Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD9782

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
Zaaknummer 107.001.651/01 (voorheen rolnummer 0700170)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen staat vast dat de tussen hen gesloten overeenkomst voor bepaalde tijd (60 maanden) is aangegaan. Gesteld noch gebleken is voorts dat deze overeenkomst voorziet in de mogelijkheid van tussentijdse opzegging zijdens [appellante ].

Uitgangspunt is dat een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst, zo tussentijdse opzegbaarheid niet is bedongen, in beginsel niet eenzijdig tussentijds door opzegging kan worden beëindigd. De op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden voorzien overigens ook niet in tussentijdse opzegging. Weliswaar is niet geheel uitgesloten dat op dit beginsel een uitzondering wordt aangenomen, maar een dergelijke uitzondering kan haar grond slechts vinden in onvoorziene - dat wil zeggen niet in de overeenkomst verdisconteerde - omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. (HR 21 oktober 1988, NJ 1990/439). Naar het oordeel van het hof heeft [appellante ] zodanige omstandigheden niet gesteld terwijl deze evenmin zijn gebleken. De door [appellante ] gestelde dwaling ten aanzien van de eigenschappen van de DCU's is, wat daar van zij, op zichzelf onvoldoende om de aanvaarding van een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging te rechtvaardigen. Indien de gestelde wanprestatie van voldoende betekenis zou zijn en ook overigens aan de daartoe gestelde voorwaarden is voldaan, kan zij grond opleveren om de overeenkomst door een buitengerechtelijke verklaring of door de rechter te doen ontbinden; er is te dezen geen reden waarom daarnaast grond voor beëindiging van de overeenkomst door opzegging zou zijn (vergelijk wederom HR 21 oktober 1988, NJ 1990/439).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 augustus 2008

Zaaknummer 107.001.651/01 (voorheen rolnummer 0700170)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[naam 1 ] Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente ],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante ],

procureur: mr. J. V. van Ophem,

tegen

Minorplanet Systems B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Minorplanet,

procureur: mr. R.A. Schütz.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 22 november 2006 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 21 februari 2007 is door [appellante ] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Minorplanet tegen de zitting van

21 maart 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Dat het uw Hof moge behage te vernietigen het vonnis waarvan beroep en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad alsnog de vordering van Minorplanet Systems BV af te wijzen met veroordeling van Minorplanet Systems BV in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord (met producties) is door Minorplanet verweer gevoerd met als conclusie:

"Dat Minorplanet het Hof verzoekt [appellante ] in haar vorderingen in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans haar deze vorderingen te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank te Assen, sector kanton op 22 november 2006 onder zaak -rolnummer 181817 CV EXPL 06/2146 tussen partijen gewezen, te bekrachtigen;

met veroordeling van [appellante ] in de proceskosten in hoger beroep gevallen."

Minorplanet heeft het originele, door [appellante ] getekende orderformulier ter griffie van het hof gedeponeerd.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante ] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Nu de vaststelling door de kantonrechter van de feiten, voor zover daarvan blijkt in de rechtsoverweging 2 in het aangevallen vonnis, noch door grieven noch anderszins is bestreden, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg

2. Minorplanet heeft [appellante ] ter zake van nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst gedagvaard en gevorderd [appellante ] te veroordelen tot betaling van de onbetaald gebleven huurtermijnen ad € 18.911,15, vermeerderd met de vertragingsrente berekend tot 4 april 2006 ad € 525,05, met de buitengerechte-lijke kosten ad € 800,-- (incl. BTW) alsmede met de geconvenieerde rente ad 15% per jaar over € 18.911,15 vanaf 4 april 2006. Voorts is gevorderd [appellante ] te veroordelen tot teruggave van de in huur gegeven objecten en tot betaling van de proceskosten.

Na door [appellante ] gevoerd verweer heeft de kantonrechter de vordering van Minorplanet toegewezen tot een bedrag in hoofdsom van € 19.436,20, vermeerderd met de geconvenieerde rente van 15% per jaar over € 18.911,15 vanaf 4 april 2006. De vorderingen tot teruggave van de huurobjecten en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen. [appellante ] is veroordeeld in de proceskosten.

