Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BE8895

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
21-08-2008
Zaaknummer
108.003.973
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd ter zake van het zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats. De parkeerplaats ligt op het terrein van een ziekenhuis. Bij de toegang daarvan staan slagbomen en voor gebruik van het terrein is een vergoeding aan het ziekenhuis verschuldigd. Particulier terrein zodat verkeersregels en bord E6 op dit terrein niet gelden, zoals de gemachtigde aanvoert, of openbare weg?

Sanctie terecht opgelegd. Criterium voor openbare weg. Rechthebbende heeft zich niet op kenbare wijze (bijv. bord "verboden toegang" of "eigen weg") recht voorbehouden om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen en ook niet een feitelijke mogelijkheid daartoe geschapen. De slagbomen zijn uitsluitend geplaatst met het oog op de heffing van het parkeergeld en hebben niet de functie om bepaalde weggebruikers de toegang te ontzeggen. Het parkeerterrein behoort tot de openbare weg.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2009, 11
JWR 2008/77 met annotatie van JvdH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 108.003.973

23 juni 2008

CJIB 39098084226

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

van 6 november 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan met een motorvoertuig op meer dan 2 wielen met geldige gehandicaptenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 september 2006 om 14:20 uur op de Simon Smitweg te Leiderdorp met het voertuig met kenteken [AB-00-AB].

3.2. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat de gedraging niet is verricht, nu de betreffende invalidenparkeerplaats zich bevindt op het parkeerterrein behorend bij het Rijnlandziekenhuis, dat is gevestigd op de Simon Smitweg 1 te Leiderdorp. Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld behoort het parkeerterrein niet tot de Simon Smitweg, hetgeen blijkt uit het door de gemachtigde overgelegde naamgevingsbesluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp d.d. 16 november 1971, nr. II/3492. Daaruit volgt dat het parkeerterrein als particulier terrein van het Rijnlandziekenhuis moet worden aangemerkt en dat het parkeerterrein niet kan worden aangemerkt als openbare weg. Blijkens zijn beroepschriften van 10 oktober 2006 en 31 januari 2007 verbindt de betrokkene hieraan de conclusie dat de Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet van toepassing zijn en dat het bord E6 niet rechtsgeldig is geplaatst. Het stond de betrokkene derhalve vrij om op de gehandicaptenparkeerplaats te parkeren zonder gebruik te maken van een gehandicaptenparkeerkaart.

3.3. Voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige gedraging is verricht is niet beslissend of de plaats waar de gedraging heeft plaatsgevonden in de inleidende beschikking juist is vermeld. Niet in geding is immers dat de gedraging heeft plaatsgevonden op een gehandicaptenparkeerplaats op het parkeerterrein van het Rijnlandziekenhuis te Leiderdorp, zodat de betrokkene weet waartegen hij zich te verdedigen heeft. Derhalve is niet van belang of dat parkeerterrein al dan niet deel uitmaakt van de Simon Smitweg.

3.4. De gedraging betreft een overtreding van artikel 26, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) .

3.5. In geding is de vraag of de plaats waar het betreffende voertuig zich bevond als een voor het openbare verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dient te worden aangemerkt, en derhalve of de bepalingen bij en krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn. De uitleg van het begrip weg is, zoals in het onderhavige geval, met name van belang voor de reikwijdte van de regelstellingsbevoegdheid van de lagere wetgevers.

3.6. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 moet onder het begrip wegen worden verstaan:

“alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”.

3.7. Niet in geding is dat het Rijnlandziekenhuis rechthebbende is op het parkeerterrein waarop de gehandicaptenparkeerplaatsen zijn gelegen. Beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad van

8 april 1997, LJN ZD0686, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

3.8. Het hof acht de volgende omstandigheden van belang. De betrokkene heeft gesteld dat het parkeerterrein door slagbomen is afgesloten en dat voor het gebruik van het terrein een vergoeding aan het ziekenhuis is verschuldigd. Het parkeerterrein wordt gebruikt door bezoekers van het ziekenhuis. Gesteld noch gebleken is dat de rechthebbende zich op kenbare wijze, bijvoorbeeld door de borden "verboden toegang" en "eigen weg", het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, LJN AA9494, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Het hof leidt uit hetgeen door en namens de betrokkene is aangevoerd af, dat de slagbomen uitsluitend zijn geplaatst met het oog op de heffing van het parkeergeld en dat zij geenszins de functie hebben om bepaalde weggebruikers de toegang te ontzeggen. Die omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het parkeerterrein dient te worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg.

3.9. Het voorgaande brengt mee dat de bepalingen bij en krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn op het parkeerterrein, dat het bord E6 rechtmatig is geplaatst, en dat de betrokkene zich diende te houden aan het voorschrift van artikel 26, aanhef en onder b, van het RVV 1990. Nu de betrokkene heeft erkend dat hij zijn voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats had geparkeerd en in dat voertuig geen geldige gehandicaptenparkeerkaart was aangebracht, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, als voorzitter, Poelman en

Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.