Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD9892

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
107.002.063/01 (voorheen rolnummer 0700582)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kantonrechter heeft in het vonnis van 14 maart 2007 overwogen dat het ontvreemden van vijf dozen fritespoeder een dringende reden voor ontslag oplevert. In de toelichting op grief 3 kan worden gelezen dat [appellant] opkomt tegen dit oordeel, het althans ter discussie stelt. Naar het oordeel van het hof ten onrechte. Diefstal of verduistering door een werknemer van eigendommen van een werkgever levert in beginsel een dringende reden op. De werknemer die eigendommen van zijn werkgever steelt of verduistert, maakt ernstig inbreuk op het voor het voortbestaan van een arbeidsovereenkomst noodzakelijke basisvertrouwen tussen partijen. Bij een dergelijke schending van het vertrouwen door de werknemer kan van de werkgever in beginsel niet gevergd worden dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. In beginsel, omdat bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld betreffende de aard en de duur van het dienstverband, de ernst van het gemaakte verwijt en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, een ander oordeel kunnen rechtvaardigen. Dat zich dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen, is echter gesteld noch gebleken. De ontvreemding van vijf dozen met fritespoeder levert dan ook een dringende reden op voor het ontslag op staande voet.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Burgerlijk Wetboek Boek 7 680
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/548
AR-Updates.nl 2008-0516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 augustus 2008

Zaaknummer 107.002.063/01 (voorheen rolnummer 0700582)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant]

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

Rixona BV,

gevestigd te Warffum,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Rixona,

procureur: mr. J.B. Dijkema.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 14 maart en 6 juni 2007 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 september 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis van 6 juni 2007 met dagvaarding van Rixona tegen de zitting van 19 september 2007.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, die tevens de grieven bevat, luidt:

"het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen d.d. 6 juni 2007 tussen partijen gewezen te vernietigen, en al dan niet met verbetering en/of aanvulling van de gronden, opnieuw recht doende bij arrest de gevraagde voorzieningen in conventie alsnog toe te wijzen en de vordering in reconventie af te wijzen, met veroordeling van Rixona in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Rixona verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad appellant niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering in hoger beroep, althans de vordering in hoger beroep af te wijzen onder bekrachtiging, zo nodig onder verbetering van gronden het vonnis van de Rechtbank te Groningen sector kanton, locatie Groningen van 6 juni 2007 met veroordeling van appellant uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van deze procedure in hoger beroep."

Voorts heeft [appellant] een akte genomen en heeft Rixona een antwoordakte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter in rechtsoverweging 1 (1.a. tot en met 1.d.) van het vonnis van 14 maart 2007 zijn geen grieven gericht, zodat ook in hoger beroep van die feiten kan worden uitgegaan. Het hof zal deze feiten bij de beoordeling van de grieven uitvoerig bespreken en zich nu beperken tot een beknopte weergave, waarin ook enkele niet door de kantonrechter weergegeven, maar wel vaststaande, feiten zijn verwerkt.

1.1. [appellant], geboren [in] 1966, is op 1 mei 1984 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Rixona. Hij was laatstelijk werkzaam als monteur werktuigbouw. [appellant] was lid van de bedrijfsbrandweer van Rixona.

1.2. Op 25 november 2005 heeft Rixona [appellant] meegedeeld dat hij werd verdacht van de ontvreemding van dozen fritespoeder. [appellant] heeft de ontvreemding ontkend en is die dag op non actief gesteld.

1.3. In een gesprek op 1 december 2005, waarin [appellant] opnieuw ontkende dozen fritespoeder te hebben ontvreemd, is [appellant] op staande voet ontslagen. Het ontslag op staande voet is in een brief van 2 december 2005 bevestigd.

1.4. [appellant] heeft in een brief van 5 december 2005 een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het hem gegeven ontslag en heeft zich in die brief bereid en in staat verklaard de overeengekomen arbeid te verrichten.

1.5. De kantonrechter te Groningen heeft bij beschikking van 2 februari 2006 op verzoek van Rixona de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 15 februari 2006, voor het geval de arbeidsovereenkomst nog niet rechtsgeldig beëindigd was. Aan [appellant] is een ontbindingsvergoeding van € 47.508,60 bruto toegekend. In de ontbindingsbeschikking is de kantonrechter er, veronderstellenderwijs, vanuit gegaan dat het [appellant] gemaakte verwijt niet terecht is.

1.6. Bij vonnis van 2 februari 2006 heeft de kantonrechter te Groningen de door [appellant] gevorderde voorzieningen - kort gezegd: loondoorbetaling en werkhervatting - geweigerd.