Met betrekking tot de grief

3. De door [appellante ] opgeworpen grief beoogt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor te leggen.

3.1 De grief valt uiteen in vijf onderdelen. [appellante ] heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de algemene voorwaarden niet op de huurovereenkomst van toepassing zijn, althans dat, indien geoordeeld mocht worden dat de algemene voorwaarden wel van toepassing zijn, deze vernietigd dienen te worden. Voorts heeft [appellante ] aangevoerd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Minorplanet akkoord is gegaan met de opzegging door [appellante ] van de huurovereenkomst. Bovendien bleken, aldus [appellante ], de gehuurde Data Collection Units (hierna: DCU's) niet de expliciet voorgespiegelde eigenschappen te bezitten, zodat geconcludeerd moet worden dat sprake is van dwaling aan de zijde van [appellante ]. [appellante ] heeft ook nog betoogd dat Minorplanet heeft toegezegd dat de huurovereenkomst zonder meer zou kunnen worden beëindigd, terwijl zij tot slot een beroep doet op matiging van de vordering omdat Minorplanet geen nadeel heeft geleden.

De dwaling

4. Het hof zal eerst het door [appellante ] gedane beroep op dwaling behandelen, nu dit als verst strekkende verweer heeft te gelden.

4.1 [appellante ] heeft gesteld dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat [appellante ] de overeenkomst onder dwaling heeft gesloten, dan wel dat de DCU's niet aan de door Minorplanet gewekte verwachtingen voldoen. Bovendien is, aldus [appellante ], ten onrechte overwogen dat [appellante ] niet binnen bekwame tijd bij Minorplanet heeft geprotesteerd.

4.2 [appellante ] heeft de huurovereenkomst bij brief van 14 april 2004 opgezegd omdat de DCU's niet voldoen aan de haar voorgespiegelde verwachtingen omtrent de werking ervan. Nog daargelaten dat, zoals hiervoor ook al is overwogen, een tekortkoming in de nakoming van een duurovereenkomst geen grond voor opzegging is, maar dat in dat geval de overeenkomst slechts kan worden ontbonden, heeft [appellante ] ook in hoger beroep niet aangetoond dat zij vóór de brief van 14 april 2004 bij Minorplanet heeft geklaagd over de vermeende tekortkomingen van de DCU's.

4.3 De stellingen van [appellante ] omtrent haar eerdere mededelingen aan Minorplanet over haar onvrede over de werking van de DCU's zijn weinig concreet en onvoldoende onderbouwd. Bovendien acht het hof het weinig geloofwaardig dat het zo lange tijd zou hebben geduurd voordat duidelijk werd dat de DCU's niet naar behoren functioneerden, zoals [appellante ] ingang wil doen vinden. Indien het gestelde door [appellante ] omtrent de beperkingen in de werking van de DCU's juist zou zijn, zouden die beperkingen gelet op de aard ervan immers reeds na korte tijd kenbaar moeten zijn geweest. Indien derhalve aangenomen zou moeten worden dat de DCU's niet de verwachte eigenschappen bezaten, dan had het voor de hand gelegen dat [appellante ] dit eerder aan Minorplanet had gemeld dan bij de brief van 14 april 2004. Daarbij komt dat in de opzeggingsbrief van [appellante ] van 16 februari 2004 met geen woord wordt gerept over de gestelde gebrekkige werking van de DCU's. Ook het voorstel van [appellante ] in haar brief van 16 februari 2004 om de DCU's aan anderen, onder wie [appellante ]s zoon, over te doen laat zich niet rijmen met de thans beweerde tekortkomingen.

4.4 Het hof verenigt zich dan ook met het oordeel van de kantonrechter dat op grond van het bepaalde in art. 6:89 BW [appellante ] haar rechten en bevoegdheden heeft verloren die haar op grond van de (gestelde) gebrekkigheid in de prestatie van Minorplanet ten dienste stonden.

