Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD9803

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
Zaaknummer 107.001.775/01(voorheen rolnummer 0700294)
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM3891, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM3891
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] ten tijde van het bekrachtigen van de onderhavige rechtshandeling wist, althans redelijkerwijs kon weten, dat de financiering waarschijnlijk niet uiterlijk 1 april 2006 rond zou zijn, zodat de vennootschap haar verplichtingen uit de rechtshandeling niet zou kunnen nakomen. Overigens heeft [geïntimeerde] ook niet gesteld, dat hij er ten tijde van de bekrachtiging van de onderhavige rechtshandeling van uitging dat de financiering op 1 april 2006 rond zou zijn. [geïntimeerde] heeft er niet op mogen vertrouwen -zoals hij blijkens zijn stellingen kennelijk heeft gedaan - dat [appellanten ] uitstel zouden verlenen van de overeengekomen leveringstermijn van 1 april 2006 en dat zij geen aanspraak zouden maken op de in de koopovereenkomst genoemde boete. Overigens merkt het hof op dat [appellanten ] Parc De Bult B.V. een aantal keren in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, te weten door een overdracht van de onroerende zaak op 12 respectievelijk 19 april 2006, maar dat Parc De Bult B.V. ook toen niet aan haar verplichtingen heeft voldaan.

Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] door het bekrachtigen van de onderhavige rechtshandeling - waardoor een einde is gekomen aan zijn in art. 2:203 lid 2 BW bedoelde persoonlijke gebondenheid - onrechtmatig jegens [appellanten ] heeft gehandeld, zodat hij gehouden is de daardoor aan de zijde van [appellanten ] geleden schade te vergoeden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 203
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 109
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119a
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2008, 70
JRV 2008, 763
JIN 2008/567
JIN 2008/615
JOR 2008/263 met annotatie van C.J. Groffen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 augustus 2008

Zaaknummer 107.001.775/01(voorheen rolnummer 0700294)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante 2 ],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie, geopposeerden in het verzet, tevens gedaagden in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten ],

procureur: mr. P. Tuinman,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde sub 1 in conventie, opposant sub 1 in het verzet, tevens eiser sub 1 in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P. Stehouwer.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen in verzet uitgesproken op 23 augustus 2006 en 3 januari 2007 door de rechtbank Groningen. Partijen in dat geding waren enerzijds [appellanten ] en anderzijds [geïntimeerde] en Parc De Bult B.V.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 april 2007 is door [appellanten ] hoger beroep ingesteld van het vonnis van 3 januari 2007 met dagvaarding van (uitsluitend) [geïntimeerde] tegen de zitting van 16 mei 2007.

De conclusie van de appeldagvaarding - waarnaar bij memorie van grieven is verwezen - luidt:

dat het uw gerechtshof moge behagen het vonnis waarvan beroep, door de rechtbank Groningen op 3 januari 2007 in de zaak 88354 met rolnummer 06-637 voorzover tussen appellanten als eisers in conventie/geopposeerden in het verzet enerzijds en geïntimeerde als gedaagde sub 1 in conventie/opposant sub 1 in het verzet anderzijds gewezen, te vernietigen en - zo nodig onder verbetering van de gronden - opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad als naar de wet:

geïntimeerde - naast besloten vennootschap PARC DE BULT (medegedaagde in conventie in eerste aanleg) hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellanten te voldoen een bedrag van € 90.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente voor handelstransacties ex artikel 6:119a BW over voormeld bedrag van € 90.000,-- vanaf 15 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

dat het Uw Gerechtshof moge behagen het vonnis waarvan beroep, door de Rechtbank Groningen op 3 januari 2007 onder zaak- en rolnummer: 88354/06-637 tussen partijen gewezen - zonodig onder verbetering van de gronden - te bekrachtigen en de door [appellanten ] opgeworpen grieven en ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van [appellanten ] in de kosten van het geding.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten ] hebben twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van genoemd vonnis van 3 januari 2007 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Tevens is in hoger beroep - voor zover thans van belang - nog komen vast te staan:

