Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD8845

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
Zaaknummer 107.002.325/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Dollmen heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van de vermeende gebreken eerder bij [geïntimeerde] heeft gereclameerd dan nadat zij op de betaling van de achterstallige huur was aangesproken (het feit dat Dollmen op 26 februari 2007 zonder enig voorbehoud heeft ingestemd met een regeling omtrent de betaling van de achterstallige huurpenningen spreekt wat dat betreft boekdelen) en evenmin dat zij op grond van de gestelde gebreken gerechtvaardigd de betaling van de huurpenningen op mocht schorten. Het hof onderschrijft derhalve hetgeen de voorzieningenrechter onder 4.1, 4.2 en 4.3 van het beroepen vonnis heeft overwogen en neemt die overwegingen hierbij over.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 23 juli 2008

Zaaknummer 107.002.325/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Dollmen & Partners BV,

gevestigd te Exloo,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Dollmen,

procureur: mr. P. Stehouwer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 5 december 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 20 december 2007 is door Dollmen hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 9 januari 2008.

Bij de memorie van grieven zijn producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de Kantonrechter als Voorzieningenrechter in de Rechtbank Assen, sector Kanton, locatie Emmen, d.d. 5 december 2007 onder zaaknummer 210860 VV EXPL 07-36 gewezen vonnis te vernietigen en [geïntimeerde] alsnog in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren en deze aan hem te ontzeggen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste en tweede aanleg."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"eventueel met verbetering van gronden, het vonnis ex art. 254 lid 4 Rv van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen van 5 december 2007 (zaaknummer 210860 VV EXPL 07-36) te bevestigen met veroordeling van Dollmen in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Dollmen heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van grief 1 en de vaststaande feiten:

1. Grief I is niet gericht tegen de feiten zoals die door de voorzieningenrechter zijn weergegeven onder overweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het beroepen vonnis, maar betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte een aantal andere feiten niet als vaststaand heeft aangemerkt.

2. Uitgangspunt is dat het de rechter vrij staat om die feiten vast te stellen die hij ter motivering van zijn/haar beslissing nodig oordeelt. Daarbij komt dat hetgeen Dollmen in het kader van zijn eerste grief als feiten presenteert, stellingen betreft die door [geïntimeerde] in eerste aanleg gemotiveerd zijn betwist en derhalve voorshands allerminst door de voorzieningenrechter als vaststaand konden worden aangemerkt. In hoeverre daarover in hoger beroep anders moet worden geoordeeld zal blijken uit hetgeen hierna wordt overwogen.

3. De grief treft geen doel en het hof zal voorshands uitgaan van de feiten zoals die door de voorzieningenrechter als vaststaand zijn aangemerkt en zijn weergegeven onder overweging 2 (2.1. tot en met 2.5) van het vonnis waarvan beroep.

Met betrekking tot de grieven II en III:

4. De grieven richten zich tegen hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering aan zijn uitspraak ten grondslag heeft gelegd en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5. Het hof stelt voorop dat uitgebreide bewijslevering door het horen van getuigen, zoals dat door Dollmen is aangeboden, het kader van een procedure in kort geding te buiten gaat, zodat het bewijsaanbod van Dollmen wordt gepasseerd.

6. De stellingen die Dollmen bij memorie van grieven onder 5 tot en met 20 als feiten presenteert, worden ook in hoger beroep gemotiveerd door [geïntimeerde] weersproken. Nu de betreffende stellingen niet in voldoende mate worden ondersteund door bewijsstukken, kan voorshands niet van de juistheid van een en ander worden uitgegaan.

7. Dollmen heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van de vermeende gebreken eerder bij [geïntimeerde] heeft gereclameerd dan nadat zij op de betaling van de achterstallige huur was aangesproken (het feit dat Dollmen op 26 februari 2007 zonder enig voorbehoud heeft ingestemd met een regeling omtrent de betaling van de achterstallige huurpenningen spreekt wat dat betreft boekdelen) en evenmin dat zij op grond van de gestelde gebreken gerechtvaardigd de betaling van de huurpenningen op mocht schorten. Het hof onderschrijft derhalve hetgeen de voorzieningenrechter onder 4.1, 4.2 en 4.3 van het beroepen vonnis heeft overwogen en neemt die overwegingen hierbij over.

8. De grieven zijn vruchteloos voorgesteld.

Slotsom

9. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Dollmen zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief IV).

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 5 december 2007, waarvan beroep;

veroordeelt Dollmen in de kosten van deze procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 251,--aan verschotten en op € 1.631,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Breemhaar en De Hek, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 23 juli 2008 in bijzijn van de griffier.