4.5 De conclusie moet zijn dat er geen grond is voor vernietiging van de overeen-komst wegens dwaling van [appellante ], noch voor ontbinding van de overeenkomst wegens toerekenbaar tekortschieten aan de zijde van Minorplanet.

De algemene voorwaarden

5. Minorplanet heeft het origineel van het door de directeur van [appellante ] onder-tekende orderformulier, gedagtekend 30 augustus 2002, ter griffie gedeponeerd. Dit originele orderformulier bestaat uit een tweetal bladzijden, waarvan de achterzijden zijn bedrukt met de "Algemene Voorwaarden voor verhuur" van Minorplanet. Het orderformulier zelf bevat de tekst: "(…) De klant bevestigt dat hij heeft kennisgenomen van en instemt met deze Algemene Voorwaarden (...)".

5.1 De stellingen van [appellante ] dat de vertegenwoordiger van Minorplanet niet over de algemene voorwaarden heeft gesproken en dat die voorwaarden haar niet ter hand zijn gesteld, alsook de ontkenning door [appellante ] dat de algemene voorwaarden op de achterzijde van de orderbevestiging zouden staan en haar betoog dat de in de procedure overgelegde algemene voorwaarden daar niet eens op passen, dienen naar 's hofs oordeel, gelet op het overgelegde originele orderformulier, waarop de algemene voorwaarden zijn afgedrukt, te worden gepasseerd. Om diezelfde reden gaat het hof voorbij aan de stelling van [appellante ] dat aan de verwijzingen in het orderformulier en de huurovereenkomst naar de algemene voorwaarden geen gevolgen mogen worden verbonden, omdat dit - aldus [appellante ] - slechts zogenoemde verklaringsficties zouden zijn, waaraan volgens jurisprudentie geen werking toekomt.

5.2 De conclusie moet dan ook luiden dat [appellante ] geacht moet worden voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst kennis te hebben genomen, althans te hebben kunnen nemen van de algemene voorwaarden van Minorplanet en dat door aanvaarding daarvan door [appellante ], deze voorwaarden op de huurovereen-komst van toepassing zijn. Hetgeen door [appellante ] is aangevoerd, levert geen grond op voor vernietiging van die voorwaarden.

6. Tussen partijen staat vast dat de tussen hen gesloten overeenkomst voor bepaalde tijd (60 maanden) is aangegaan. Gesteld noch gebleken is voorts dat deze overeenkomst voorziet in de mogelijkheid van tussentijdse opzegging zijdens [appellante ].

Uitgangspunt is dat een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst, zo tussentijdse opzegbaarheid niet is bedongen, in beginsel niet eenzijdig tussentijds door opzegging kan worden beëindigd. De op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden voorzien overigens ook niet in tussentijdse opzegging.

Weliswaar is niet geheel uitgesloten dat op dit beginsel een uitzondering wordt aangenomen, maar een dergelijke uitzondering kan haar grond slechts vinden in onvoorziene - dat wil zeggen niet in de overeenkomst verdisconteerde - omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. (HR 21 oktober 1988, NJ 1990/439).

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante ] zodanige omstandigheden niet gesteld terwijl deze evenmin zijn gebleken. De door [appellante ] gestelde dwaling ten aanzien van de eigenschappen van de DCU's is, wat daar van zij, op zichzelf onvoldoende om de aanvaarding van een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging te rechtvaardigen. Indien de gestelde wanprestatie van voldoende betekenis zou zijn en ook overigens aan de daartoe gestelde voorwaarden is voldaan, kan zij grond opleveren om de overeenkomst door een buitengerechtelijke verklaring of door de rechter te doen ontbinden; er is te dezen geen reden waarom daarnaast grond voor beëindiging van de overeenkomst door opzegging zou zijn (vergelijk wederom HR 21 oktober 1988, NJ 1990/439).

