Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5972

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
107.004.350 (voorheen: Rekestnummer 0700606 )
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de uithuisplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] ingevolge de thans door het hof te geven beschikking nog tenminste anderhalve maand zal duren, acht het hof het echter in dit bijzondere geval juist, nu alle betrokken partijen daarom verzocht hebben, zijn oordeel te geven over de (in elk geval gedurende die periode) in deze kwestie te maken principe-keuze: dient het beleid gericht te worden op het verder onderzoeken van de mogelijkheden tot terugplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] in het gezin van de ouders of op bestendiging van hun verblijf bij de respectieve pleegouders?

Naar het oordeel van het hof moet gekozen worden voor de eerste optie. Het hof onderkent dat nog geruime tijd onzekerheid zal bestaan over de vraag of [kind 1 ] en [kind 2 ] daadwerkelijk in het gezin van de ouders zullen (kunnen) worden teruggeplaatst. Deze omstandigheid moet echter op de koop toe worden genomen, als er enige versnelling plaatsvindt in het opbouwen van een intensieve omgangsregeling. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de ouders en pleegouders adequaat worden ondersteund in de moeilijke dubbelpositie die zij gedurende deze tijd van onzekerheid ten opzichte van de kinderen zullen hebben. Het wordt anders onmogelijk de ouders de eerlijke en -bij een goede begeleiding- op voorhand zeker niet onhaalbare kans te bieden te tonen dat zij hun kinderen in hun gezin kunnen opvoeden en verzorgen. Het hof is van oordeel dat het in dit geval mogelijk is de ouders die kans te bieden zonder dat de belangen van [kind 1 ] en [kind 2 ] daar in meer dan geringe mate onder te lijden hebben, wanneer alle betrokkenen zich daar met grote inzet en loyaliteit voor inzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 juni 2008

Zaaknummer 107.004.350 (voorheen: Rekestnummer 0700606 )

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

appellant,

hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg,

tegen

[de moeder ],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. S.C. Koolmees,

Belanghebbenden:

1. [de vader ],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. familie [naam 1 ],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: pleegouders van [kind 1 ],

advocaat mr M. Verheul,

3. familie [naam 2 ],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: pleegouders van [kind 2],

procureur mr J.M.C. Bosch-Scholts.

De inhoud van de tussenbeschikking van 16 november 2007 wordt hier overgenomen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) d.d. 6 december 2007, een brief van mr. Koolmees d.d. 7 december 2007, een brief van het NIFP d.d. 20 december 2007, een brief van het NIFP d.d. 4 februari 2008, een fax van mr. Verheul d.d. 22 april 2008 en een tweetal psychologische onderzoeksrapporten, ontvangen op de griffie van het hof op 19 mei 2008.

De zaak is ter zitting van 24 juni 2008 behandeld. Namens Bureau Jeugdzorg zijn verschenen de heer [naam 3 ], mevrouw [naam 4 ] en mevrouw [naam 5 ], alsmede de moeder en de overige belanghebbenden, allen vergezeld van hun procureur respectievelijk advocaat. Tevens is de heer [naam 6 ] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) verschenen.

De beoordeling

Inleiding

1. Bij tussenbeschikking van 16 november 2007 (hierna: de tussenbeschikking) heeft het hof een deskundigenonderzoek bevolen naar de mogelijkheden tot terugplaatsing van de minderjarigen [kind 1 ] (hierna: [kind 1 ]), geboren op [datum ] 2002 en [kind 2 ] (hierna: [kind 2 ]), geboren op [datum ] 2004, in het gezin van de ouders, onder meer aan de hand van de in rechtsoverweging 18 van de tussenbeschikking geformuleerde vragen.

2. Ingevolge het bepaalde in de tussenbeschikking zijn op 19 mei 2008 bij de griffie van het hof binnengekomen een rapport van een psychologisch onderzoek over [kind 1 ], opgemaakt door mevrouw drs. [naam 7 ] en een rapport van een psychologisch onderzoek over [kind 2 ], opgemaakt door mevrouw drs. [naam 8 ] (hierna worden beide rapporten, omdat zij grotendeels gelijkluidend zijn, tezamen genoemd: 'rapport [naam rapport ]').

De standpunten van partijen

3. Voor het standpunt van Bureau Jeugdzorg wordt verwezen naar wat hierover is vermeld in de tussenbeschikking. Bureau Jeugdzorg heeft ter zitting van 24 juni 2008 doen opmerken dat het in beginsel de bevindingen in het rapport [naam rapport ] onderschrijft. Bureau Jeugdzorg is het er niet mee eens dat er op termijn weer een onderzoek moet plaatsvinden om te bekijken of de kinderen bij hun ouders kunnen wonen. Dit schept onduidelijkheid en onzekerheid voor de kinderen. Er bestaat ernstige twijfel of de ouders de zorg voor vier kinderen, waaronder de kwetsbare [kind 1 ] en [kind 2 ], wel aankunnen. Uitbreiding van de omgangsregeling is mogelijk. De inzet van deze uitbreiding moet niet gericht zijn op terugplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] bij hun ouders. Volgens Bureau Jeugdzorg moeten de kinderen bij hun pleegouders blijven.