1.7. Rixona heeft aangifte van verduistering gedaan. In een brief van 26 april 2006 heeft de officier van justitie te Groningen [appellant] laten weten dat de strafzaak tegen hem geseponeerd is omdat er onvoldoende wettig bewijs is.

Procedure in eerste aanleg

2. [appellant] vordert een verklaring voor recht dat geen sprake was van een dringende reden voor zijn ontslag, alsmede veroordeling tot betaling van salaris en vakantiegeld over de periode 1 december 2005 tot 15 februari 2006, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. In reconventie vordert Rixona de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:680 BW.

3. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 14 maart 2007 overwogen dat een ontvreemding van vijf dozen fritespoeder een dringende reden voor ontslag oplevert. Verder heeft zij overwogen dat [appellant] de verdenking op zich heeft geladen dat hij iets met de diefstal van de dozen fritespoeder van doen heeft, maar dat nog niet bewezen is dat hij ook daadwerkelijk de vijf dozen met fritespoeder heeft ontvreemd. De kantonrechter heeft Rixona vervolgens belast met het (door getuigen te leveren) bewijs van "feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid, dat [appellant] de vijf dozen fritespoeder heeft ontvreemd, waaronder in elk geval het feit dat [appellant] op 22 november 2005 vijf dozen fritespoeder in de brandweergarage heeft geplaatst en het feit dat [appellant] op 24 november 2005 om omstreeks 16.00 uur vijf dozen fritespoeder uit de brandweergarage heeft meegenomen".

4. Nadat drie getuigen gehoord waren, heeft de kantonrechter in haar vonnis van 6 juni 2007 Rixona geslaagd geacht in het te leveren bewijs. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat daaruit voortvloeit dat [appellant] Rixona een dringende reden heeft gegeven voor een ontslag op staande voet, dat dit ontslag terecht is gegeven en dat dit ertoe leidt dat de vorderingen in conventie afgewezen moeten worden en de vordering in reconventie toewijsbaar is.

Bespreking van de grieven

5. Met grief 1 komt [appellant] op tegen de waardering van het bewijs door de kantonrechter. De grieven 2 tot en met 4 richten zich tegen de, op deze bewijswaardering voortbouwende, oordelen van de kantonrechter over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet en de toewijsbaarheid van de vorderingen in conventie (grieven 2 en 4) en in reconventie (grief 3).

6. Als grief 1 gegrond is, betekent dat nog niet dat de vorderingen in conventie toewijsbaar zijn en dat de reconventionele vordering niet kan worden toegewezen. De (positieve zijde van de) devolutieve werking van het appel brengt met zich dat het hof in dat geval de toewijsbaarheid van de vorderingen in conventie en in reconventie opnieuw dient te beoordelen en daarbij alle (niet prijsgegeven) stellingen van Rixona uit de eerste aanleg dient te betrekken. Het hof dient dan alsnog te beoordelen of het aan [appellant] verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is. In dat kader is het hof niet gebonden aan de door de kantonrechter in het vonnis van 14 maart 2007 verstrekte bewijsopdracht (vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 428).

7. Het hof ziet reden om, veronderstellenderwijs uitgaande van de gegrondheid van grief 1, zelfstandig te beoordelen of het aan [appellant] verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het hof gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden, die deels reeds door de kantonrechter in het vonnis van 14 maart 2007 zijn vastgesteld.

7.1. Op 22 november 2005 is [appellant] tijdens de middagpauze met een heftruck bij de brandweergarage op het terrein van Rixona geweest.

7.2. Een medewerker van Rixona, [de medewerker], die zijn werkplek boven de garage heeft, heeft schriftelijk en als getuige ter zitting verklaard dat hij heeft gezien dat [appellant] met de heftruck naar de brandweergarage reed - [de medewerker] stond toen voor de garage -en dat hij zag dat in (de cabine van) de heftruck een kartonnen plaat met een hoek eruit aanwezig was. [de medewerker] heeft ook verklaard dat hij vervolgens - hij bevond zich toen op zijn werkplek - hoorde dat de garagedeur werd geopend en dat hij een aantal ploffen op de grond van de vloer van de garage hoorde. Toen [de medewerker] in de garage ging kijken, constateerde hij dat achter een kartonnen plaat, die er precies zo uitzag als de plaat die hij in de heftruck had gezien, vijf dozen fritespoeder stonden opgesteld.

7.3. Ook twee andere medewerkers van Rixona, [medewerker 1 en medewerker 2], hebben schriftelijk verklaard dat zij gezien hebben dat [appellant] op 22 november 2005 rond het middaguur met een heftruck bij de brandweergarage was.