De acceptatie door Minorplanet van de opzegging van de huurovereenkomst

7. [appellante ] heeft gesteld dat haar opzegging bij de brief van 16 februari 2004 door Minorplanet is geaccepteerd. Dit leidt [appellante ] af uit het gegeven dat de DCU's door Minorplanet uit de vrachtwagens van [appellante ] zijn verwijderd.

7.1 [appellante ] ziet daarbij over het hoofd dat Minorplanet bij brief van 24 februari 2004 aan [appellante ] heeft laten weten niet akkoord te zijn met de opzegging. Reeds daarom had [appellante ] in redelijkheid geen enkele grond om aan te nemen dat Minorplanet instemde met de opzegging van de overeenkomst. Het enkele feit dat Minorplanet de DCU's uit de vrachtwagens heeft verwijderd maakt dit niet anders, te meer nu Minorplanet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit slechts is gebeurd om haar rechten veilig te stellen. [appellante ] had immers al aangegeven dat zij twee vrachtwagens had verkocht.

7.2 Ook nadien heeft [appellante ] er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat Minorplanet akkoord zou zijn gegaan met de opzegging, nu zich dit niet laat rijmen met het feit dat [appellante ] bij brief van 7 juni 2004 - en ook daarna - is gesommeerd tot het betalen van de verschuldigde huurtermijnen van de DCU's.

De toezegging dat de huurovereenkomst zonder meer kon worden beëindigd

8. [appellante ] heeft nog aangevoerd dat de vertegenwoordiger van Minorplanet heeft toegezegd dat, indien de DCU's niet zouden bevallen, [appellante ] snel en op eenvoudige wijze van de huurovereenkomst af kon komen.

8.1 De opzegging door [appellante ] in haar genoemde brief van 16 februari 2004 is gebaseerd op bedrijfsbeëindiging. In die brief wordt geen verband gelegd tussen de opzegging en vermeende gebrekkige werking van de DCU's.

Om die reden gaat het hof voorbij aan de - overigens door Minorplanet betwiste - stelling van [appellante ] dat haar is toegezegd dat, indien de DCU's niet zouden bevallen, zij op eenvoudige wijze van de overeenkomst af kon komen. In de opzegging maakt zij immers in het geheel geen melding van deze reden tot beëindiging. Het door [appellante ] gedane bewijsaanbod is om die reden niet ter zake doende en het hof zal dat bewijsaanbod derhalve passeren. Overigens is het bewijsaanbod ook niet volgende gespecificeerd, zodat het hof ook om die reden daaraan voorbij moet gaan.

8.2 Weliswaar heeft [appellante ] in de memorie van grieven (alinea 31) nog aangevoerd dat Minorplanet bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft verklaard dat [appellante ] op elk gewenst moment de huurovereenkomst kon beëindigen, maar het hof leest dit betoog niet anders dan in het licht van het in de procedure bij herhaling door [appellante ] verdedigde standpunt dat een gewenste beëindiging van de huurovereenkomst in verband moest staan met klachten over de (werking van de) DCU's.

De matiging van de vordering

9. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellante ] dat niet gebleken is dat Minorplanet door de opzegging van de huurovereenkomst in 2004 nadeel heeft geleden en dat daarom termen aanwezig zijn voor matiging van de vordering, wat van die stelling ook zij.

9.1 Minorplanet heeft met haar vordering aanspraak gemaakt op nakoming van de tussen gesloten huurovereenkomst en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan de enkele tussentijdse opzegging van de overeenkomst door [appellante ] onverkorte nakoming zou kunnen frustreren.

De slotsom

10. De slotsom luidt dat [appellante ] gehouden is de voor haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichting tot betaling van de huurtermijnen na te komen. Daarom faalt de grief.

10.1 Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellante ] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (1 procespunt, tarief III).

De beslissing:

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante ] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Minorplanet op € 251,-- aan verschotten en op € 1.158,-- aan salaris procureur.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Rowel-Van der Linde, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 augustus 2008 in bijzijn van de griffier.