Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD7160

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
107.001.263/01 (voorheen rolnummer 0600438)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hetgeen de directeur van [geïntimeerde] als partijgetuige in contra-enquête heeft verklaard voegt aan het tot dusverre door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs niets toe. Integendeel, de partijgetuige heeft verklaard dat hij tijdens het telefoongesprek met het bedrijf van [appellant] de naam van de ander niet goed had verstaan, terwijl hij nadien ook niet naar de gegevens van het bedrijf van [appellant] heeft gevraagd omdat hij dat soort zaken overlaat aan de boekhouding.

Bovendien geldt voor wat betreft de door directeur van [geïntimeerde] als partijgetuige afgelegde verklaring de beperking van het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv. Nu die verklaring slechts beperkt steun vindt in andere bewijsmiddelen, komt daaraan, gelet op de verklaringen van [appellant] en [getuige 3 ], onvoldoende bewijskracht ten faveure van de stellingen van [geïntimeerde] toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 9 juli 2008

Zaaknummer 107.001.263/01 (voorheen rolnummer 0600438)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente ],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

Bouwbedrijf [naam 1 ] B.V. ,

mede handelende onder de naam Bouwkomeet Handelsonderneming,

gevestigd te Haaksbergen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. N.H.M. Poort.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 22 augustus 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge voormeld tussenarrest hebben op 2 november 2007 en op 12 december 2007 de getuigenverhoren plaats gevonden. De daarvan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

Partijen hebben vervolgens ieder een memorie na (contra)enquête genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof merkt vooraf op dat in rechtsoverweging 2.1, derde regel, van het tussenarrest van 22 augustus 2007 het woord 'duidelijke' moet worden gelezen als 'onduidelijke'.

Wederom met betrekking tot de grieven

2. Bij voormeld tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tegenbewijs te leveren ten aanzien van de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] ter zake van de onderhavige huurovereenkomst voor zich zelf heeft gehandeld.

2.1 Hierbij verdient aantekening dat voor het slagen van tegenbewijs voldoende is dat het door de partij op wie de bewijslast rust - in casu [geïntimeerde] - voorshands als geleverd aangenomen bewijs door dat tegenbewijs wordt ontzenuwd.

3. Ter voldoening aan de opdracht tot het leveren van tegenbewijs heeft [appellant] zichzelf, [getuige 2 ] en [getuige 3 ] als getuigen laten horen.

Het hof merkt op dat de beperking aan de verklaring van een partij als getuige als bedoeld in art. 164 lid 2 Rv alleen geldt voor de partij op wie de bewijslast rust. Voor wat betreft de door [appellant] als getuige afgelegde verklaring geldt deze beperking derhalve niet.

4. [appellant] heeft verklaard dat hij in april 2005 de activiteiten van zijn eenmanszaak heeft ondergebracht in [naam appellant] Aannemingsbedrijf B.V. en dat hij bij zijn eerste (telefonisch) contact met [geïntimeerde] heeft aangegeven dat hij van [naam appellant ] Aannemingsbedrijf B.V. was. Hij heeft daaraan toegevoegd dat het, wanneer men voor het eerst zaken wil doen, gebruikelijk is ook de naam van je bedrijf te noemen. De opdrachtbevestiging is, aldus [appellant], weliswaar gesteld op briefpapier van zijn oorspronkelijke eenmanszaak, maar daarop heeft hij met de hand de letters B.V. aangebracht, alsmede de BTW- en loonbelastingnummers van de B.V., waarmee hij duidelijk heeft willen maken dat de opdracht door de B.V. werd verstrekt.

4.1 De getuige [getuige 2 ] heeft ten aanzien van de bewijsopdracht niets ter zake doende kunnen verklaren.

4.2 De getuige [getuige 3 ] is er weliswaar niet bij aanwezig geweest toen [appellant] zich voor het eerst aan [geïntimeerde] presenteerde, maar hij heeft verklaard dat hij er wel verschillende keren bij is geweest dat [appellant] andere zaken huurde en dat [appellant] zich toen altijd voorstelde als [appellant] van [naam appellant ] Aannemingsbedrijf B.V. Ook heeft de getuige verklaard dat op zeker moment iemand van [geïntimeerde] naar de bouw ging voor een uitgebreide keuring van de kraan en dat die persoon, omdat hij de sleutels van de kraan nodig had, toen naar iemand van [naam appellant ] Aannemingsbedrijf B.V. vroeg.

5. Op grond van de inhoud van de verklaringen van [appellant] en [getuige 3 ] (afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien) is het hof van oordeel dat [appellant] in het tegenbewijs is geslaagd in die zin dat door deze beide verklaringen de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] ter zake van de onderhavige huurovereenkomst voor zich zelf heeft gehandeld, voldoende overtuigend wordt ontzenuwd.

5.1 Hetgeen de directeur van [geïntimeerde] als partijgetuige in contra-enquête heeft verklaard voegt aan het tot dusverre door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs niets toe. Integendeel, de partijgetuige heeft verklaard dat hij tijdens het telefoongesprek met het bedrijf van [appellant] de naam van de ander niet goed had verstaan, terwijl hij nadien ook niet naar de gegevens van het bedrijf van [appellant] heeft gevraagd omdat hij dat soort zaken overlaat aan de boekhouding.

Bovendien geldt voor wat betreft de door directeur van [geïntimeerde] als partijgetuige afgelegde verklaring de beperking van het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv. Nu die verklaring slechts beperkt steun vindt in andere bewijsmiddelen, komt daaraan, gelet op de verklaringen van [appellant] en [getuige 3 ], onvoldoende bewijskracht ten faveure van de stellingen van [geïntimeerde] toe.

5.2 Nadat de directeur van [geïntimeerde] zijn verklaring als getuige heeft afgelegd, is namens [geïntimeerde] verklaard dat er in contra-enquête verder geen getuigen meer gehoord zullen worden. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat [geïntimeerde] afziet van het leveren van aanvullend bewijs.

6. De conclusie moet luiden dat in dit geding niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [appellant] ter zake van de onderhavige huurovereenkomst voor zichzelf heeft gehandeld. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vordering van [geïntimeerde], zodat deze alsnog dient te worden afgewezen.

7. De grieven slagen.

Slotsom

8. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal de vordering van [geïntimeerde] worden afgewezen.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van zowel het geding in eerste aanleg (2 procespunten volgens het voor vorderingen als de onderhavige geldende kantonrechtersliquidatietarief) als dat in hoger beroep (3 procespunten, volgens tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 9 augustus 2006 waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]s:

in eerste aanleg op nihil aan verschotten en op € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde;

in hoger beroep op € 319,32 aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Breemhaar en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 9 juli 2008 in bijzijn van de griffier.