Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD6670

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
107.004.880 (voorheen Rekestnummer 0800234)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een in Nederland gegeven machtiging tot uithuisplaatsing komt in beginsel ingevolge de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (hierna: Vo Brussel IIbis) in een andere lidstaat - zoals Bulgarije - in aanmerking voor erkenning. Artikel 56 Vo Brussel IIbis brengt mee dat een gerecht bevoegd kan zijn een kind te plaatsen in een andere lidstaat. Ter regeling van de uitvoering van onder meer dit verdragsartikel in Nederland is per 1 mei 2006 de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming (hierna: Uw) in werking getreden. Uit artikel 9 Uw en de toelichting daarop blijkt dat in Nederland het initiatief tot plaatsing in een pleeggezin in een andere lidstaat, en de beslissingsbevoegdheid daartoe, zijn gelegd bij de centrale autoriteit als bedoeld in artikel 4 van die wet. Nu echter artikel 4 lid 4 Uw duidelijk maakt dat de tussenkomst van de centrale autoriteit in zaken die onder Vo Brussel IIbis vallen niet verplicht is, en Vo Brussel IIbis ervan uitgaat dat een verzoeker de vrijheid heeft zich rechtstreeks tot de rechter te wenden, moet worden aangenomen dat de ouders ontvankelijk zijn in hun verzoek voor wat betreft de uithuisplaatsing van de kinderen in het gezin van de zuster van de vrouw in Bulgarije. In het midden kan blijven of een dergelijk verzoek, wanneer het betrekking zou hebben op een dergelijke overplaatsing binnen Nederland, ontvankelijk zou zijn.

Alvorens de ontvankelijkheid van de ouders in hun verzoek tot vervanging van BJZ als gezinsvoogdijinstelling te behandelen zal het hof eerst het verzoek tot uithuisplaatsing in het gezin van de zuster van de vrouw behandelen.

Het hof acht de beoordeling van de kinderrechter van dit verzoek, zoals deze blijkt uit de beschikking waarvan beroep, juist en neemt deze over.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringswet internationale kinderbescherming
Uitvoeringswet internationale kinderbescherming 4
Uitvoeringswet internationale kinderbescherming 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 juli 2008

Zaaknummer 107.004.880 (voorheen Rekestnummer 0800234)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de vader ] en [de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de vader, resp. de moeder, en gezamenlijk: de ouders,

procureur mr. A.H. Lanting,

advocaat mr. R.J. Skála.

tegen

Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

1. Bij beschikking van 19 december 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Groningen afgewezen de verzoeken van de ouders om in de ondertoezichtstellingen van [minderjarige 1], geboren op [datum ] 1994 (hierna te noemen: [minderjarige 1 ]), en [minderjarige 2], geboren op [datum ] 2004 (hierna te noemen: [minderjarige 2 ], en gezamenlijk: de kinderen), BJZ als gezinsvoogdijinstelling te vervangen door het Staatsagentschap voor de Kinderbescherming te Sofia, Bulgarije, en te bepalen dat genoemde minderjarigen uithuisgeplaatst worden in het gezin van mevrouw [betrokkene 1], zuster van de moeder, te [plaats ], Bulgarije.

Het geding in hoger beroep

2. Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 18 maart 2008, hebben de ouders verzocht de beschikking van 19 december 2007 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de ouders alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

3. Van de minderjarige [minderjarige 1 ] is een formulierbrief binnengekomen waaruit blijkt dat zij geen gebruik wil maken van de gelegenheid om haar mening kenbaar te maken.

4. Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.

5. Ter zitting van 2 juni 2008 is de zaak behandeld. De ouders zijn daarbij niet verschenen; wel heeft mr. Skála het beroep toegelicht. Tevens zijn gehoord vertegenwoordigers van BJZ en van de raad voor de kinderbescherming.

De beoordeling

Vaststaande feiten

6. [minderjarige 1 ] is de dochter van de moeder en de heer [betrokkene 2], wiens woon- of verblijfplaats onbekend is. De moeder oefent het gezag over haar uit.

[minderjarige 2 ] is de zoon van de ouders, die gezamenlijk het gezag over hem uitoefenen.

7. De beide kinderen zijn sinds 12 januari 2006 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. De tot 12 april 2008 geldende ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn door de kinderrechter met een jaar verlengd.