7.4. [de medewerker] heeft voorts, schriftelijk en als getuige ter zitting, verklaard dat hij kort daarna melding heeft gemaakt van de vondst van de dozen bij zijn manager, de heer [de manager].

7.5. Een aantal managers van Rixona heeft vanaf dat moment op geregelde tijdstippen gecontroleerd of de dozen nog in de brandweergarage stonden. Een van die managers, [manager 1], heeft (schriftelijk en als getuige ter zitting) verklaard dat hij op 24 november 2005 omstreeks 15.00 uur heeft geconstateerd dat de vijf dozen met fritespoeder nog in de brandweergarage stonden.

7.6. [appellant] heeft op 24 november 2005 om 15.54 "uitgeklokt". Hij is vervolgens met zijn auto in de brandweergarage geweest. Toen hij de garage uitreed, reed hij langs de heer [getuige] van Rixona.

7.7. [getuige] heeft als getuige verklaard dat hij op 24 november 2005 omstreeks 15.45 à 15.50 uur is gebeld door [de medewerker] met het verzoek bij hem een gebakje te komen eten in verband met de verjaardag van [de medewerker]. [getuige] is, volgens zijn verklaring, meteen naar de werkplaats van [de medewerker] gelopen en zag toen dat [appellant] in zijn auto de brandweergarage uitreed. Volgens de verklaringen van [getuige] en [de medewerker] is [getuige] omstreeks 16.00 uur bij [de medewerker] weggegaan.

7.8. [de medewerker] is, blijkens zijn verklaring, vervolgens naar de brandweergarage gegaan. Hij heeft toen geconstateerd dat de dozen met fritespoeder verdwenen waren. Hij heeft dat gemeld aan [manager 1]. [manager 1] heeft in zijn verklaring deze verklaring van [de medewerker] bevestigd. Hij heeft tevens aangegeven dat hij met [de medewerker] rond 16.15 uur heeft geconstateerd dat de dozen weg waren.

8. Naar het oordeel van het hof staat vast dat [appellant] op 22 november 2005 met de heftruck in de brandweergarage is geweest. Volgens [appellant] is hij toen, zonder de heftruck, in de garage geweest om een controle uit te voeren. Hij stelt dat hij daarbij de garagedeuren niet geopend heeft, maar dat hij via een zijingang naar binnen is gegaan. Het hof kent echter doorslaggevende betekenis toe aan de (ook) op dit punt duidelijke en gedetailleerde getuigenverklaring van [de medewerker]. De verklaring van [de medewerker] is niet weerlegd door een getuigenverklaring van [appellant].

9. Hetgeen geldt voor de verklaring van [de medewerker] omtrent het met de heftruck binnenrijden van de garage geldt, mutatis mutandis, ook voor diens verklaring over de ploffen op de grond en het (vervolgens) aantreffen in de garage van de dozen met fritespoeder achter de kartonnen plaat, die hij herkende als de plaat in de heftruck van [appellant]. De verklaring van [de medewerker] wordt (ook) op dit punt niet weersproken door een getuigenverklaring van [appellant]. Rixona heeft de stelling van [appellant] dat de cabine van de heftruck geen plaats biedt aan vijf dozen met fritespoeder afdoende weerlegd met het in het geding brengen van foto's van de cabine van de heftruck met daarin vijf dozen met fritespoeder. Uit de foto's volgt dat het wel degelijk mogelijk is om in de cabine vijf dozen met fritespoeder te vervoeren en de dozen grotendeels aan het zicht te onttrekken door middel van een kartonnen plaat. Dat de dozen in dat geval nog wel (enigszins) zichtbaar blijven, wettigt niet de conclusie dat deze, nu ze niet zijn opgemerkt door [de medewerker] en de anderen die de heftruck gezien hebben, toen ook niet in de cabine van de heftruck aanwezig waren, nu gesteld noch gebleken is dat de collega's van [appellant] de heftruck grondig bekeken hebben toen ze [appellant] in de heftruck voorbij zagen komen.

10. De slotsom is dat het hof bewezen acht dat [appellant] op 22 november 2005 vijf dozen met fritespoeder op een beschermde plek in de brandweergarage heeft geplaatst. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de garage niet bedoeld was voor de opslag van fritespoeder. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] de opdracht had om de dozen daar op te slaan. De vraag rijst dan ook waarom [appellant] de dozen toch in de garage heeft opgeslagen. [appellant] heeft, ofschoon dat wel op zijn weg lag, die vraag niet beantwoord.