1.1. Bij faxbericht van 14 maart 2006 heeft [betrokkene 1] van BLM Advies als tussenpersoon van Parc De Bult B.V. (i.o.), het volgende aan RE/MAX Makelaardij Zwolle (de makelaar van [appellanten ]) medegedeeld:

In referte aan ons zojuist gevoerde telefoongesprek inzake Parc de Bult, waarin besproken het verzoek van koper om de ontbindende voorwaarden met twee weken te verlengen. (…)

1.2. Bij onderhandse akte van 23 maart 2006 heeft [geïntimeerde], voor zich als oprichter van Parc De Bult B.V. en als algeheel bevoegd bestuurder van deze vennootschap alle (rechts)handelingen bekrachtigd, welke vóór de inschrijving bij het handelsregister van deze vennootschap op 16 maart 2006 ten behoeve en ten name van de vennootschap in oprichting door hem als oprichter van Parc De Bult B.V. zijn verricht.

1.3. Bij faxbericht van 24 maart 2006 heeft [betrokkene 1] het volgende aan [geïntimeerde] medegedeeld:

Door [naam 1] Financieel Advies Nederland bv te [plaats] is uw financieringsaanvraag ingediend bij ING zakelijk te Amsterdam.

ING zakelijk Amsterdam geeft groen licht voor doorzenden dossier naar regiokantoor in de buurt.

Het regiokantoor zal kontakt met u opnemen om tot afwikkeling te komen.

1.4. Bij faxbericht van 12 april 2006 heeft [betrokkene 2] van de ING Bank het volgende aan [betrokkene 1] medegedeeld:

Conform ons overleg van dinsdag 11 april 2006 fax ik u hierbij de bevestiging dat ING Bank N.V. door onjuiste interne allocatie van uw aanvraag van Parc de Bult BV enkele weken vertraging heeft opgelopen.

Indien wij een nieuw koopcontract ontvangen met daarin de besproken wijzigingen aangebracht en een ons conveniërende taxatie van Parc de Bult BV aan ons wordt overhandigd zullen wij de aanvraag opnieuw in behandeling nemen.

Met betrekking tot de grieven

2. De grieven richten zich tegen de vernietiging door de rechtbank van het verstekvonnis van 28 juni 2006 voor zover dat tussen partijen is gewezen, alsmede tegen de beslissing van de rechtbank om - opnieuw beslissend - het gevorderde af te wijzen voor zover de vordering van [appellanten ] tegen [geïntimeerde] is gericht, alsmede tegen de proceskostenveroordeling.

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3. [appellanten ] stellen zich - kort samengevat - op het standpunt dat [geïntimeerde] (onder meer) op grond van onrechtmatig handelen zoals bedoeld in artikel 2:203 lid 3, slot van de eerste volzin BW, gehouden is om - naast Parc De Bult B.V. - een bedrag van € 90.000,00 aan hen te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

4. Het hof stelt voorop dat de door [appellanten ], hiervoor sub 3 bedoelde aansprakelijkheid zich voordoet, voor zover hier van belang, ingeval het bekrachtigen door de bestuurder van een namens de op te richten vennootschap verrichte rechtshandeling - waardoor een einde komt aan de in art. 2:203 lid 2 BW bedoelde persoonlijke gebondenheid van degene die namens de op te richten vennootschap handelde - jegens de wederpartij bij die rechtshandeling een onrechtmatige daad oplevert. Of van dit laatste sprake is, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang kan zijn of de bestuurder ten tijde van de bekrachtiging wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen uit de rechtshandeling niet zou kunnen nakomen (zie onder meer: Hoge Raad 28 maart 1997, NJ 1997, 582).