4. Voor het standpunt van de moeder wordt verwezen naar wat hierover is vermeld in de tussenbeschikking. De moeder heeft ter zitting van 24 juni 2008 gezegd dat zij het eens is met de inhoud van het rapport [naam rapport ]. Ze acht zich in staat samen met de vader, naast de zorg van [kind 3 ] en [kind 4 ], de zorg voor [kind 1 ] en [kind 2 ] op zich te nemen. Om mogelijke problemen voor de kinderen te ondervangen moet de tijd worden genomen om de kinderen voor te bereiden op deze terugkeer. De vader sluit zich bij de visie van de moeder aan.

5. Voor het standpunt van de pleegouders van [kind 1 ] wordt verwezen naar wat hierover is vermeld in de tussenbeschikking. De pleegouders van [kind 1 ] hebben ter zitting van 24 juni 2008 opgemerkt dat zij het niet in het belang van [kind 1 ] achten dat hij op enig moment zal worden teruggeplaatst bij de ouders. Terugplaatsing bij de ouders moet niet als beloning worden gezien van hun goede gedrag. Het laten ontstaan van een nieuwe hechtingsrelatie met de ouders vereist van de ouders méér dan gewone opvoedingsvaardigheden. Hier is niet van gebleken. De pleegouders achten het wel in het belang van [kind 1 ] dat de omgang wordt uitgebreid om de ouders een duidelijke plaats in zijn leven te geven.

6. Voor het standpunt van de pleegouders van [kind 2 ] wordt verwezen naar wat hierover is vermeld in de tussenbeschikking. De pleegouders van [kind 2 ] hebben ter zitting van 24 juni 2008 naar voren gebracht dat de verdere ontwikkeling van [kind 2 ] moet worden afgewacht voordat aan zijn terugplaatsing bij de ouders kan worden gedacht. Dit zou het geval kunnen zijn als [kind 2 ] de tien- à twaalfjarige leeftijd heeft bereikt.

7. Voor het standpunt van de raad wordt verwezen naar wat hierover is vermeld in de tussenbeschikking. De medewerker van de raad heeft ter zitting opgemerkt dat partijen het eens zijn over het feit dat de uithuisplaatsing in ieder geval tot 17 augustus 2008 verlengd moet worden. De vraag is echter of de kinderen op termijn al dan niet weer bij hun ouders kunnen wonen en, in het verlengde hiervan, waar de uitbreiding van omgang met de ouders op gericht moet zijn. Uit het rapport [naam rapport ] blijkt dat er op dit moment geen contra-indicaties bestaan die de conclusie rechtvaardigen dat de kinderen nooit weer bij hun ouders kunnen wonen. Over een jaar moet dit volgens het rapport opnieuw worden onderzocht. Dit betekent volgens de raad dat er geen keuze wordt gemaakt die duidelijkheid schept. Uitbreiding van de omgang met de ouders die er op is gericht het gezin in de toekomst te herenigen, terwijl nog niet zeker is óf de kinderen ooit definitief bij de ouders zullen wonen is te belastend voor kinderen.

Overwegingen

8. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind 2 ] en [kind 1 ] of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

9. Uit het rapport [naam rapport ] komt naar voren dat de ouders zeer gemotiveerd zijn om de opvoeding van [kind 2 ] en [kind 1 ] weer zelf ter hand te nemen. Ze hebben bij de opvoeding van hun twee jongste kinderen laten zien dat ze met hulp van buitenaf over de basale opvoedingskwaliteiten beschikken om deze kinderen een gestructureerd en liefdevol opvoedingsklimaat te bieden. Het feit dat [kind 2 ] en [kind 1 ] uit huis zijn geplaatst heeft de ouders doordrongen van de ernst van de situatie. Ze hebben zich vanaf dat moment ingespannen hun leven drastisch te wijzigen en alles in het werk te stellen de kinderen weer bij hen te laten wonen.

10. Twee jaar na de uithuisplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] komt van de kant van verschillende informanten, die in het kader van de rapportage zijn geraadpleegd, naar voren dat de problemen die er waren ten tijde van de uithuisplaatsing, nu niet meer spelen.

11. Op grond van de interactieobservaties, de informatie van derden en datgene wat de ouders zelf vertellen, schatten de onderzoekers in dat de kans dat de verwaarlozende omstandigheden die tot de uithuisplaatsing hebben geleid, zich opnieuw zullen voordoen, klein is. Met hulp en ondersteuning worden de ouders in staat geacht [kind 1 ] en [kind 2 ] op termijn weer zelf op te voeden, zonder dat hun capaciteiten overvraagd worden.