8. Bij brief van 6 november 2007 heeft mr. Skála namens de ouders BJZ verzocht medewerking te verlenen aan de plaatsing van de kinderen in het gezin van de zuster van de moeder, en de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te dragen aan de Bulgaarse zusterorganisatie van BJZ. Op deze brief heeft BJZ niet, althans niet binnen veertien dagen, gereageerd, waarop op 28 november 2007 het hierboven onder 1 bedoelde verzoek bij de kinderrechter is ingediend.

De overwegingen

9. De eerste vraag die moet worden beantwoord is die naar de ontvankelijkheid van de ouders in hun verzoeken.

10. Een in Nederland gegeven machtiging tot uithuisplaatsing komt in beginsel ingevolge de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (hierna: Vo Brussel IIbis) in een andere lidstaat - zoals Bulgarije - in aanmerking voor erkenning. Artikel 56 Vo Brussel IIbis brengt mee dat een gerecht bevoegd kan zijn een kind te plaatsen in een andere lidstaat. Ter regeling van de uitvoering van onder meer dit verdragsartikel in Nederland is per 1 mei 2006 de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming (hierna: Uw) in werking getreden. Uit artikel 9 Uw en de toelichting daarop blijkt dat in Nederland het initiatief tot plaatsing in een pleeggezin in een andere lidstaat, en de beslissingsbevoegdheid daartoe, zijn gelegd bij de centrale autoriteit als bedoeld in artikel 4 van die wet. Nu echter artikel 4 lid 4 Uw duidelijk maakt dat de tussenkomst van de centrale autoriteit in zaken die onder Vo Brussel IIbis vallen niet verplicht is, en Vo Brussel IIbis ervan uitgaat dat een verzoeker de vrijheid heeft zich rechtstreeks tot de rechter te wenden, moet worden aangenomen dat de ouders ontvankelijk zijn in hun verzoek voor wat betreft de uithuisplaatsing van de kinderen in het gezin van de zuster van de vrouw in Bulgarije. In het midden kan blijven of een dergelijk verzoek, wanneer het betrekking zou hebben op een dergelijke overplaatsing binnen Nederland, ontvankelijk zou zijn.

Alvorens de ontvankelijkheid van de ouders in hun verzoek tot vervanging van BJZ als gezinsvoogdijinstelling te behandelen zal het hof eerst het verzoek tot uithuisplaatsing in het gezin van de zuster van de vrouw behandelen.

11. Het hof acht de beoordeling van de kinderrechter van dit verzoek, zoals deze blijkt uit de beschikking waarvan beroep, juist en neemt deze over. Hetgeen door de ouders in hoger beroep is aangevoerd noopt niet tot nadere overwegingen, nu dat feitelijk niet anders is dan een illustratie van het gegeven dat de ouders niet bereid of in staat zijn tot enige vorm van samenwerking met BJZ of andere hulpverlenende instanties, zolang deze instanties zich niet voegen naar hun voorwaarden. Het hof overweegt aanvullend nog slechts - gelet op de toelichting op artikel 9 Uw - dat plaatsing van kinderen in een ander land, ook in het onderhavige geval, een ingrijpende maatregel is, dat daarom aannemelijk moet worden gemaakt dat een dergelijke stap nodig en verantwoord is en dat er in Nederland geen gelijkwaardig alternatief is, hetgeen het hof in het geheel niet door de ouders aannemelijk gemaakt oordeelt.

12. Dit verzoek van de ouders komt dus niet voor toewijzing in aanmerking.

13. Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de kinderen in Nederland zullen blijven en dus dat de ondertoezichtstelling in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Dit brengt mee dat aanwijzing van een Bulgaarse instantie als gezinsvoogdijinstelling niet aan de orde is, nog daargelaten dat het hof van oordeel is dat noch artikel 1:254 lid 5 BW noch enige andere wettelijke of verdragsbepaling in een situatie als deze het hof de bevoegdheid verschaft een dergelijke beslissing te geven. In hun inleidend verzoek op dit punt moeten de ouders dus alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard.

14. De kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep zullen worden gecompenseerd, nu er geen aanleiding is om ten aanzien van de kosten anders te beslissen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun inleidende verzoek betreffende de vervanging van BJZ als gezinsvoogdijinstelling door het Staatsagentschap voor de Kinderbescherming te Sofia, Bulgarije;

wijst het inleidende verzoek voor het overige af;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mrs. Bosch, voorzitter, Makkinga en Jonkman, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 9 juli 2008 in bijzijn van de griffier.