Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD9373

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
108.003.789
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd terzake van het verlies van geldigheid van het keuringsbewijs. De betrokkene brengt haar vrije tijd door in Zuid-Europa en heeft haar auto in Spanje laten keuren. Sanctie terecht opgelegd. Zolang de nationale wetgeving niet is aangepast aan het op 23 juni 2006 te Geneve gewijzigde Verdrag betreffende het aannemen van eenvormige voorwaarden voor periodieke technische keuringen van motorvoertuigen en de wederzijdse erkenning van dergelijke keuringen, is de betrokkene niet ontheven van de thans in Nederland geldende keuringsplicht.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 72
Wegenverkeerswet 1994 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 108.003.789

16 juni 2008

CJIB 19097390207

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht

van 8 november 2007

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

Een afschrift van de nadere toelichting is gezonden naar de advocaat-generaal.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging op 21 juni 2006 door de RDW door middel van registercontrole is geconstateerd.

3.2. De betrokkene bestrijdt niet dat voor het betreffende voertuig ten tijde als voormeld het keuringsbewijs zijn geldigheid had verloren. Zij heeft echter aangevoerd dat het voertuig ten tijde van de vereiste periodieke keuring in Spanje was, en dat zij de auto daar heeft laten keuren. Ten bewijze daarvan heeft zij het keuringsrapport en de factuur overgelegd. De betrokkene heeft voorts aangevoerd dat zij haar vakantie en overige vrije tijd in Zuid-Europa doorbrengt en dat zij het betreffende voertuig daar gebruikt, en dat zij, gelet op haar leeftijd, niet in staat is heen en weer naar Nederland te rijden voor de verplichte periodieke keuring. Het laten vervoeren van de auto kost € 900,-. De betrokkene heeft stukken overgelegd, te weten een door het Tweede Kamerlid Hofstra op 1 juli 2004 ingediende motie (Kamerstukken II 2003/04, 29467, nr. 5), een brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 9 mei 2007 gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer (Staten-Generaal, 2006/07, 31043, A en 1), vergezeld van een toelichtende nota ten aanzien van een voorgestelde wijziging van het Verdrag van Genève betreffende het aannemen van eenvormige voorwaarden voor periodieke technische keuringen van motorvoertuigen en de wederzijdse erkenning van dergelijke keuringen.

3.3. Blijkens de Handelingen van de Eerste Kamer van 9 juli 2007 zijn de onder 3.1 bedoelde wijzigingen van het in het kader van de Verenigde Naties gesloten Verdrag van Genève door de Eerste en Tweede Kamer stilzwijgend goedgekeurd (Handelingen Eerste Kamer 2006/07, nr. 37, p. 1137).

3.4. Voor zover de betrokkene door het overleggen van de onder 3.2 genoemde Kamerstukken heeft willen betogen dat de regelgeving zodanig is gewijzigd dat de in Spanje uitgevoerde keuring d.d. 5 april 2006 erkend zou dienen te worden, overweegt het hof dat de hiervoor genoemde wijziging van het Verdrag van Genève nog niet heeft geleid tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Dit brengt mee dat de vraag of de gedraging is verricht, dient te worden beoordeeld met inachtneming van het bepaalde bij artikel 72 WVW 1994, nu vaststaat dat voor het betreffende voertuig een kenteken is opgegeven en het kentekenbewijs evenmin, ingevolge artikel 67 WVW 1994, is geschorst.

3.5. Artikel 72 WVW 1994, luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Voor een motorrijtuig of aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven.

2. Het keuringsbewijs dient: (...)

b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, (...)

3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:

a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder.

3.6. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1990/91, 22 030, nr. 3, p. 113) houdt onder meer in:

“Het derde lid (ontleend aan art. 9d van de Wegenverkeerswet) geeft aan wie aansprakelijk is voor handelen in strijd met het bepaalde in het eerste en tweede lid. In de eerste plaats is dat uiteraard de eigenaar of houder van het voertuig. Deze moet er, ongeacht of het voertuig op de weg wordt gebruikt, zorg voor dragen dat voor het voertuig een keuringsbewijs is afgegeven”.

3.7. Het hof heeft eerder, in zijn uitspraak van 23 oktober 2007, LJN nummer BC8713, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, overwogen dat een ieder die zijn voertuig in Nederland heeft geregistreerd zich dient te houden aan de geldende keuringsplicht. Wie - zoals de betrokkene - er voor kiest om de Nederlandse registratie van haar voertuig ook in het buitenland te handhaven, dient de consequentie te aanvaarden dat zij het voertuig voor de jaarlijkse keuring in Nederland moet aanbieden, ook wanneer dat extra tijd en kosten meebrengt. Het feit dat door de Commissie van de Europese Gemeenschap initiatieven zijn genomen tot het aannemen van eenvormige voorwaarden voor periodieke technische keuringen van motorvoertuigen en tot wederzijdse erkenning van in EG-lidstaten uitgevoerde keuringen, kan, vooruitlopend op de daarvoor benodigde wijzigingen in de nationale wetgeving, de betrokkene niet ontheffen van de thans in Nederland geldende keuringsplicht.

3.8. Het hof overweegt voorts dat het de betrokkene te allen tijde vrij staat om haar voertuig bij de RDW voor export af te melden en zich zo te bevrijden van de Nederlandse keuringsplicht.

3.9. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de sanctie terecht aan de betrokkene is opgelegd en dat de door haar aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen tot matiging van het bedrag van de sanctie. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.