5. Het hof stelt vast, dat de bekrachtiging van (onder meer) de onderhavige rechtshandeling door [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden op 23 maart 2006. Eveneens staat vast dat levering van de onroerende zaak diende plaats te vinden op 1 april 2006. [geïntimeerde] wist derhalve ten tijde van de bekrachtiging van de onderhavige rechtshandeling dat Parc De Bult B.V. - die, zoals [geïntimeerde] heeft erkend, zelf niet over de benodigde geldmiddelen beschikte maar aangewezen was op een financiering - nog slechts acht dagen tijd had om zorg te dragen voor de financiering van de onderhavige onroerende zaak. Parc De Bult B.V. kon ten tijde van de bekrachtiging van de onderhavige rechtshandeling geen beroep meer doen op de in de onderhavige koopovereenkomst in artikel 15.1 bedoelde ontbindende voorwaarde ter zake van het verkrijgen van financiering; de in artikel 15.2 van die overeenkomst genoemde termijn voor het inroepen van deze ontbindende voorwaarde was op dat moment al verstreken.

6. Uit het onder 1.3 bedoelde faxbericht van 24 maart 2006 van de tussenpersoon van Parc de Bult B.V. volgt, dat pas op of omstreeks die datum een financieringsaanvraag was ingediend. [appellanten ] hebben terecht opgemerkt dat het een feit van algemene bekendheid is dat met een beoordeling van een ingediende financieringsaanvraag - zeker voor een object zoals de onderhavige - enige tijd gemoeid pleegt te zijn. Daar komt bij dat uit het sub 1.6 bedoelde faxbericht van de ING Bank van 12 april 2006 blijkt, dat er nog een taxatie van de onderhavige onroerende zaak diende te worden verricht, waarbij het hof opmerkt, dat het een feit van algemene bekendheid is dat het zeer gebruikelijk is dat - zeker voor een object zoals het onderhavige - een financieringsinstelling een taxatierapport verlangt, zodat ook [geïntimeerde] hierop bedacht had moeten zijn. [geïntimeerde] heeft niet gesteld vooraf in de veronderstelling te hebben verkeerd dat voormelde feiten van algemene bekendheid zich te dezen niet zouden voordoen. [geïntimeerde] heeft in de eerste aanleg overigens zelf ook betoogd, dat het - achteraf bezien - onmogelijk was om de financiering in de vooraf bemeten tijd van twee en een halve maand (te weten van 14 februari 2006 tot 1 april 2006) te realiseren. De omstandigheid dat het verkrijgen van de benodigde financiering meer tijd nam dan [geïntimeerde], die overigens werd bijgestaan door een financieel adviseur, kennelijk aanvankelijk had ingeschat, moet [geïntimeerde] ten tijde van de bekrachtiging van de onderhavige rechtshandeling inmiddels duidelijk zijn geworden. [geïntimeerde] heeft immers om die reden (in de persoon van de door hem ingeschakelde tussenpersoon van Parc De Bult B.V) op 14 maart 2006 van de verkopers uitstel gevraagd (maar niet gekregen) van de termijn voor het inroepen van de ontbindende voorwaarde ter zake van de financiering.

7. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] ten tijde van het bekrachtigen van de onderhavige rechtshandeling wist, althans redelijkerwijs kon weten, dat de financiering waarschijnlijk niet uiterlijk 1 april 2006 rond zou zijn, zodat de vennootschap haar verplichtingen uit de rechtshandeling niet zou kunnen nakomen. Overigens heeft [geïntimeerde] ook niet gesteld, dat hij er ten tijde van de bekrachtiging van de onderhavige rechtshandeling van uitging dat de financiering op 1 april 2006 rond zou zijn. [geïntimeerde] heeft er niet op mogen vertrouwen -zoals hij blijkens zijn stellingen kennelijk heeft gedaan - dat [appellanten ] uitstel zouden verlenen van de overeengekomen leveringstermijn van 1 april 2006 en dat zij geen aanspraak zouden maken op de in de koopovereenkomst genoemde boete. Overigens merkt het hof op dat [appellanten ] Parc De Bult B.V. een aantal keren in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, te weten door een overdracht van de onroerende zaak op 12 respectievelijk 19 april 2006, maar dat Parc De Bult B.V. ook toen niet aan haar verplichtingen heeft voldaan.

8. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] door het bekrachtigen van de onderhavige rechtshandeling - waardoor een einde is gekomen aan zijn in art. 2:203 lid 2 BW bedoelde persoonlijke gebondenheid - onrechtmatig jegens [appellanten ] heeft gehandeld, zodat hij gehouden is de daardoor aan de zijde van [appellanten ] geleden schade te vergoeden.

9. Anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, kan aan het voorgaande niet afdoen dat blijkens het hiervoor sub 1.6 bedoelde faxbericht van de ING Bank van 12 april 2006 sprake was van een "onjuiste interne allocatie van uw aanvraag van Parc de Bult B.V.", alsmede van een omissie in de omschrijving van de onroerende zaak in de koopovereenkomst waardoor de behandeling van de financieringsaanvraag kennelijk enige vertraging heeft opgelopen. In de verhouding met [appellanten ] gaat het hier immers om een omstandigheid die voor rekening van Parc de Bult B.V. en [geïntimeerde] komt. Ook afgezien van de hiervoor vermelde omstandigheid wist [geïntimeerde] op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, althans kon hij redelijkerwijs weten dat de vennootschap haar verplichtingen uit de rechtshandeling waarschijnlijk niet zou kunnen nakomen.

10. [geïntimeerde] heeft subsidiair een beroep op matiging van de gevorderde boete gedaan. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] hierbij miskend, dat de vordering van [appellanten ] niet strekt tot betaling van een (voor matiging vatbare) boete, maar dat deze strekt tot het betalen van schadevergoeding. Niet is gesteld of gebleken dat aan de in art. 6:109 BW gestelde voorwaarden voor de matiging van een schadevergoeding is voldaan. Het verweer wordt dan ook gepasseerd.

11. [geïntimeerde] heeft voorts de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW betwist. [geïntimeerde] heeft hiertoe aangevoerd, dat deze bepaling niet van toepassing is bij persoonlijke aansprakelijkheid. Ook dit verweer wordt gepasseerd. [appellanten ] hebben immers ook in zoverre schade geleden doordat er als gevolg van de (onrechtmatige) bekrachtiging van de onderhavige rechtshandeling een einde is gekomen aan de in art. 2:203 lid 2 BW bedoelde persoonlijke gebondenheid van [geïntimeerde]. Deze persoonlijke gebondenheid van [geïntimeerde] betreft ook de door [appellanten ] gevorderde - en overigens ook in het bestreden vonnis jegens Parc De Bult B.V. toegewezen - handelsrente.

De slotsom

12. Het hof komt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep, voor zover tussen de huidige procespartijen in conventie gewezen, dient te worden vernietigd. Het verstekvonnis van 28 juni 2006 zal, voor zover tussen partijen gewezen, worden bekrachtigd. [geïntimeerde] dient als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie in de verzetprocedure (salaris procureur: tarief V, 1 punt), alsmede in hoger beroep (salaris procureur: tarief IV, 1 punt). Uiteraard is [geïntimeerde] slechts gehouden om de kosten van de verstekprocedure, alsmede de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie in de verzetprocedure aan [appellanten ] te voldoen indien en voor zover deze kosten niet op Parc de Bult B.V. - die in de verzetprocedure in eerste aanleg in conventie eveneens in deze kosten is veroordeeld - zijn of worden verhaald.

De beslissing

Het gerechtshof:

1. vernietigt het bestreden vonnis in verzet van 3 januari 2007 voor zover tussen partijen in conventie gewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bekrachtigt het verstekvonnis van 28 juni 2006, voor zover tussen partijen gewezen,

2. veroordeelt, onder verwijzing naar rechtsoverweging 12, laatste volzin, [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie in de verzetprocedure, alsmede in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten ] vastgesteld:

in eerste aanleg in conventie in de verzetprocedure op € 2.394,87 aan verschotten en op € 1.421,00 voor salaris procureur;

in hoger beroep op € 2.784,31 aan verschotten en op € 1.631,00 voor salaris procureur,

3. verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Onnes-Wind en Peper, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 augustus 2008 in bijzijn van de griffier.