12. Gelet op de positieve ontwikkeling aan de zijde van zowel de ouders als [kind 1 ] en [kind 2 ] zal volgens het rapport op termijn moeten worden toegewerkt aan terugkeer van de kinderen in het gezin van de ouders. Voor [kind 1 ] en [kind 2 ] is het echter beter dat zij nog enige tijd bij hun pleegouders blijven wonen. Een plotselinge verandering van de huidige leefsituatie brengt het risico met zich dat de kinderen een terugval krijgen in hun ontwikkeling. Dit is niet in hun belang.

13. Het hof acht de hierboven weergegeven bevindingen in het rapport [naam rapport ] juist en neemt die mede tot uitgangspunt van zijn beslissing. Alle betrokkenen zijn het er ook over eens dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] over de periode 1 juli 2008 tot 17 augustus 2008 verlengd moet worden. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat is gebleken van gronden die een voortzetting van de uithuisplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] op dit moment noodzakelijk maken.

14. Aldus zal het hof het inleidend verzoek van Bureau Jeugdzorg voor wat betreft de uithuisplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] over de periode 1 juli 2008 tot 17 augustus 2008 alsnog toewijzen. De periode hierna is niet aan het oordeel van het hof onderworpen en dient opnieuw door de kinderrechter beoordeeld te worden.

15. Nu de uithuisplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] ingevolge de thans door het hof te geven beschikking nog tenminste anderhalve maand zal duren, acht het hof het echter in dit bijzondere geval juist, nu alle betrokken partijen daarom verzocht hebben, zijn oordeel te geven over de (in elk geval gedurende die periode) in deze kwestie te maken principe-keuze: dient het beleid gericht te worden op het verder onderzoeken van de mogelijkheden tot terugplaatsing van [kind 1 ] en [kind 2 ] in het gezin van de ouders of op bestendiging van hun verblijf bij de respectieve pleegouders?

16. Naar het oordeel van het hof moet gekozen worden voor de eerste optie. Het hof onderkent dat nog geruime tijd onzekerheid zal bestaan over de vraag of [kind 1 ] en [kind 2 ] daadwerkelijk in het gezin van de ouders zullen (kunnen) worden teruggeplaatst. Deze omstandigheid moet echter op de koop toe worden genomen, als er enige versnelling plaatsvindt in het opbouwen van een intensieve omgangsregeling. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de ouders en pleegouders adequaat worden ondersteund in de moeilijke dubbelpositie die zij gedurende deze tijd van onzekerheid ten opzichte van de kinderen zullen hebben. Het wordt anders onmogelijk de ouders de eerlijke en -bij een goede begeleiding- op voorhand zeker niet onhaalbare kans te bieden te tonen dat zij hun kinderen in hun gezin kunnen opvoeden en verzorgen. Het hof is van oordeel dat het in dit geval mogelijk is de ouders die kans te bieden zonder dat de belangen van [kind 1 ] en [kind 2 ] daar in meer dan geringe mate onder te lijden hebben, wanneer alle betrokkenen zich daar met grote inzet en loyaliteit voor inzetten.

17. Uit het voorgaande volgt dat het hof zich niet kan verenigen met de stelling van Bureau Jeugdzorg dat, ondanks de lof die het aan de ouders toezwaait voor hun inspanningen en prestaties in de afgelopen periode, terugplaatsing van de kinderen niet mogelijk is. Bureau Jeugdzorg lijkt zich daarbij te baseren op uitgangspunten die niet zozeer betrekking hebben op de onderhavige situatie als wel op theoretische inzichten van een algemeen pedagogische strekking. Aldus doet Bureau Jeugdzorg naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de specifieke omstandigheden van dit geval -de vorderingen die de ouders hebben gemaakt en de hiervoor genoemde 'zeker niet onhaalbare kans'- alsmede aan de betekenis van het gegeven dat de samenwoning van biologische ouders en hun kinderen alleen kan worden belet op de in de wet gegeven gronden. Dat deze gronden zich ten aanzien van [kind 1 ] en [kind 2 ] blijvend zullen voordoen staat voor het hof allerminst vast. Het voorgaande brengt mee dat het beleid ook in de nog resterende periode van uithuisplaatsing zal moeten worden gericht op terugplaatsing van de beide kinderen bij de ouders op een afzienbare termijn.

Slotsom

18. Op grond van het voorgaande dient beslist te worden als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [kind 1 ], geboren op [datum ] 2002, en [kind 2 ], geboren op [datum ] 2006, met ingang van 1 juli 2008 tot 17 augustus 2008.

Aldus gegeven door mrs. Hermans, voorzitter, Bosch en Kuiken, raden,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van maandag 30 juni 2008 in bijzijn van de griffier.