk en gemotiveerd aangegeven op grond waarvan hij de stellingen en verweren van [appellanten] heeft verworpen en de gevorderde voorzieningen heeft geweigerd. Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt die hierbij over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

7. Het verbod, als geformuleerd in het onherroepelijk geworden kort geding vonnis van 13 december 2006 is dusdanig scherp geformuleerd ("...op welke wijze dan ook ...") dat er geen ruimte is voor de door [appellanten] bepleite uitzonderingen. Elke uitlating jegens [geïntimeerde], [betrokkene] of derden in woord of geschrift die als krenkend, diffamerend of anderszins negatief is te duiden jegens [geïntimeerde] is verboden, alsook iedere vorm van (in)direct contact zoeken, zij dat op dat laatste de uitzondering wordt gemaakt voor wat betreft noodzakelijke zakelijke mededelingen. Voor de inhoud van dergelijke noodzakelijk te oordelen mededelingen geldt dan natuurlijk wel weer het eerdere verbod.

8. Het faxbericht van 19 juni 2007 van [appellante 2] aan [geïntimeerde] bevat onmiskenbaar negatieve kwalificaties ("overlast en terreur") ten aanzien van [geïntimeerde]. Dat [geïntimeerde] dat faxbericht mogelijk heeft uitgelokt door zijnerzijds het ook aan hem bij bedoeld vonnis van 13 december 2006 opgelegde verbod tot het (in)direct contact zoeken met [appellanten] te schenden, doet daaraan niet af.

9. Ook het faxbericht van [appellant 1] d.d. 12 juli 2007 aan mr. De Jong bevat overduidelijke negatieve kwalificaties die - ook al wordt die naam niet met zoveel woorden genoemd - onmiskenbaar betrekking hebben op [geïntimeerde], nu - als gesteld en niet betwist - vaststaat dat De Jong als advocaat voor [geïntimeerde] is opgetreden in zijn geschil(len) met [appellante 2]. De stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde] meermalen het hem opgelegde verbod heeft overtreden kan, wat daar verder ook van zij, de hiervoor bedoelde negatieve kwalificaties niet dusdanig rechtvaardigen dat zij niet meer als overtreding van het opgelegde verbod hebben te gelden.

10. Tenslotte heeft met betrekking tot het e-mail bericht van 3 augustus 2007 van [appellant 1] aan [betrokkene] te gelden dat, zelfs als dat bericht zou moeten worden gekwalificeerd als een "noodzakelijke zakelijke mededeling" als hiervoor bedoeld, deze mededeling in ieder geval in strijd is met het eerdere verbod, omdat de woorden "geweld en de stalking" niet anders dan als negatief ten opzichte van [geïntimeerde] en [betrokkene] kunnen worden gekwalificeerd.

11. De voorzieningenrechter heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat reeds deze drie overtredingen van het opgelegde verbod voldoende waren om de gevorderde voorzieningen te weigeren en als consequentie daarvan terecht beslist dat [appellanten] - als de in het ongelijk gestelde partij - in de kosten van de procedure in eerste aanleg dienden te worden veroordeeld.

Slotsom

12. [appellanten] zijn niet ontvankelijk in hun hoger beroep gericht tegen de afwijzing van de gevorderde voorzieningen. Het beroepen vonnis wordt bekrachtigd voorzover [appellanten] daarbij in de kosten zijn veroordeeld. [appellanten] zullen eveneens worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief II).

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellanten] niet ontvankelijk in hun beroep tegen het vonnis van 23 januari 2008, voorzover daarbij de vorderingen zijn afgewezen;

bekrachtigt het beroepen vonnis voor wat betreft de daarbij uitgesproken kostenveroordeling ten laste van [appellant 1] en [appellante 2];

veroordeelt [appellanten] in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 303,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Verschuur en Kuiper, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 augustus 2008 in bijzijn van de griffier.