11. Naar het oordeel van het hof staat tevens vast dat de dozen fritespoeder op 25 november 2005 tussen 15.15 en 16.15 uur zijn weggehaald uit de brandweergarage en dat [appellant] gedurende die tijd met zijn auto in de garage aanwezig is geweest. [appellant] heeft dat laatste overigens ook niet betwist. Met het enkele feit dat [appellant] in de bewuste periode in de garage is geweest, staat echter nog niet vast dat hij de dozen ook heeft meegenomen. Geen van de getuigen heeft immers gezien dat [appellant] de dozen in zijn auto vervoerde. Gelet op het door het hof wel bewezen geachte gegeven dat [appellant] de dozen zelf op een beschermde plek in de garage heeft geplaatst, voor welke toch uiterst merkwaardige handelwijze hij geen verklaring heeft kunnen of willen geven, maar die hij, ten onrechte, heeft ontkend, en gezien het feit dat [appellant] gedurende de korte periode waarin de dozen uit de garage weggehaald zijn met zijn auto in de garage is geweest, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof de stelling van Rixona dat hij de vijf dozen heeft ontvreemd onvoldoende gemotiveerd weersproken.

12. Aan hetgeen hiervoor is overwogen, doet niet af dat [appellant] wel een verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn auto in de garage. De verklaring is, in het licht van het feit dat [appellant] de dozen in de garage geplaatst heeft en dat deze kort na het verblijf van [appellant] met zijn auto in de garage daaruit verdwenen zijn, weinig overtuigend. Het hof laat dan nog buiten beschouwing dat het, gelet op hetgeen Rixona heeft aangevoerd, niet voor de hand ligt dat [appellant] met een haperende motor juist naar de brandweergarage en niet naar de reguliere werkplaats van Rixona, waar alle nodige gereedschappen aanwezig zijn, is gegaan.

13. De conclusie is dat [appellant] de stelling van Rixona, dat [appellant] vijf dozen fritespoeder heeft ontvreemd, onvoldoende heeft weersproken, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan.

14. De kantonrechter heeft in het vonnis van 14 maart 2007 overwogen dat het ontvreemden van vijf dozen fritespoeder een dringende reden voor ontslag oplevert. In de toelichting op grief 3 kan worden gelezen dat [appellant] opkomt tegen dit oordeel, het althans ter discussie stelt. Naar het oordeel van het hof ten onrechte. Diefstal of verduistering door een werknemer van eigendommen van een werkgever levert in beginsel een dringende reden op. De werknemer die eigendommen van zijn werkgever steelt of verduistert, maakt ernstig inbreuk op het voor het voortbestaan van een arbeidsovereenkomst noodzakelijke basisvertrouwen tussen partijen. Bij een dergelijke schending van het vertrouwen door de werknemer kan van de werkgever in beginsel niet gevergd worden dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. In beginsel, omdat bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld betreffende de aard en de duur van het dienstverband, de ernst van het gemaakte verwijt en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, een ander oordeel kunnen rechtvaardigen. Dat zich dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen, is echter gesteld noch gebleken. De ontvreemding van vijf dozen met fritespoeder levert dan ook een dringende reden op voor het ontslag op staande voet.

15. Uit het voorgaande volgt dat het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De op de vernietigbaarheid van het ontslag gebaseerde vorderingen van [appellant] zijn dan ook niet toewijsbaar. Dat betekent dat de grieven 1, 2 en 4 falen.

16. Op grond van artikel 7:677 lid 3 BW is de partij die zijn wederpartij door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld te beëindigen schadeplichtig. Die situatie doet zich in dit geval voor. Op grond van artikel 7:677 lid 4 juncto artikel 7:680 BW heeft Rixona aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding, gelijk aan het loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging had behoren voort te duren. [appellant] heeft niet betwist dat die tijd een maand is. Hij heeft dat in nummer 56 van de memorie van grieven juist uitdrukkelijk erkend.

17. Op grond van artikel 7:680 lid 5 BW kan de gefixeerde schadevergoeding niet worden gematigd tot minder dan het loon over de opzeggingstermijn. Deze bedraagt voor [appellant] één maand (artikel 7:672 lid 3 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat Rixona een schadevergoeding gelijk aan het salaris voor één maand gevorderd heeft, zodat matiging alleen om die reden al niet mogelijk is. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn betoog dat hij de schadevergoeding niet verschuldigd is, kan dan ook verder onbesproken blijven.

18. Ook grief 3 faalt.

Conclusie

19. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. [appellant] is ook in appel in het ongelijk gesteld. Om die reden wordt hij belast met de proceskosten. Bij het bepalen van het salaris van de procureur gaat het hof uit van 1,5 punt in tarief I.

De beslissing

het gerechtshof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Rixona gevallen, op € 251,00 aan verschotten en op € 948,00 aan salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Rowel-van der Linde en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 augustus 2008 in bijzijn van de griffier.